Het hospitaalschandaal in Indië in 1900

Hospitaal te Atjeh/ Collectie Tropenmuseum WIkipedia Commons

Terwijl de Atjehoorlog voortwoedde en Nederland, alle verwachtingen ten spijt, nog altijd niet gewonnen had, kwam er in 1900 een nieuw probleem bij. Dat meldde de arts L.J. Eilerts de Haan, werkzaam in het ziekenhuis aldaar. In verschillende artikelen beschreef hij dat er uit ziekenhuizen voeding werd gestolen. De daders schold hij uit voor ‘hospitaalhyena’s’. Met goede bedoelingen, zoals een klokkenluider die meestal heeft.

Officier van gezondheid

Het Indische dagblad De Locomotief trok zich de zaak van het hospitaalschandaal aan. Op 10 maart 1900 publiceerde de krant een fors artikel over de zaak waarbij ook alweer een nieuw probleem was gekomen, te weten de positie van de arts zelf. Dokter L.J. Eilerts de Haan, officier van gezondheid eerste klas, had inmiddels Indië verlaten. Of dit geheel vrijwillig was, stond te bezien. De dokter zelf was inmiddels een verdacht persoon geworden of gemaakt, en ook dat typeerde zijn positie als klokkenluider. Er was namelijk een onderzoek naar de dokter ingesteld:

“Dit geeft te denken. Er ligt zoo iets in van: tóch zullen wij dan lastigen kerel wel krijgen! […] Natuurlijk heeft Dr. Eilerts de Haan wel eerst bij zijn chefs geklaagd, maar het is de vraag hoever en hoelang het legerbestuur zulke pogingen wil zien uitstrekken.

Indien Dr. Eilerts de Haan wellicht – ik weet er niets van, onderstel slechts – wat spoediger dan een ander tureluursch is geworden over de eeuwige officieele uitvluchten waar het geldt breken met de sleur, en maar altijd zijne zieken laaghartig zag bestelen, zal hem dit dan te kwade warden aangerekend? Zal op de vingers worden nageteld: hij had dit nog kunnen doen, en dat nog kunnen vragen, en op dit of dat nog kunnen wachten? Moet liever ook de legercommandant niet op prijs stellen, dat de knoeierij nu eens duidelijk aan het licht is gebracht en den man hoogachten, die dit heeft durven doen?”

Dat waren scherpe zinnen die duidelijk maakten wat nu het ergste werd gevonden. Niet zozeer de diefstal of de verminderde hoeveelheid gezonde voeding voor de militairen, maar het gezichtsverlies van de superieuren. Menigeen begreep, hoe verstandig de dokter was geweest door de uitslag van een dergelijk onderzoek naar hem niet af te wachten.

Het nieuws van den dag voor Nederlandsch-Indië, 12 februari 1906: de dokter houdt spreekuur in het militair hospitaal.

Eieren

De kranten bleven publiceren over het hospitaalschandaal. Het betrof hier vooral militaire ziekenhuizen, waar de lagere rangen in opgenomen werden. De indruk bestond dat zij geen klachten durfden in te dienen als er iets ontbrak. Dat iets kon zijn: voeding, versterkende drank of zelfs medicijnen. Schreef een arts vier eieren voor, dan kreeg de patiënt er twee. Melk werd verdund. De lijst van diefstallen leek eindeloos.

Gaandeweg 1901 bleek dat er al járen gestolen werd uit de hospitalen, maar er iets aan doen… dat leek vrijwel onmogelijk. De artikelen die dokter Eilerts de Haan erover had geschreven om de misstanden aan de kaak te stellen, waren zelfs geweigerd door het Indisch Militair Tijdschrift, schreef Het nieuws van den dag voor Nederlandsch-Indië, begin 1901, ook al had hij de morele steun van Van Heutsz, de gouverneur van Atjeh.

Doofpot

Wie baat bij deze diefstallen had, bleef speculeren. Mogelijk floreerde hier een crimineel stelsel van verkoop en winst met afdrachten aan deze en gene, en daarbij konden – gezien de doofpot reactie – best hooggeplaatste militairen betrokken zijn.
Klokkenluider

In Nederland haalde de zaak van het hospitaalschandaal de kringen van ministers. Merkwaardig genoeg wilden ook zij het karakter van de klokkenluider bespreken. Het heette twijfelachtig te zijn dat een militaire arts met voorbijgaan van zijn meerderen de steun van publieke opinie had gezocht voor zijn zaak. Maar had hij een alternatief gehad? Kennelijk: neen. Het Kamerlid Van Kol nam het voor hem op:

Ook insubordinatie heeft hier niet plaats gehad, want ware dat het geval, dan zou generaal van Heutsz aan die artikelen zeker zijn goedkeuring niet hebben gehecht en daardoor als zijn meening hebben doen kennen, dat alleen door het opwekken der publieke opinie tegen die misstanden, daarin verbetering kon worden verwacht.

Het hielp niet. De zaak werd van kwaad tot erger. Niet meer het hospitaalschandaal stond centraal, maar de persoon van de dokter. In februari 1901 schreef het Soerabaijasch handelsblad een harde beoordeling van deze gang van zaken:

“Wel kan men den man, die dit durft ondernemen, niet wettelijk straffen, maar men maakt hem af op geniepige wijze in den conduite-staat. Zoo is het dr. Eilerts de Haan gegaan, zoo zal het ieder officier en ambtenaar gaan die in Indië misstanden aan het licht durft te brengen en den moed heeft dit openlijk, zonder masker voor, te doen. Totdat eindelijk iedereen zwijgt. Dan is het ideaal van het koloniaal gouvernement bereikt.”

En de dokter? Hij besloot zijn tijd als militair arts uit te zitten, met het oog op zijn pensioen. Erna publiceerde hij zijn autobiografie: Zonderlingschap. Het laatste woord was voor hem.

Blijf op de hoogte

Wanneer er een nieuw artikel verschijnt, mail ik een berichtje aan degenen die zich hebben ingeschreven. Dan hoeft u niet te zoeken. Inschrijven kan door op het plaatje te klikken. Dan krijgt u meteen een ebook cadeau: Drie tips om herinneringen door te geven.

De moord werd opgelost dankzij een schaartje

Op donderdag 22 oktober 1936 bekende Djasimin de moord op een jonge vrouw, preciezer gezegd, hij bekende de lustmoord. Binnen een week was hij gepakt. De fatale aanwijzing had de stadspolitie van Soerabaia gevonden in een schaartje.

Arrestatie

Goed werk van de stadspolitie om binnen een enkele week een dader op te sporen en te arresteren. Misschien was men extra gemotiveerd door de maatschappelijke druk die er na de moord was ontstaan. Een mengeling van verontwaardiging en kassian (mededogen) heerste en dat had te maken met de tragische situatie van het slachtoffer, “echtgenote van een Inheemsch beambte van het gouverneurskantoor”, zoals het Soerabaijasch Handelsblad haar op 14 oktober discreet omschreef. Die discretie werd gecompenseerd door een zekere rijkdom aan details:

Hedenochtend tusschen 7.30 en 8.15 is in één der gemeentewoningen aan Tambaksarie een misdrijf geschied, waarvan de echtgenote van een Inheemsch beambte van het gouverneurskantoor het slachtoffer is geworden.
Toen n.l. omstreeks kwart over acht de baboe van de passer terugkwam, vond zij haar meesteres dood op het bed liggen met om haar hals een strop, samengesteld uit een das en enkele electrische snoeren.

Men dacht aan zelfmoord. Maar een deskundige patholoog-anatoom wist het zeker: móórd. Voor de dader bestonden aanwijzingen:

Gisteravond is n.l. ten huize van de vermoorde vrouw een werklooze inlander uit het Bodjonegorosche gekomen; uit medelijden werd hem door haar echtgenoot onderdak voor den nacht aangeboden. Hedenochtend 7.15, toen de echtgenoot naar zijn werk ging, was deze Inlander nog aanwezig, en ook om 7.30, toen de baboe naar de passer ging, was hij er nog. Bij terugkomst van de baboe bleek hij echter verdwenen te zijn, en lag de vrouw dood op bed.

Dus na half acht… en dan de gastvrijheid, die zo beloond werd. En die arme baboe, niets vermoedend thuis komend om dit te moeten zien. Het was meer dan afschuwelijk.

Drie dagen later gonsde het rond: een lustmoord, dat was het geweest. Het Soerabaijasch Handelsblad gebruikte het woord en wist ook: “omtrent de identiteit van den dader [bestaat] vrij groote zekerheid”.

Braaf

Natuurlijk raakte dit de lezers van de krant. Gastvrijheid stond hoog aangeschreven, dus hier werd iets kostbaars met de voeten getreden. Daar kwam evenwel nog iets anders bij. De echtgenoot – die de dader dus in zijn eigen woning had uitgenodigd – werkte bij het gouverneurskantoor, met andere woorden: hij was een respectabel en naar alle waarschijnlijkheid hardwerkend ambtenaar, in dienst van de koloniale overheid. Een braaf man, die zijn goede inborst op wrede wijze beloond zag. Hopelijk is hij niet aanwezig geweest bij het proces van de dader.

Proces

Het was de Indische Courant van 22 oktober 1936 die meer informatie verschafte dan menigeen wenste, hoe nieuwsgierig ook. Naam en toenaam van de dader werd unverfroren gepubliceerd. De moordenaar heette Djasimin. Hij had eerder spullen van zijn neef Satim gestolen. Deze werd verhoord en vertelde nog veel meer waardoor de moord een onwrikbaar feit werd, zelfs met voorbedachten rade:

Twee dagen voor den moord zwierf hij om de woning van den klerk rond, omdat hij gehoord had, dat deze in het bezit zou zijn van juweelen. Daarna speelde hij de rol van hulpbehoevende, als hoedanig hem nachtverblijf werd verleend.
Den volgenden dag wachtte de moordenaar op het uur, dat de klerk naar zijn kantoor was gegaan en de meid haar inkoopen op den passer zou doen. Zoo cynisch bleef de moordenaar bij alles, dat hij met het plan rondloopend om de vrouw te vermoorden, nog met haar sprak, terwijl hij twee stukken koperdraad in zijn hand had, waarmede hij de vrouw later zou worgen. Hij heeft gewacht, totdat de vrouw zich naar de kamer had begeven, alvorens hij zijn afschuwelijke daad volbracht. Daarna heeft de dader zich meester gemaakt van eenige kostbaarheden, zooals een halsketting, een trouwring, een zilveren horloge, dat op een tafeltje lag, eenig geld dat in een onafgesloten kast lag opgeborgen en een schaartje.

Dit schaartje zou zijn noodlot worden, want het werd op den moordenaar aangetroffen, toen de politie in zijn desa huiszoeking kwam doen. De andere gestolen voorwerpen had de moordenaar verkocht.

Ja, dat schaartje, dat bracht gelukkig nog gerechtigheid. De krant meldde ook dat er op het lichaam van het slachtoffer een medisch onderzoek was uitgevoerd, waardoor het vermoeden van de lustmoord nu een feit was. Kassian, kassian, die arme vrouw.

Kies

Wat in deze moordzaak opviel, was de nadruk die op de harteloosheid van de dader, zonder veel aandacht voor het slachtoffer en haar echtgenoot. In vergelijkbare situaties werden tijdens de processen nogal eens getuigen opgeroepen die uitvoerig vertelden hoe erg en hoe vreselijk alles was wat ze gezien dan wel gehoord hadden. Hier zweeg zelfs de baboe, die toch haar werkgeefster had aangetroffen. Daarmee troffen de kranten een merkwaardig kiese toon. Naar het hoe en wat van de lustmoord moesten de lezers maar raden. Dat de gastvrijheid zo ernstig geschonden kon worden, dat was waarschijnlijk al erg genoeg.

(Dit artikel verscheen eerder op Historiek.nl)

Wanneer er een nieuw artikel verschijnt, mail ik een berichtje aan degenen die zich hebben ingeschreven. Dan hoeft u niet te zoeken. Inschrijven kan door op het plaatje te klikken. Dan krijgt u meteen een ebook cadeau: Drie tips om herinneringen door te geven.

“In de papaya’s zat dynamiet”

Bert Emmen is 93 jaar en in het bezit van een aanzienlijk dossier. Dat gaat over de gebeurtenissen van vroeger in Indië. Hij is veteraan, oud-KNILman en vooral is van belang dat hij nog altijd de gevolgen ervaart van zijn verzetsactiviteiten. De erkenning ervan blijft uit maar, zegt Bert: “Daarvoor vecht ik door tot aan mijn dood.” Wat gebeurde er destijds?

Beroeps

“Mijn vader was beroepsmilitair bij het KNIL,” begint Bert zijn verhaal. “Hij was sergeant bij de infanterie. Het was toen zo geregeld dat er veel overplaatsingen waren, je was hooguit één jaar op één plaats. Mijn vader is begonnen in Djokja, daarna kwam hij in Magalang, toen in Malang, Bandoeng, Batavia en daarna in Tjimahi. Ik ben in Batavia geboren, mijn vier zusters en mijn andere broer weer in een andere plaats.”
“Direct na de capitulatie werd mijn vader krijgsgevangen genomen, we wisten niet waar hij was. Wij gingen naar het evacuatiekamp Pakato (Makassar), dat was opgericht voor KNIL-gezinnen. Ik was toen 14 jaar. Omdat ik thuis de oudste zoon was, moest ik zorgen voor wat er nodig was. Mijn moeder zei wat ik moest doen, bijvoorbeeld groente verkopen. En dat deed ik. Ja, natuurlijk. Je moet helpen.”
“In 1942 werden alle lui die in het verzet zaten door de Japanner geliquideerd. Dus er waren nieuwe mensen nodig. Onze kopstukken waren naar Australië gegaan en organiseerden van daaruit verzetsacties. In het kamp vroeg de kapitein-arts of ik bereid was koeriersdiensten te doen. Daarmee verdiende ik ook weer wat geld dus dat deed ik. Toen was ik 15. Er werd gevraagd of ik naar de haven twee grote jonge papaya’s kon brengen. Er zat natuurlijk iets in, maar dat het dynamietstaven waren, wist ik later pas. Ze waren van plan de haven op te blazen. Ik moest de papaya’s daar achter een container zetten, dan zou een vriend ze ophalen, hoorde ik.
Toen ik er was, was er niemand. Wel lagen er twee oorlogsschepen. En daar ontmoette ik een Japanner die ik kende van voor de oorlog. Hij had in Batavia-centrum een warenhuis, dat was Toko Okamura. Ik kende hem van voor de oorlog, want we woonden in de buurt van zijn winkel. In vredestijd was hij een goede Jap. En toen ik hem ontmoette was hij ook heel goed tegen mij. Want toen hij aan boord ging en ik mee liep over de plank, riep hij: “Als de donder terug.”
“Net voordat ik op de fiets stapte, hoorde ik het geronk van bommenwerpers die de zaak bombardeerden. Ik was op tijd weg maar raakte wel gewond aan mijn rechtervoet.”
“Terug in het kamp zei de dokter: ‘Je had nooit met die Jap moeten praten, daar komen problemen van. De week erna ben ik met mijn moeder opgepakt door de Kenpetai.”

Dat is het verhaal en toch ook weer niet. Bert vertelt niet over de mishandelingen die volgden en hoe die sporen achter hebben gelaten. Hij vertelt evenmin over hoe het is, om als jonge jongen te weten dat ze je moeder pijn doen. En over hoe je dan verder moet, als ze je laten gaan.

Tekenen

In 1946 is Bert 18 jaar. Op Makassar is het niet veilig, dus als de arts zegt dat Bert als burger geen maar als militair wel een wapen mag dragen, is de keuze snel gemaakt. Hij tekent voor het KNIL. Ook omdat zijn vader nog steeds weg is. En achttien jaar zijn in die situatie, dan ben je zowat volwassen. De oorlog duurt voort in de acties van kapitein Westerling. “Toen het rustig was, ben ik met ontslag naar Nederland gegaan voor studie. Na Westerling was het daar rustig.” In Berts dossier ligt een verklaring die dat bevestigt: ‘Redenen van zijn ontslag was i.v.m. zijn toekomstig vertrek naar Europa voor eene voortzetting zijner studies aldaar.’
Of hij ooit bang was? Nooit, want legt Bert uit: “Ik maak me nooit druk. Als het gebeurt, dan gebeurt het. Als het je tijd is, dan is het zo.”
Het verhaal gaat verder. De studie in Nederland gaat niet zo goed. Wat gebeurt: “Ik werd als dienstplichtige door Nederland terug geroepen naar Indië, voor de tweede politionele acties. Mijn moeder kreeg een bericht dat ik me in Tjimahi moest melden, maar toen zat ik er al. Over deze fase praten we niet, want het gaat nu om iets anders. Die erkenning. Dus we hebben het ook niet over de tijd in Nieuw-Guinea en zijn latere vestiging in Nederland.

Erkenning

In 2016 vroeg Bert erkenning aan van zijn verzetsverleden en de wonden die het sloeg. De wet buitengewoon pensioen Indisch verzet was er immers. Pelita verrichtte onderzoek, bracht een rapport uit en de erkenning werd afgewezen.
De afwijzing voelde als ontkenning.
Nou, dan moet je net Bert hebben. Hij ging in beroep. Ook dat werd in 2018 afgewezen. In het dossier is een document waarin Pelita onder andere schrijft: ‘“dat de naam van de aanvrager niet naar voren komt uit de in het kader van het onderzoek bestudeerde literatuur en archieven”. In het handschrift van Bert staat erbij: welke, geef dan bewijs.
Pelita: “dat de benaderde getuige eveneens geen bevestiging uit eigen waarneming heeft kunnen geven voor de door de aanvrager naar voren gebrachte activiteiten.” Bert: welke persoon.
En eind november 2020 werd er weer een beroep afgewezen. Als Bert daarover vertelt, praat hij drie keer zo snel van woede. Alsof er bij verzet altijd getuigen zijn. Die Hollandse bureaucratie. En hij zegt: “Denken ze dat wij achterlijk zijn? Ik ben en ik blijf strijdbaar. Ze hebben de verkeerde mensen benaderd. Maar zij zijn ambtenaren en beëdigd, dus de rechter gelooft wat ze zeggen. Ik krijg net van onze veteranenvereniging een brief dat we 900 leden hebben, ik wil ze vragen in mijn zaak te getuigen. Dan dien ik een aanklacht in wegens valsheid in geschrifte en
machtsmisbruik. Ik ga hiermee door tot mijn dood.”

Bond

Er is nog een piepklein momentje over waarin ik vraag of hij als VOMI-man nu ook lid wordt van de Bond van Wapenbroeders. Bert: “Daar ben ik al lid van vanaf dat ik in Nederland ben: dus 1962 . Ik ben altijd al lid geweest, alleen was ik een tijdje weg toen mijn vrouw ziek was. Het is belangrijk wat ze over vroeger schrijven, over de Japanse bezetting en de Bersiap.” En dan zitten we middenin de oorlog, die diep in mensen zit.

(Dit interview verscheen begin 2021 in het blad van de Bond van Wapenbroeders)

Wanneer er een nieuw artikel verschijnt, mail ik een berichtje aan degenen die zich hebben ingeschreven. Dan hoeft u niet te zoeken. Inschrijven kan door op het plaatje te klikken. Dan krijgt u meteen een ebook cadeau: Drie tips om herinneringen door te geven.