Waarom bescheidenheid ook een nadeel heeft (video)

“De kinderen vragen niets,” zei de oudere man tegen me. Hij had droevige ogen. “Dus vertel ik niets, dat begrijpt u wel.”
Ik begreep het. Maar ik wist ook wat de toekomst zou brengen. Zwijgen en wachten. En later de kinderen die op zoek gaan naar verhalen, omdat ze eindelijk hebben begrepen dat er iets te vragen viel.
Kassian, de vader.
Kassian, de kinderen.
Bescheidenheid
Die ontmoeting bij Nasi Idjo in Enschede bewaar ik nog altijd in me. Ik voelde zijn bescheidenheid. Ook zijn besef van eigenwaarde. Dat gaat vaak samen. Dan ben je heel gevoelig voor het gedrag van anderen. En daardoor ontstaat een zekere kwetsbaarheid.
Zolang er geen oprechte aandacht is, komen er geen verhalen.
De bescheidenheid verbiedt het.
Zo heeft die mooie eigenschap dus ook een nadeel.
Dat het zo werkt, begrijp ik. Het doet me verdriet, omdat ik weet dat daardoor de belangrijkste levensverhalen niet verteld worden. Want er is twijfel: is mijn verhaal wel de moeite waard? Zijn er al niet heel veel boeken over levens als de mijne?
Die vraag neem ik serieus. En als u dat ook doet, luistert u niet naar het Hollandse stemmetje dat u ontmoedigt. Niet doen, hoor. Uw twijfel is het begin van een onderzoek.
Waardevol
De vraag is eigenlijk: wat maakt een levensverhaal waardevol? Daar heb ik een video over gemaakt.
In deze video:
- hoe bescheidenheid ook een nadeel heeft en wat dat betekent
- een nieuwe manier om naar uw levensverhaal te kijken
- waarom ook uw levensverhaal belangrijk is
(tekst loopt door onder video)
Wisselwerking
Dus daar gaat het om. Die wisselwerking. Tussen de grote gebeurtenissen en uw eigen verhaal. Dat maakt het waardevol. En daarbij komt het andere, het feit dat elk mens een uniek verhaal heeft. Zelf kom ik uit een gezin van drie dochters van dezelfde ouders, en toch vertellen mijn zusjes en ik ieder een eigen verhaal over de ouders.
Dat geldt ook voor uw gezin, en voor uw familie, en daarmee voor uw levensverhaal. En elk verhaal is een stukje van het grote mozaïk dat Indië was, dat gaat over Indische levens, in Indië en in Nederland.
Glastouw
Nog een praktisch voorbeeld?
Als ik aan tien mannen vraag: ‘hoe maakte u vroeger glastouw?’, dan krijg ik tien verschillende antwoorden. Alle tien even interessant.
Wanneer er een nieuw artikel verschijnt, mail ik een berichtje aan degenen die zich hebben ingeschreven. Dan hoeft u niet te zoeken. Inschrijven kan door op het plaatje hieronder te klikken. Dan krijgt u meteen een ebook cadeau: Drie tips om herinneringen door te geven.


Bij mijn bezoek, met een vriend, aan Batoe in 1995 heb ik getracht Oma’s graf te vinden op de Indonesische begraafplaats aan de voet van de Gunung Panderman. Een illusie, want het graf was onvindbaar. Ter plaatse hebben wij toen nog een slametan kunnen organiseren ter nagedachtenis aan en in respect voor deze zo geliefde, bijzondere vrouw, die zelf tijdens haar hele leven bij iedere bijzondere gelegenheid in de familie zorgde voor een uitgebreide slametan. Zij hield van ons en wij allen van haar. Nog brand ik zo nu en dan wierook en een kaarsje bij haar nog steeds niet vergeelde, prachtige, portret. Opa hangt er trouwens pontificaal naast, wel een beetje ‘vergeeld’. Hij was toen ook al zo oud.
Na de dood van Opa in 1918 – hij stierf als gevolg van de toen heersende Spaanse griep – heeft Oma zich actief getoond in de verbouw en verkoop van verse groenten uit de uitgestrekte groentetuin achter het huis. De oogst leverde zoveel op dat Oma tot verkoop van de groenten overging en er voor zorgde dat er regelmatig grobaks volgeladen hun vracht her en der in de omtrek afleverden. Graag had zij haar dochters bij de werkzaamheden van inpakken en verkoop willen betrekken, maar die gaven de voorkeur aan het vrolijke, om niet te zeggen frivole, uitgaansleven in de grote stad Soerabaja, waar zij woonden, werkten (To en Jim waren bij het onderwijs en Jep en Lien werkten op handelskantoren in Surabaja) en uiteindelijk trouwden – met uitzondering van de jongste dochter Jimmy – met respectievelijk een Hoofdadministrateur in de Suiker, een KPM employee en een Particulier Accountant, mijn vader.
Oma heb ik de eerste vijf jaar van mijn leven – in Batoe – heel goed gekend. Mijn moeder, vader en zuster Jimmy, zijn bij Oma ingetrokken enige tijd voor de Japanse invasie. Ik werd in 1940 in Malang geboren en leerde Oma kennen als een echte lieve vrouw, die weliswaar de Nederlandse taal amper sprak, niet kon schrijven noch lezen, maar dat vond ik toen, als kind, helemaal niet raar. Oma erbij was een vanzelfsprekendheid in mijn jonge leventje. Zij was er altijd en zij hoorde bij mijn kind-zijn. Nam mij in bescherming, als mijn moeder weer eens naar mij uitviel, op van de zenuwen als ze was omdat zij het gemis van mijn vader (krijgsgevangen genomen in 1942) moeilijk kon verdragen en zich constant afvroeg waar hij zou kunnen zijn en wanneer zij elkaar weer terug zouden zien. Ik had er geen vraagtekens bij, te jong nog om te beseffen wat er allemaal gaande was.
Oma, genaamd Katyem, (later werd zij Oma Schaay, maar vooral ook Oma Batoe genoemd), moet geboren zijn in Klakah op Oost Java, omstreeks 1866. Zij had enkele zusters, maar verder is er over haar achtergrond (gezin) niets bekend. Wel bezat zij een zogenoemde kris pusaka, een teken volgens zeggen, dat zij van goede komaf zou zijn en bovendien bezat zij zelf stukken grond. Zij kon lezen noch schrijven.Voordat zij Opa leerde kennen had zij ‘gediend’ bij een Engelsman – zo vertelde zij dat later aan haar kinderen.
Hij werd op 17 februari 1845 geboren in Rotterdam als zoon van Jan Hendrik Schaay (Gereformeerd Gedoopt), een commissionair in effecten. Opa wilde altijd ‘boer’ worden, maar dat paste niet in de familie. Dus besloot hij een landbouwopleiding te volgen om vervolgens in 1876 naar ‘Indiën’ te vertrekken en daar het avontuur aan te gaan als tabaks-ondernemer.
De oudste kinderen, To en Jan werden al op zeer jonge leeftijd (vanaf circa hun vijfde jaar) naar Holland gestuurd. Waarschijnlijk onder de hoede van een gouvernante, of één van de Hollandse familieleden, die Opa waren gevolgd naar Indië, vertrokken zij per boot naar Holland, om daar door familie in Rotterdam/Den Haag te worden opgevangen voor hun Europese opvoeding: lagere school, middelbare school en verdere opleiding. Dochter Jeppie moest ook al heel jong naar kostschool in Surabaja en Lien en Jim gingen ‘in de kost’ bij de dames Berg in Malang toen ze ongeveer 3 jaar waren. Er waren geen goede Nederlandse scholen in de directe nabijheid van de plantage en Opa was van mening dat de kinderen absoluut niet mochten ‘verinlandsen’.

Wilma Luyke is een Indische vrouw, tweede generatie, en ze zegt: “Pas na de dood van mijn moeder zijn alle roepia’s op hun plek gevallen.”


