Indische schrijfschool

Van Heutsz, de man en de mythe (kennislezing)

Van Heutsz was voor mij iemand waar ik mijn oordeel klaar over had. Hij was een houwdegen, een botte militair, vooral een gewelddadige man.

Ja, een oordeel klaar hebben is gemakkelijk. Vooral over de oude Indische tijd, die ingewikkeld is en vol tegenspraak en juist daardoor boeiend. Dat weet u zelf, wanneer er generaties van uw familie in Indië leefden. Hoe krijgt u greep op die complexe geschiedenis terwijl u uw familie recht doet?
Kennis. Begrip. Dat helpt.
Ik heb het zelf ervaren met Van Heutsz.

De tijd van toen

Mijn oordeel over de man veranderde toen ik aan een tafeltje in het Nationaal Archief zat, met in mijn handen de brieven die Van Heutsz zelf had geschreven. Al lezend leerde ik hem beter kennen. Een man met humor. Wars van autoriteit. Door en door koloniaal militair, hij twijfelde niet aan zichzelf of zijn methode van geweld. Vastberaden om Indië te moderniseren, ook al ging hij daarmee in tegen de wensen van de conservatieve politiek.
Na die brieven besloot ik zijn levensverhaal te schrijven. De biografie haalde een derde druk. Wie was die man, hoe was dat tijdperk Van Heutsz, van 1898 toen hij gouverneur van Atjeh werd tot in 1909, toen hij als gouverneur-generaal Indië verliet?

  • een zoon uit een moeilijk gezin, zijn vader was alcoholist
  • een uitstekend opgeleide officier die een bloeiende carrière maakte
  • een man met vele vijanden onder de ambtenaren en de behoudende koloniale politici

En die standbeelden, vraagt u nu.
Daar had hij niets mee van doen. Hij had een afkeer van dergelijk vertoon. Die standbeelden zijn opgericht na zijn dood, toen de Nederlandse regering er opportunistisch kansen in zag. Dat geldt ook voor die enorm groot aangepakte herbegrafenis in 1927, drie jaar na zijn dood.

Begrip

Wie Van Heutsz beter begrijpt, begrijpt de tijd van toen beter.
Dat heb ik geleerd: door de ogen van iemand naar het verleden kijken, brengt inzichten. Het verleden komt dichterbij. Beter in beeld.

Kennislezing

Daarom geef ik een online kennislezing over Van Heutsz, met de man in de tijd van toen. Over waarom hij als jonge militair voor de Oost koos, de ontwikkelingen die hij doormaakte, de problemen van het KNIL, en zijn periode als gouverneur-generaal.
Wanneer hij GG is, ontstaan heel wat confrontaties met het gezag. Zijn militaire aanpak botst met Den Haag. Wanneer Van Heutsz een inheemse man aanstelt bij het Binnenlands Bestuur, wordt hij teruggefloten. De pers valt ook over hem heen. Met zo’n rel krijgen we goed zicht op wat de situatie in Indië toen was. In mijn kennislezing ga ik hier verder op in, en ik leg uit waarom juist deze benoeming zo’n rel werd.

Vader

Een machtige man is hij als GG, zeker. Maar als vader moet hij zich regelmatig krachteloos hebben gevoeld. Misschien hoort dat bij het ouderschap. Bij Van Heutsz is het een scherp contrast: hij kan de kolonie besturen maar als een zoon in Nederland problemen maakt, lukt hem nauwelijks greep op het kind te krijgen.
Dat weet ik door andere brieven van zijn hand. Die komen ook aan de orde. Het laat een menselijke kant van hem zien, die bijdraagt aan het begrijpen van de man zelf, de persoon die schuil gaat achter de mythe.

Waar gaat de lezing over

J.B. van Heutsz, 1851-1924: de man en de mythe

  • waarom hij als jonge militair evenals vele anderen uit Nederland naar Atjeh wilde
  • het Indië van zijn tijd
  • de inrichting van het Oost-Indische Leger (KNIL) en de kansen die er waren (en voor wie niet)
  • hoe hij als ruziemaker toch carrière maakte (hoe werd je officier?)
  • Atjeh, 1898-1904: vrienden en vijanden, expedities en de ‘Korte Verklaring’
  • de interessantste ruzies en conflicten
  • gouverneur-generaal: greep willen houden op Indië door moderniseringen
  • Van Heutsz als vader
  • na Indië: de beroemde Nederlander die onder meer lezingen over Kartini geeft
  • zijn eenzame dood in Zwitserland (waar een Indische enclave was)
  • hoe de Nederlandse regering met zijn nagedachtenis aan de haal ging en waarom

Voor wie is het

  • U heeft familie in die tijd en u wilt Indië beter leren begrijpen
  • In uw stamboom staan militaire voorvaders die misschien wel onder Van Heutsz gediend hebben
  • U denkt net als ik destijds wie is die man

Voor wie is het niet
– Als u de naam Van Heutsz hoort, krijgt u een rood waas voor ogen
– Als u vindt ja-maar je kunt het allemaal niet in de tijd van toen zien

Uit een brief
Van Heutsz: ‘Ik kreeg een standje van het legerbestuur over mijne te groote zelfstandigheid en nu moet ik voortaan altijd vooruit voorstellen doen als ik in de onderhoorigheden ergens wil optreden. Ik zal het doen. Waar het kan, ter wille van de goede verstandhouding, maar altijd is het niet mogelijk.’
Het klinkt als: ik doe het alleen als ik eraan denk, en eraan denken zal ik niet.
Twee regels verderop schrijft hij: ‘Enfin, een klein standje is een groot gemak, zegt een oud Hollandsch spreekwoord.’

Praktisch

Van Heutsz, de man en de mythe
Gratis online kennislezing
Wanneer: maandag 11 mei om 0930 uur VOL
nieuw: avondlezing maandag 11 mei om 1930 uur
Kosten: nul, want gratis
Tijdsduur: uur
Hoe opgeven:

Via formulier:

Ik ben graag bij deze kennis-lezing

"*" geeft vereiste velden aan

Naam*

Family First: schrijf in 12 maanden uw familieverhaal (gratis online workshop)

Family First: schrijf in 12 maanden uw familieverhaal (gratis online workshop)

Stop met eindeloos boeken lezen en websites doorspitten.
Hou op met uitstellen of erover nadenken.
Maak een plan.
Red uzelf.
Echt.

Maak een plan

In de workshop Family First krijgt u alle informatie om te weten wat u de komende 12 maanden moet doen om uw familieverhaal erna in handen te kunnen houden en aan de familie te kunnen geven.
Alleen met een plan komt het er ook van. Anders duurt het twintig jaar. Of het is een leuk idee maar verder niks. Of u blijft hangen in niet weten wat u moet doen om het voor elkaar te krijgen.

De noodzaak van een plan komt voort uit eigen ervaring. Want voordat ik aan elk boek begin, maak ik eerst een plan. Dat is het begin van alles. In mijn plan staat wat ik op dat moment weet. Het is dus onvolmaakt. Maar wel een begin, waarmee ik verder kan.
Dat gun ik u ook.
Vooral als het familieverhaal dat u wilt bewaren uw eerste boek is. Want zo’n voornemen kan heel onzeker maken over structuur, over het verwerken van historische informatie, over gaten in uw verhaal en over wat u wel of niet kunt zeggen over familieleden. Daarbij is het altijd een zorg waar u betrouwbare kennis kunt vinden waar u wat aan heeft.
Onzekerheid is er om verholpen te worden. Dat gebeurt als u nieuwe informatie heeft uit de praktijk, en die praktijk heb ik. Inmiddels schreef ik heel wat boeken over het oude Indië waarbij ik alle problemen moest oplossen waar u nu voor staat.
Daarom is er die workshop er ook dus. Om mijn kennis te delen. Dan werkt u gemakkelijker en met meer zelfvertrouwen.

Problemen genoeg

Het maakt voor de workshop niet uit of u over drie of vijf of meer generaties schtijft, of welke kinderen er daar en hier geboren zijn. Elke familie is bijzonder op een eigen manier, maar wat ze met elkaar gemeen hebben is dit: het is ingewikkeld. Dat weet u zelf inmiddels ook.

Zo veel informatie
Zo veel gaten in het verhaal
Zo veel flarden

Hoe maakt u daar nou een mooi geheel van?
Hoe komt u aan de rust in uw hoofd om te beginnen?
En hoe begint u dan?

Een familieverhaal schrijven gaat niet vanzelf. Evenmin met een ‘vertel eens’- boekje uit de winkel.
Want u hebt verschillende generaties, die elk weer in een andere tijd leefden en dat heeft consequenties. En dan al die familieverhalen nog… die soms tegenstrijdig zijn, en dan weer gevoelige geheimen bevatten. Dat maakt het spannender en moeilijker tegelijkertijd. Ik werk nu zelf aan een familiekroniek van zes generaties, en soms voel ik me overweldigd. Maar ik akker door.

Wat heeft u aan de workshop

In deze workshop zet ik de aanpak uiteen waarmee u uw verhaal op papier krijgt. U krijgt praktische informatie aan de hand van voorbeeldboeken. Die hoeft u niet zelf gelezen te hebben. De workshop is toegankelijk en gemakkelijk te volgen. En erna:

  • U heeft overzicht en u weet hoe dat te houden
  • U weet hoe het moet met de historische context
  • U kunt beslissen welke informatie betrouwbaar is
  • U weet hoe te beginnen
  • U begrijpt wat familiethema’s zijn en hoe ze toe te passen

En vooral : u voelt de opluchting dat het schrijven helemaal geen jaren hoeft te duren. 12 maanden is lang en kort genoeg. Dat is te doen.

Met deze kennis kunt u beslissen wat voor uw verhaal het beste werkt. Dat geeft innerlijke rust. En dat geeft weer energie, dat fijne gevoel van weten ‘ik kan dit’.

Voor wie is het

  • U wilt uw familieverhaal nu eindelijk vastleggen, voor uzelf en de familie
  • U bent nog niet begonnen
  • U bent al honderd keer vastgelopen en eerlijk u voelt soms wanhoop
  • U denkt nu of nooit, ik heb het eeuwige leven niet, die 12 maanden lijken me wel wat

Voor wie is het niet

  • Als u alleen een bestseller wilt schrijven, want in de workshop is de familie belangrijker dan bestselleritis
  • U denkt 12 maanden of 20 jaar wat maakt het uit
  • U wilt een verhaal schrijven inclusief de hele VOC en u heeft nog niks gedaan aan onderzoek (alleen opgeven als u dat jaar verder niks te doen heeft en jonge familieleden wilt inzetten als assistent, kleine vingertjes kunnen immers snel typen)

Praktisch
Family First: het 12 maanden-plan waarmee uw familieverhaal in 12 maanden op papier staat.

Wanneer: maandag 13 april 2026
Hoe laat: 0930 uur
Kosten: gratis
Waar: online

Opgeven via formulier
(het komt in mijn mailbus en dan mail ik u terug)

Ja, ik doe graag mee met deze workshop

"*" geeft vereiste velden aan

Naam*

Over de Indische kruidengeneeskundige mevrouw J.M.C. Kloppenburg-Versteegh (1862-1948)

Bodjongweg 80, Semarang.

De kruidengeneeskundige mevrouw Kloppenburg was een legende. Is een legende. Men zegt daarom altijd ‘mevrouw’, uit respect voor haar leven en kennis en kunde, ook uit respect voor al die generaties die dankzij haar boeken min of meer gezond wist te blijven.

Over deze bijzondere vrouw schreef ik destijds ‘Kijk in Kloppenburg!’- de titel naar de uitdrukking van toen. Vreemde uitslag, koorts, ongemak, aandoeningen of andere vragen en wat dan te doen? Inderdaad. In deze boeken kijken.

Ursulinen

Mevrouw Kloppenburg-Versteegh werd in 1862 geboren als Jans Versteegh op ‘Soekamangli’, een grote koffie-onderneming in het district Weliri (Midden-Java). Toen ze 7 jaar was, werd ze evenals haar zusje Lucy naar de kostschool van de Zusters Ursulinen op Batavia gestuurd. Van hen ontving ze een zogenoemde beschaafde opvoeding, die vooral op Europa gericht was.
De Ursulinen vormden rolmodellen van intelligente vrouwen die hun roeping volgden, die gelukkig waren zonder aarde bruidegom en die gebruik konden maken van de kloosterbibliotheek. Generaties jonge meisjes zagen hier dat je als vrouw ook een andere weg kon gaan dan trouwen en kinderen krijgen. Het moet ook de meisjes Kloppenburg een eye opener zijn geweest.
Voordat u het zegt: ja, ik weet dat er ook zusters waren die niet lief konden of wilden zijn. Die verhalen zijn me bekend.

Noodlot

In 1874 raakten de ouders van Jans in financiële problemen. Haar vader Carel Versteegh, die eens vanwege zijn rijkdom de ‘koffiekoning van Java’ was genoemd, kon zijn leningen niet meer aflossen. Tevergeefs had hij op een goede koffie-oogst gerekend. Nu moest een aantal van zijn ondernemingen verkocht worden. Er diende ernstig bezuinigd worden. Dure kostscholen waren er niet meer bij. Jans moest thuis komen en haar moeder helpen. Zij, Albertina van Spreeuwenburg, genas met behulp van geneeskrachtige planten en kruiden de zieken op en rond de onderneming.
Aan moeders zijde leerde Jans over de geneeskracht van planten, kruiden, wortels en dergelijke en over de omgang met zieken. Deze praktijkopleiding duurde tot zij in 1883 met Herman Kloppenburg trouwde. Nu was zij echtgenote en moeder van een groeiend kindertal.

In 1899 sloeg het noodlot toe. Haar oudste dochter Tina overleed door een verkeerde diagnose en behandeling van een westerse arts. Om haar verdriet te verwerken, stortte mevrouw Kloppenburg zich op de studie van Indische kruiden. Die resulteerde in het boek Indische planten en haar geneeskracht (1907). Een bescheiden uitgave, die in de loop der jaren vermeerderd werd. De oer-versie in het handschrift  van mevrouw zelf is verloren gegaan.

Naam en faam

Inmiddels was het op Java bekend geworden dat mevrouw Kloppenburg patiënten ontving en waar nodig bezocht. Haar echtgenoot Herman maakte carrière in het bankwezen. Hij wilde de enige kostwinner zijn en verbood zijn vrouw geld te verdienen met haar kennis. Die groeide. Haar kleinzoon Fred vertelde er later over:

  • Er groeide van alles in ’t wild en Oma scheen alles te kennen. Kijk, kinderen, deze mooie witte bloem is Belladonna.
  • Wees er erg voorzichtig mee. Vrouwen gebruiken dit om mooie ogen te krijgen.
  • De pupillen gaan hiermee helemaal open, maar dat is niet goed voor je ogen. Dus niet aanraken en dan je ogen wrijven. Wat is dit dan, Oma? En dan nam ze een blaadje of besje van zo’n struik, kneusde het en rook er aan. Dit is heel vergiftig, zei ze dan.
  • Wij probeerden dat stiekem ook te bepalen, maar hadden geen idee hoe iets vergiftigs ruikt.
  • Gedurende die wandelingen praatte Oma vaak met de oudere Javanen. Ze vroeg hoe het met de bevolking ging, of er gezondheidsproblemen waren, wat ze er tegen deden. Vaak gaf ze die mensen raad, liet hun zien welke kruiden (voor ons gewoon onkruid) er goed voor waren en hoe ze dat moesten bereiden.

Mevrouw Kloppenburg wilde graag andere vrouwen de weg wijzen om hun plaats in de maatschappij te vinden. Op basis van haar eigen ervaring en geïnspireerd door haar katholieke levensovertuiging schreef zij een handboek, getiteld Het leven van de Europeesche vrouw in Indië (1913).

Gezag

Na Hermans pensionering (circa 1914), ging het gezin Kloppenburg eerst in Nederland en daarna in België wonen. Ook hier bleef mevrouw Kloppenburg kruiden kweken en onderzoeken. Altijd werd zij gesteund door haar dochter Troel, die haar verzorgde en nu het huishouden bestuurde. Ongetwijfeld was Troel haar moeder tot hulp toen deze haar derde boek Eene nabetrachting (1940) schreef, waarin zij nogmaals het nut van geneeskrachtige kruiden benadrukte tegenover de critici die haar van kwakzalverij hadden beticht. Die waren veelal afkomstig uit de westerse medische stand; mannen die zich aangetast voelden in hun status. Het ging hier niet zozeer om het gebruik van deze kruiden, maar om het feit dat een vrouw zonder een westerse medische opleiding, en dan een Indische vrouw, werd beschouwd als een autoriteit.
Bij de koloniale weerstand kan ik me wel wat voorstellen.
Want waar het gezag van mevrouw Kloppenburg groeide, nam dat van de westerse mannelijke arts af. Eenvoudig omdat er alternatieven waren, en goede ook.

Ketjoeboeng

Een mooie voorbeeld is het gebruik van plantje nummer 13 uit de platenatlas die bij het receptenboek hoort. Het heet: ketjoeboeng.
In het ‘botanische gedeelte’ van het receptenboek staat een halve bladzijde informatie over de lelijke kanten van dit mooie plantje. Mevrouw Kloppenburg zegt dat de witte bloemen het giftigste zijn. En:

  • De rook van gedroogde bloemen of zaden werkt verdoovend.
  • Door dezen rook bijvoorbeeld met behulp van een bamboe kokertje in gesloten kamers te blazen, treedt bij hen, die zich daarin bevinden, een bedwelming op, die een vasten slaap tengevolge heeft.
  • Naar het heet, wordt dit middel wel toegepast door dieven om het operatieterrein veiliger te maken.

Het tegengif:

  • Bij ketjoeboeng vergiftiging moet men alle moeite doen, om den patiënt wakker te houden.
  • Het beste tegengif is heel sterke koffie en toevoer van verse lucht.

Ja, dan moet je wel weten waarmee je vergiftigt bent. Lig je buiten westen, dan denk je niet aan koffie. Er is ook een mooie kant aan dit plantje, de geneeskrachtige werking:

  • Verschillende soorten gezwellen verdwijnen door het gebruik van ketjoeboeng bladeren.
  • Men maakt ze warm met wat olie en legt ze er gekneusd op.
  • Ze verlichten de pijn.

Ik vat even samen.
Uitwendig: goed tegen zwellingen.
Inwendig: voor vergiftiging of bedwelming.

Zo staat er meer in het kruidenboek. Eigenlijk is het een spiegel van ziek en gezond in de oude Indische tijd. Toen ik passages over Indische spruw las, besefte ik nog nooit iemand daarover gehoord te hebben. En ik hou van geklaag over aandoeningen.

Terug naar Indië

In 1937 keerden mevrouw Kloppenburg en Troel terug naar hun geboorteland, om het met het oog op mevrouws leeftijd nog een keer te kunnen zien. Een afscheid.
Dat liep anders.
De aanvankelijke veiligheid bleek schijn. Tijdens de Japanse bezetting werden mevrouw Kloppenburg en de haren niet geïnterneerd. Wel leden de familiebezittingen veel schade. De Indonesische revolutie bracht de Kloppenburgs in een moeilijke positie. Interneringen volgden. In deze periode werd mevrouw Kloppenburg ernstig ziek. Haar oudste dochter Troel gaf alle zorg en liefde aan haar moeder. Zij regelde warme bedkruiken, gaf massages met genezende oliën en joeg op een pakje petunia-zaadjes om onder het venster uit te zaaien. schreef ze allengs droeviger brieven. In februari: “zooals Ma nu is, als ze geen pijn heeft zal ze zeker nog een tijd blijven leven.” En in juni: “Ik hoop zoo dat Ma jelui nog terug mag zien!”
Er was evenwel geen genezing te vinden; in 1948 stierf mevrouw Kloppenburg in een westers ziekenhuis te Malang.

Aan ons heeft ze haar boeken nagelaten. De oude boeken zijn het waardevolste, die zijn van en volgens haar. Het is altijd de kunst om een combinatie te vinden van de platenatlas en het receptenboek uit dezelfde editie. Maar dan heeft u ook iets.
Voordat u op zoek gaat, moet ik wel een leeswaarschuwing geven. Het is niet voor beginners, en veel van wat destijds bekend was, is hier in Nederland niet verkrijgbaar.
Ik hoop nog altijd dat er iemand is met veel kennis van ziekten en geneeskracht uit de natuur, die dit boek kan wegen en duiden. Maar misschien is dat al gebeurd, door al die mensen die het gebruikten.

Praat met mij
Als u over familie in de oude Indische tijd schrijft, dan heeft u structuur nodig en kennis van de historie. Zo wordt uw verhaal beter en interessanter om te lezen. Werkt u aan zo’n verhaal? Praat dan met mij:

  • voor vrijblijvend advies over historische bronnen, zodat u betrouwbare informatie vindt
  • over de opzet van uw project, zodat u structuur heeft, dat scheelt enorm veel tijd en hoofdpijn
    lees hoe het gratis overleg-gesprek gaat en maak eventueel een afspraak voor telefonisch overleg via mijn digitale kalender: klik hier en kijk hoe dat gaat.

Wanneer er een nieuw artikel verschijnt, mail ik een berichtje aan degenen die zich hebben ingeschreven. Dan hoeft u niet te zoeken. Inschrijven kan door op het plaatje te klikken. Dan krijgt u meteen een ebook cadeau: Hoe begin ik? 5 gouden tips waarmee het altijd lukt

gratis ebook

Waarom dit koloniale schilderij het volle licht verdient

Q.M.R. Verhuell: strijd op het eiland Honimoa (1816) (Collectie Gelderland). Dit is niet het bewuste schilderij, zoals ik in het artikel uitleg.

Wat het koloniale verleden betreft, is er altijd wel iets te vinden waardoor je je gekwetst of beledigd kunt voelen, ongeacht hoe ver terug je daarvoor moet gaan. Deze week kwam ik op het voormalige Twitter een melding daarover tegen. De Telegraaf berichtte dat er in Arnhem een schilderij achter een gordijntje hing.
Om kwetsingen te voorkomen.
Het ging om ‘Nederlanders in gevecht met Ambonezen’, door Quirijn Maurits Rudolph Ver Huell, uit 1817.
Ja, dat is even geleden. Maar ik kon me toch heel goed voorstellen dat juist dit schilderij hevige aanstoot zou kunnen geven, misschien zelfs wel de aanleiding kon zijn voor een nieuwe beeldenstorm, of erger.
Want het geval wil, dat ik wat meer weet over de achtergrond ervan. Toen ik destijds onderzoek verrichtte voor Een eervol bestaan (2022), waarin ik aan de hand van fragmenten de geschiedenis van het KNIL vertelde, had ik erover gelezen.

Nu komt: eerst de achtergrond
Daarna: wie recht en reden heeft gekwetst te raken

Schilderij

De beschrijving van het schilderij is als volgt: ‘Gevecht in het water voor de kust met palmbomen, op voorgrond man met degen tussen de tanden en pistool in de rechterhand en vlag in de linkerhand. Molukken – Nederlanders in gevecht met Ambonezen. Adelborst ’t Hooft redt de vlag in een gevecht op het eiland Honimoa tussen Nederlanders en Ambonezen, 20 mei 1817.’
Google het, en u ziet het. Want wegens beeldrechten kan ik het niet laten zien.

Wat ging hieraan vooraf?

Het is 1817, en er ontbrandt een meerdaagse oorlog in de Molukken. De bevolking verzet zich tegen het handelen van de nieuwe resident van Saparoera Van den Bergh. Terecht, is mijn indruk. Hij voerde te snel belastingen in, die te zwaar drukten, had geen greep op zijn eigen ambtenaren en vernederde bovendien een aanzienlijke inwoner in het openbaar. Heerszuchtig gedrag dat het ergste voor de toekomst deed vermoeden. Deze situatie, met de bestaande weerstand tegen de Nederlanders, moest wel escaleren.
Op 17 mei is er een uitbarsting van volkswoede. De resident wordt doodgeschoten, wel nadat er een kort gebed is uitgesproken. Dat wijst toch op een vonnis.

Maar een opstand tegen het gezag, en de moord op Van den Berg, moesten gewroken worden, ook om een eventuele uitbreiding van deze geslaagde opstand te voorkomen. Hard optreden vond de koloniale overheid de enige optie.
In de Militaire Spectator (1836) staat in het artikel ‘Eene bladzijde voor de vaderlandsche historie’ wat er gebeurde, met veel melodramatische details. Ik maak er een lijstje van.

  • het verzet groeit, ook op Ambon
  •  militair ingrijpen ‘op hooger last’ geboden
  • een expeditie wordt uitgezonden, onder leiding van de majoor der genie G.J. Beetjes. De majoor is bekend met het gebied. Hij weet de expeditie te leiden naar het eiland Haroeka, waar ze na twee dagen zullen vertrekken naar Honimoa
  • Op het schilderij staat de adelborst ’t Hooft. Het is een uitbeelding van dit moment, zoals beschreven in de Militaire Spectator:

‘Den adelborst ’t Hooft zich bij zijne divisie bevindende, thans onder de bevelen van den luitenant der infanterie Verbrugge, werd de Nederlandsche vlag toebetrouwd, welke bestemd was op de wallen van het kasteel Duurstede geplant te worden, wanneer deze sterkte in onze magt zoude zijn.’

Een gewelddadige confrontatie volgt. En dan:

‘De adelborst ’t Hooft, met de vlag in de eene en het zwaard in de andere vuist, stond reeds tot aan de middel in zee, zich tegen de vijanden verdedigende. Door den vurigen wensch gedreven, om de aan hem toevertrouwde banier, Nederlands roemvolle vlag, niet in de handen des vijands te leveren, slaat hij dit voor hem heilige pand om het lichaam en stuift in de golven.

De situatie wordt dreigender, ’t Hooft moet zwemmen en hij neemt een besluit. Kleren uit. En hij ‘wikkelde de vlag om zijne beide pistolen en patroontasch, en betrouwde dit zijn heiligdom aan de golven. Het zonk in de diepte; en de edele jongeling was gerust, verzekerd dat dezelve den vijand nimmer in handen kon vallen.’

Onderhandelingen

De oorlog gaat verder.
De majoor Beetjes is gesneuveld.
Er moet onderhandeld worden, en dit ontleen ik aan een groot artikel in het Dagblad van Zuidholland en ’s Gravenhage (1890). Hier komt Thomas Matulessy in voor. Het dagblad laat hem zien als als provocerende leider van het verzet: ‘een man van rijzige gestalte en sombere gelaatstrekken, met een ontbloot breed slagzwaard in de hand’.
Hij weet hoe hij de vijand moet krenken en dat doet hij ook:

  • ‘Thans verscheen hij gekleed in eenen rooden rok, die met de hoofdofficiers-epauletten van den gesneuvelden majoor Beetjes was versierd, een lange witte broek, kousen en schoenen, een driekanten hoed met een pluim van zwarte en roode vederen op het hoofd en een lange sabel in de hand.’

Kennelijk begreep Matulessy uitstekend de gevoeligheden van het Nederlandse bewind: het uniform, symbool van het gezag. Dat droeg hij nu. Uiteraard vergrootte dat niet de onderhandelingsruimte. Het geweld aan beide zijden nam toe. Schepen werden aangevallen, prauwen in brand gestoken, het verzet hield stand. Door verraad viel Matulessy pas in november 1817 in handen van de Nederlanders.

Mal gordijntje

Nu komt het. Want u weet nog wel, dat het schilderij dus achter een gordijntje hangt. Dat helpt natuurlijk niet. Nu willen we het allemaal weten en wie kan zich gekwetst voelen?

  1. De Indische gemeenschap, wegens het gebrek aan erkenning van de gesneuvelde majoor Beetjes, hij was een Indo-Europese man, maar zul je altijd zien, hij staat er niet bij, niet op, niet naast, nergens.
  2. De Molukse gemeenschap, want hier toonde Pattimura zijn karakter en hij was bereid te sterven voor zijn overtuiging; een held, een man met een stalen rug, en dat is ook het verhaal  dat bij het schilderij hoort.
  3. Dan kunnen ook nazaten van het KNIL zich miskend voelen, want al gaat het hier om adelborsten, de indruk wordt wel weer gewekt dat het koloniale leger uit roomblanke jongens bestond en dat was niet zo. De meerderheid was multi-etnisch.
  4. Aansluitend op punt 3, kunnen ook nakomelingen van de Ambonese 2e luitenant M. Th. Pietersz zich gekwetst voelen, want hij was een van de eersten, zo niet de eerste inheemse militair die hier een Militaire Willems-Orde verdiende. Dat staat in het prachtige boek van Rogier Rijpkema en Jaap Cuperus: 1815-2015 Militaire Willems-orde. 200 jaar moed, beleid en trouw. Studiekring Ridderorden en onderscheidingen, 2016 (eerste dr. 2015, uitg. eigen beheer)
  5. En ik kan me ook wel gekwetst voelen, namens alle bezoekers van musea waaronder ook schoolkinderen vallen, over deze affaire van een mal gordijntje.

Laat ons breed kijken naar het verleden, perspectieven naast elkaar laten bestaan, licht en schaduw naast elkaar.
Het schilderij en alles eromheen verdient een tentoonstelling.
Juist hiervan, juist nu.

 

De discussie is gesloten.

 

Praat met mij
Als u over familie in de oude Indische tijd schrijft, dan heeft u structuur nodig en kennis van de historie. Zo wordt uw verhaal beter en interessanter om te lezen. Werkt u aan zo’n verhaal? Praat dan met mij:

  • voor vrijblijvend advies over historische bronnen, zodat u betrouwbare informatie vindt
  • over de opzet van uw project, zodat u structuur heeft, dat scheelt enorm veel tijd en hoofdpijn
  • lees hoe het gratis overleg-gesprek gaat en maak eventueel een afspraak voor telefonisch overleg via mijn digitale kalender: klik hier en kijk hoe dat gaat.

Wanneer er een nieuw artikel verschijnt, mail ik een berichtje aan degenen die zich hebben ingeschreven. Dan hoeft u niet te zoeken. Inschrijven kan door op het plaatje te klikken. Dan krijgt u meteen een ebook cadeau: Hoe begin ik? 5 gouden tips waarmee het altijd lukt

gratis ebook

Waarom werd de stationschef van de Atjeh-tram vermoord?

De Atjeh-tram, een der eerste treintjes van de Staatsspoor- en Tramwegen in Nederlands-Indië, te Kotaradja op wat later de Demmenibrug ging heten, circa 1895 (KITLV 27493)

Vermoord, ja. Op 30 juli 1916 werd de 37-jarige kapitein J. Beets, employé van de Atjeh-tram, om het leven gebracht. Hij liet een vrouw en vier kinderen achter. De kranten schreven dat juist Beets zou hebben gezegd: “Zoo krijgen wij allen aan de Atjehtram onze beurt.”

De Atjeh-tram was een fenomeen in de kolonie. In het opstandige Atjeh lagen spoorwegrails, reden treinen en waren er stations. Bestuurlijk gezien noodzakelijk. Militair gezien praktisch onverdedigbaar. Daar kwam nog eens bij, dat veel oud-militairen dienst namen bij het spoor-en trambaanwezen. Wie de koloniale overheerser hard wilde treffen, vond in de tram-employé dus een ideaal doelwit.

In de krant

Dat wist kapitein J. Beets, maar hij wist niet, dat ook hij vermoord zou worden. Het Bataviaasch nieuwsblad schreef op 10 augustus 1916 wat er op 30 juli was gebeurd:

  • De commies Beets, stationschef te Lho Seumaweh, die te ongeveer 6 uur n. m. met zijn vrouw van een wandeling terug keerde, werd op 20 passen van zijn woning door een Atjeher met rentjongsteken vermoord en mevrouw Beets gevaarlijk gewond.
  • De aanval geschiedde dus op klaarlichten dag, midden in de stad, op het drukste gedeelte van den weg en op een tijd, aai zich daar veel wandelaars bevinden, zoowel Europeanen als inlanders. De heer Beets sleepte zich nog een pas of 10 voort tot op den stoep van de woning van den heer Libelt, opzichter bij de A.T., waar hij den laatsten adem uitblies, zijn vrouw werd onmiddellijk naar het militair hospitaal vervoerd. Het gaat wel zijn gangetje bij de doodentram.
  • In 2 jaar tijds een stationschef, 2 tramcontroleurs en 1 baanmandoer vermoord en 2 Europeesche onderopzichters levensgevaarlijk gewond.
  • Wie is er nu aan de beurt?
  • Want dat Beets niet de laatste is, kan ik U op een briefje geven.

De toon was gezet. Nu was het Beets geweest en inderdaad, wie zou er na hem aan de beurt zijn? En wanneer kwam de volgende aanslag op de Atjeh-tram? De kranten haalden de vorige moorden nog eens op, met gruwelijke details (“De slag werd met zooveel kracht toegebracht, dat de linker voorarm bijna werd afgekapt en hem het aangezicht van oor tot oor werd doorgeslagen.”) dat iedereen in staat van alarm moet zijn geweest.
Het was meer dan duidelijk dat het koloniale gezag op het spel stond. Orde en veiligheid bleken twijfelachtige zaken.

Compenie

Hetzelfde artikel in het Bataviaasch Dagblad gooide olie op de golven: de Atjeh-oorlog was helemaal niet voorbij (zoals men in Nederland gaarne geloofde), generaties Atjehers zouden blijven doorvechten (dat zou consequenties kunnen hebben voor het Nederlandse budget) en niemand van het spoor-of tramwezen in Atjeh was het leven zeker, de employees van de Atjehtram (A.T.) allerminst:

  • Bij den Atjeher is de A. T. en militair één en bestempeld hij beide met den naam van „Compenie”.
  • Dat de Atjeher zich niet zoo vlug aan een militair vergrijpt, heeft dit als reden: elke militair (van officier tot inlandsch soldaat) tolereert niet, dat een Atjeher te dicht langs hem heengaat en is tegenover een Atjeher, dien bij niet kent steeds op zijn hoede.

Poster voor de film Rentjong Atjeh (1940).

Maar Beets zal als oud-militair wel degelijk op zijn hoede zijn geweest. Daarbij reed hij al sinds 1912 op de tram, dus ervaring genoeg. Hij was kalm, een family man en hij schreef trouw naar zijn familie in Amsterdam. In Atjeh had hij als KNIL-militair gevochten van 1893 tot 1896, jaren waarin hij een onderscheiding had weten te verwerven. Wie kon iets op hem aan te merken hebben? Beets was braaf.

Wel: een voormalige KNIL-man, werkzaam bij de Atjeh-tram. Een doelwit, dus. Geleidelijk verschenen er meer gruwelijke details in de kranten, zoals in de Sumatra Post:

  • De moordenaar heeft zijn slachtoffer voor het station aangevallen.
  • Toen daarop op den onverlaat geschoten werd, kwam mevrouw Beets uit haar huis om haar man te helpen; het gevolg daarvan was dat ook nu mevr. B. werd geattaqueerd, een worsteling ontstond, waarbij genoemde dame zwaar verwond werd en de moordenaar door toegeschoten hulp eveneens flink werd toegetakeld.
  • Vandaag kon men hem het verhoor afnemen, en de man aarzelde niet te zeggen: maak ook mij nu maar dood, anders doe ik het een volgenden keer weer een blanda.

Daar stond het: niemand was veilig. Europees Indië wist dat dit niet de enige blanda-hater kon zijn,

Humaner

De moord op Beets inspireerde Het nieuws van den dag voor Nederlandsch-Indië tot een groots opruiend artikel op 23 augustus 1916 onder de titel: ‘Veilig Atjeh’, wat uiteraard een ironische klank had. Herinneringen van een ‘oud-gediende’ werden met het publiek gedeeld: hoe de Atjeh-tram in 1902 onder gewapend geleide ging rijden en passagiers gecontroleerd werden waarbij mogelijke moordwapens in beslag genomen konden worden, en dat toen de bewindslieden in Nederland (“van wie er enkele nauwelijks weten dat er een land bestaat dat Atjeh wordt genoemd”) eisten dat er “humaner” moest worden opgetreden, en wat waren daarvan de gevolgen? Precies.

De kloof was groot tussen de theorie van Nederland en de praktijk van de kolonie, dat bewees de moord op Beets wederom. Voor hem kwam het te laat, en ook voor zijn weduwe en de kinderen. Mevrouw Beets vertrok naar het veilige Europa. De moordenaar kreeg de doodstraf. De bewindslieden in Nederland bleven doof, de Atjehtram bleef rijden, en de moorden gingen door. Atjeh bleef Atjeh.

(Een kortere versie van dit artikel verscheen bij Historiek)

Praat met mij
Als u over familie in de oude Indische tijd schrijft, dan heeft u structuur nodig en kennis van de historie. Zo wordt uw verhaal beter en interessanter om te lezen. Werkt u aan zo’n verhaal? Praat dan met mij:

  • voor vrijblijvend advies over historische bronnen, zodat u betrouwbare informatie vindt
  • over de opzet van uw project, zodat u structuur heeft, dat scheelt enorm veel tijd en hoofdpijn
  • lees hoe het gratis overleg-gesprek gaat en maak eventueel een afspraak voor telefonisch overleg via mijn digitale kalender: klik hier en kijk hoe dat gaat.

Wanneer er een nieuw artikel verschijnt, mail ik een berichtje aan degenen die zich hebben ingeschreven. Dan hoeft u niet te zoeken. Inschrijven kan door op het plaatje te klikken. Dan krijgt u meteen een ebook cadeau: Hoe begin ik? 5 gouden tips waarmee het altijd lukt

gratis ebook

Kennislezing: generaal Van der Heijden en de Vrijmetselarij

Van der Heijden staat helaas niet op deze foto. Andere tijd, andere Loge.

Over Karel van der Heijden valt veel te zeggen, maar wat hij ook was, dat was: vrijmetselaar. Een Broeder in de Loge. Alleen in Indië, is mijn indruk, want na de grote ruzie met twee andere Broeders had hij er genoeg van.

Dat is in het heel kort waar ik de volgende kennislezing over ga geven:
– Wat was de Vrijmetselarij in Indië, zo laatste kwart van de negentiende eeuw
– Wie konden er Broeder worden en wie niet, en was er ook ruimte voor vrouwen
– Wat betekende het om lid van de Loge te zijn

Hierbij ga ik in op de twee Loges waarin ik Van der Heijden aantrof:

  •  De Ster in het Oosten – Batavia
  •  Prins Frederik – Atjeh

De eerste is het indrukwekkendste, de tweede het interessantste, maar eerlijk, elke Loge in die tijd is weer boeiend op een eigen manier.
Het zijn kleine koninkrijkjes, met alleen mannen. Je had connecties. Je deed aan liefdadigheid. Loges werden ook vaak verhuurd voor maatschappelijke evenementen. Pluspunt: de allerhoogste Broeder was prins Frederik der Nederlanden, dus in een Loge was je min of meer verbonden met hem. Een fijn idee als je ambitie hebt.
In het Cultureel Maçonniek Centrum ‘Prins Frederik’ (Den Haag) vond ik oude ledenlijsten en foto’s. Veel daarvan staat op de nominatie om gedigitaliseerd te worden, als ik het goed heb begrepen. Dat wordt me wat. Heerlijk. Ledenlijsten lezen en zien wie wie gekend heeft, en in welke hoedanigheid. Zoiets kan veel verklaren in de familiegeschiedenis: een benoeming of een promotie, een helpende hand of het botsen op een onverklaarbare muur.
Het was destijds wel de bedoeling dat de wereld in de Loge besloten bleef.
Maar wat is het geval? Broeders zijn mensen.
Er gebeuren dingen.

Ruziemaker

Broeder H.B. van Daalen van de Loge Mata Hari (Padang) was de grootste ruziemaker van zijn tijd. Wat figuurlijk gesproken het zwaard was voor zijn neef Frits van Daalen (Inderdaad, de Atjeh-generaal ) was voor hem de pen.
Scherp, aanvallend, voor niks en niemand bang.
Journalist en hoofdredacteur van de Java-Bode, een belangrijke krant, kwam weleens in de gevangenis terecht wanneer hij een persdelict had begaan. Indië kende de censuur van het Drukpersreglement.
Deze Van Daalen was contra Van der Heijden.
En hij leek soms over vertrouwelijke informatie te beschikken.
Daar ga ik in mijn lezing straks ook iets over zeggen. Ook over de Loge Mata Hari.

Atjeh

Wanneer Van der Heijden begin 1880 in een lastige positie zit, is de Loge te Atjeh aan het groeien. Een jonge Loge, pas drie jaar eerder opgericht.
De Gedeputeerd Grootmeester Nationaal mr. T.H. der Kinderen zal voor de officiële inwijding naar Atjeh komen. Met een geheime opdracht van de gouverneur-generaal die Van der Heijden weg wil hebben. De ene Broeder moet op de andere inpraten.
Der Kinderen was jurist.
Van der Heijden militair.
Ja, hoe gaat zoiets dan.
Over die confrontatie heb ik brieven kunnen lezen, waarvan ik hoop dat toon en inhoud mij nooit treffen. Maar ik kan er straks wel uit voorlezen.
Dan krijgt u ook wat meer gevoel wat het betekende, om Broeder in een Loge te zijn.

Generaal Eenoog

Is het iets voor u?

    • u wilt weleens wat meer weten over het leven van Karel van der Heijden
    • u heeft belangstelling voor de Vrijmetselarij in Indië en wilt iets meer weten
    • u wilde bij mijn boekpresentaties over de generaal Van der Heijden zijn maar dat lukte niet
    • u heeft zin in een echt gebeurd verhaal over en uit Indië, met mooie beelden

Praktisch
Zaterdag 21 februari 2026
Aanvang 09.30 uur (uurtje)
Gratis en online
Goed om te weten: wilt u de biografie aanschaffen, dan kan dat nog bij mij zolang de voorraad strekt. Dan krijgt u er ook bij: een cadeaufoto en een boekenlegger.
En ik signeer als u dat wilt, met opdracht (alleen fatsoenlijke). Heeft u interesse, geef me een seintje dan mail ik de gegevens aan u door.

Alleen rechtstreeks inschrijven via deze link.

Wat als een huis angker is…

Angker

Ems links, met haar familie, voor het huis op Palemlaan West 37 in Semarang. Naast haar moeder Emma van Angelbeek, dichteres. (Moesson)

In het oude Indië bestonden er woorden die nog steeds iets met ons doen, tenminste, als u er gevoelig voor bent.
Zo’n woord is: angker.

Zelfs in het prozaïsche Nederland, zo lang na Indië, leven er mensen die dan even hun adem inhouden. Een rilling voelen. Van binnen voorzichtig worden en liever niets meer zeggen, of anders een beetje.
Angker.

De gave gaat door

Soms voel ik wat dit betreft een zorg over de derde en vierde generatie. In Indië was er een vanzelfsprekend ‘weten’ in Indische families over angker en alles wat daarbij hoorde. Daar werd op goede momenten het een en ander uitgelegd, wat te doen en wat te laten. En hoe het moet als je de gave hebt om iets te zien van wat komen gaat of contacten met de andere wereld te leggen.
Hier weet de tweede generatie niet altijd hoe daarin een jonger iemand te begeleiden. Logisch. Want die tweede generatie is opgevoed met ‘we zijn nu hier’. Dan is het risico op verhollandsen groot.
Maar de gave reist verder door de generaties.
Tijdens mijn coaching-gesprekken begin ik er zelf over, wanneer ik iets hoor over een toeval dat geen toeval is, of een intuïtie die meer is dan dat.
Dan hoor ik opluchting.
Het gesprek verdiept zich.

Dat andere

In Nederland zijn we westerse rationele mensen. Zo ben ik ook.
En toch bestaat dat andere, buiten de grens van hetgeen een rationeel mens kan beredeneren.
Daar bevindt zich de ervaring dat er een andere wereld bestaat.

Blanda-fuselier

In het grote Moessonarchief vond ik wat Lin Scholte in Tong Tong (1964) schreef over hetgeen haar moeder Djemini als jong meisje meemaakte. We gaan naar de Preanger, nog voor de Eerste Wereldoorlog. Lin Scholte schrijft:

  • Een ander geheimzinnig verhaal ging over een bepaalde heuveltop in de buurt, de goenoeng Tji Abang Ali, die ‘angker’ heette te zijn en geëerbiedigd diende te worden.
  • Eén of andere heilige kluizenaar was daar gestorven in een grijs verleden; de plek waar zijn gebeente rustte, was gemarkeerd door een eeuwenoude tronk die nooit zou vergaan omdat hij versteend was.
  • Koelies uit de streek, die hielpen bij de werkzaamheden aan de tangsibouw en de wegaanleg, wisten te vertellen hoe de plek zo ‘heilig’ was, dat men onder geen beding zijn behoefte mocht doen met het gezicht gewend naar de bewuste plek.
  • Een ‘blanda-fuselier’ die ervan hoorde, zou op staande voet bewijzen welk een onzin het bijgeloof van die domme mensen was.
  • In het aangezicht van de ‘heilige’ heuveltop maakte hij aanstalten om te wateren; een voornemen dat hij uitvoerde ondanks protesten van schrik en afschuw van de koelies en inheemse soldaten, die hem er vanaf wilden houden.
  • De overmoedige daad moest hij berouwen; hij bleef staan zoals hij stond, stijf en stom. De man werd later overgebracht naar het Hospitaal in Tjimahi waar hij evenmin kon genezen. Tenslotte keerde hij terug naar zijn land, verlamd en van zijn spraakvermogen beroofd.

Dat moet anderen voorzichtiger hebben gemaakt. Beter te weinig zeggen dan te veel. Beter misschien helemaal niets.
Maar hoe moet het dan met degenen die het nodig hebben om meer te weten?

Meteen begon het

angker

Villapark tussen Genielaan en Kareng-tengah (nieuwe huizen, dicht op elkaar gebouwd), Semarang, circa 1900 en later. Collectie Wereldmuseum (v/h Tropenmuseum), part of the National Museum of World Cultures, CC BY-SA 3.0,

Ook de Indische schrijfster Ems van Soest wist wat angker was. In 1979 schreef ze in Moesson over haar jeugd in Semarang. Haar broer Wim heeft juist zo’n huis gevonden:

  • ‘Het enige huis dat nog vrij is, heeft twaalf jaar leeg gestaan,’ vertelde Wim, die op huizenjacht was gegaan, ‘het staat bekend als roema angker.’
  • Geeft niet, als we maar een dak boven ons hoofd hebben.
  • Het huis lag in de Gang Steffens, in dat gangetje stonden er maar drie. Het was niet praktisch gebouwd, met twee open voorgalerijen naast elkaar in plaats van een gesloten binnengalerij. De bijgebouwen sloten daar haaks op aan. Daarachter lagen de slaapkamers met ongezellige dikke ijzeren tralies.
  • De voortuin was klein, de achtertuin niet meer dan een strook harde grond. Daarachter weer lag achter een hoge met glasscherven bezette muur de kampong met een als doekoen bekend staande hadji als kamponghoofd.
  • Gang Steffens was weer een onderdeel van het Villapark.
  • We hadden onze bedienden uit Salatiga meegenomen en al de eerste dag zag het huis er kraakhelder uit – de mooie tegelvloer glom.
  • Meteen begon ook het “spoken”.
  • Baboe Tjoetjie kreeg bericht dat haar bappah uit een klapperboom was doodgevallen, trok zich aan de haren en verdween snikkend. Kokki werd diezelfde nacht van al haar pandbriefjes beroofd. Djongos kreeg sakit hati — ampoen, maar het heimwee naar Salatiga was ondraaglijk.

Zo was het dus: niets aan te doen. Of wel? Met die vraag belde ik Inge Dümpel op. Zij weet veel van de oude tijd. Inge zei:

  • Er is dan in het verleden iets heel ergs gebeurd waardoor een morele schuld is ontstaan. En die is niet ingelost. Er is geen vergiffenis gevraagd voor het ontstane onrecht.
  • Zo ontstaat het.
  • Degene die weg is gegaan, die dood is, voelt woede. Soms ook wrok. Of verdriet. Die emoties zijn dan merkbaar in het huis.
  • De oplossing is dat de schuld ingelost moet worden via bijvoorbeeld een slamatan. Dat is een vorm van erkenning, respect en daarmee genoegdoening van de schuld.
  • Zo kan een huis weer gewoon worden, ‘ontladen’ van de slechte invloeden.

Hier moest ik lang over nadenken en nog. Kennelijk kunnen wij levenden die anderen helpen. Of misschien moet het wel, uit plicht.
Als je weet hoe, tenminste.
En nu denk ik weer aan degenen van de jongere generaties, die veel meer aanvoelen dan ze zelf, rationeel gezien, kunnen begrijpen.

Praat met mij
Als u over familie in de oude Indische tijd schrijft, dan heeft u structuur nodig en kennis van de historie. Zo wordt uw verhaal beter en interessanter om te lezen. Werkt u aan zo’n verhaal? Praat dan met mij:

  • voor vrijblijvend advies over historische bronnen, zodat u betrouwbare informatie vindt
  • over de opzet van uw project, zodat u structuur heeft, dat scheelt enorm veel tijd en hoofdpijn
  • lees hoe het gratis overleg-gesprek gaat en maak eventueel een afspraak voor telefonisch overleg via mijn digitale kalender: klik hier en kijk hoe dat gaat.

Wanneer er een nieuw artikel verschijnt, mail ik een berichtje aan degenen die zich hebben ingeschreven. Dan hoeft u niet te zoeken. Inschrijven kan door op het plaatje te klikken. Dan krijgt u meteen een ebook cadeau: Hoe begin ik? 5 gouden tips waarmee het altijd lukt

gratis ebook

Zij waren zeebaboes (video)

Foto van zeebaboes in 1940, vrouwen die niet poseren zoals wij nu. (KITLV 99925)

Het was een beroep: zeebaboe. Er waren vrouwen die op schepen hun dienstreizen maakten. Ze voeren tussen Indië en Nederland, en dan weer terug, ingehuurd op om de kinderen te letten. Jonge vrouwen en oudere vrouwen. Sommige zeebaboes verdienden uitstekend.

Er zijn nog mensen die destijds als kind onder de hoede van een zeebaboe hebben gereisd. Enkelen weten dat nog heel goed: “Ik was bang voor Minah,” vertelde een grote stoere man me eens. Een ex-onderwijzeres vertelde me dat de zeebaboes veel samen waren, in haar jonge ogen van toen waren het oudere vrouwen. De onderwijzeres is er niet meer, maar gelukkig mocht ik een film van ons gesprek maken.  Anders waren haar herinneringen zomaar weg geweest. Zo heb ik wat meer filmopnames. Ik wacht tot er een archief naar me toekomt, dan kan ik een boek over deze vrouwen maken.

Yvonne Keuls

Deze week kreeg het wachten een duwtje.
Want Riboet Verhalenkunst belde.
Lang verhaal kort, er komt een hele middag over zeebaboes en of ik ook wil komen om wat verdieping te verschaffen.
Jawel, zei ik.
Het is op zondagmiddag 8 februari 2026, in Muzee Scheveningen. Klik hier en lees meer.
Dit alles kwam eigenlijk door Yvonne Keuls. Zij zou vertellen over haar eigen zeebaboe maar toen werd Yvonne, zoals de uitdrukking is, verheven tot heerlijkheid.

Bediendenkantoor

zeebaboes

Indische Courant, 1930

Je had destijds:

  • …baboes die al in het gezin werkten en meereisden op de boot, tijdens het verlof in Holland bleven en dan (meestal) weer mee terug voeren
  • …de zeebaboe als beroep, wat weer iets anders was dan kinderjuffrouw of gouvernante. Lager betaald, minder status.
  • …bemiddelingskantoren voor zeebaboes, zoals bij de Nederlandse Vereeniging van Huisvrouwen, in Indië. Daar werden ook dossiers bijgehouden over de zeebaboes, die beoordelingen kregen. Er waren ook bediendenkantoren. Die verdienden natuurlijk bemiddelingsgeld.
  • …zelfstandige zeebaboes die zelf adverteerden in de kranten. Dat zie je vooral in de jaren 1930 opkomen, dan heeft het beroep zich ontwikkeld. Er zijn dan zeebaboes die meerdere talen spreken, en ook min of meer advies kunnen geven, wat ideaal is voor een gezin dat voor de eerste keer naar Indië of Holland gaat. Deze advertenties veranderen van inhoud wanneer de oorlogsdreiging voelbaar is: dan bieden zeebaboes zich gratis aan, als ze maar terug kunnen naar huis, naar Indië.

Liefde of niet

Veel mensen hebben herinneringen aan hun baboe. Uitgebreide herinneringen: hoe zij heette, waar zij vandaan kwam, wat ze zei en wat mocht en niet mocht. Dierbare herinneringen vol liefde, voor de vrouw die er altijd was. Maar dat was anders bij een zeebaboe. Zij was er tijdelijk, zolang de zeereis duurde. Wat betekent dat voor een kind?
Ik heb nu al drie, vier mensen gesproken over hun herinneringen aan hun zeebaboe. Dat zijn belangrijke verhalen over Indië, die ook bewaard moeten worden. Er is nog te weinig bekend over zeebaboes. Dus als u ook onder de hoede van een zeebaboe stond en dat nog weet, dan hoor ik het graag. Of als uw vader of moeder er iets over vertelde, dan ook.

(tekst gaat verder onder de video, gemaakt tijdens de Tong Tong Fair)

Persinggahan

Was de zeebaboe in Nederland, dan had ze niet altijd een aansluitende reis terug. Tot ze weer kon aanvaren, verbleef ze in een pension of in het tehuis Persinggahan, in Den Haag/Scheveningen. In het tehuis is ook die grote foto bovenaan gemaakt, in 1940. Het is een van de foto’s die me steeds weer raken. Vrouwen die zich in het hart laten kijken, door hun onwennigheid van op de foto gaan.
Het tehuis heeft tientallen jaren bestaan, en onderdak geboden aan vooral zeebaboes. In mindere mate aan djongossen, terwijl ook zij toch ergens moesten blijven. De opheffing van het tehuis in 1948 was op bevel van de overheid. Het bestuur was furieus. En nu komt het merkwaardige: de dossiers van de zeebaboes zijn verdwenen. Mijn vermoeden is dat ze ergens op zolder staan, daar neergezet door een opstandig bestuur, en dat de bestuursnazaten niet weten wat er in de oude dozen zit. En ik weet niet op welke zolder ik zou kunnen kijken.

Maar ik blijf radicaal optimistisch. Op een dag vind ik die zolder of vindt de zolder mij.

Praat met mij
Als er iemand van de familie als kind aan boord reisde tussen daar en hier, is een grote kans dat er ook een zeebaboe bij was. Wat betekende dat tijdens de reis? Met kennis van de geschiedenis wordt uw verhaal beter en interessanter om te lezen. Werkt u aan een levensverhaal? Praat met mij:

  • voor vrijblijvend advies over historische bronnen, zodat u de juiste informatie vindt
  • over de opzet van uw project, zodat u het meteen goed aanpakt, dat scheelt enorm veel tijd en hoofdpijn
  • maak een afspraak voor telefonisch overleg via mijn digitale kalender: klik hier en kijk hoe dat gaat.

Wanneer er een nieuw artikel verschijnt, mail ik een berichtje aan degenen die zich hebben ingeschreven. Dan hoeft u niet te zoeken. Inschrijven kan door op het plaatje te klikken. Dan krijgt u meteen een ebook cadeau: Hoe begin ik? 5 gouden tips waarmee het altijd lukt

gratis ebook

Waarom er Indo-bataljons moesten komen

Groepsfoto van militairen van de Brigade Marechaussee in Atjeh. Liggend op de voorgrond twee dwangarbeiders die als dragers worden gebruikt. Atjeh, 1904 (Defensie beeldbank)

Indo-bataljons, wat een woord. Ik kwam het tegen in de discussies over de mogelijke oprichting ervan, begin twintigste eeuw.
En ik dacht: waarom?
En daarna: wie waren dat toen, de Indo’s?

In het oude Indië is het altijd opletten met woorden en termen. Nu ook. Ik zeg nooit tegen een oude dame dat ze Indo is. Liever vraag ik voorzichtig of ze een Indische achtergrond heeft. En eigenlijk is dat ook al ongepast.

‘Indisch’ kan vroeger verschillende termen hebben, van landskinderen tot Indo en Indiër en Indo-Europeaan. Wie wat zegt, en wie door wie hoe genoemd wordt, dat heeft te maken met etniciteit, klasse en ook met het al dan niet erkend zijn door de Europese vader.

Krom praten

Die Indo-bataljons vormden een oplossing voor een probleem, vonden koloniale kringen. Dat probleem bestond wel degelijk, waar het de Indo-Europese bevolkingsgroep betrof.
Althans, een deel van deze groep. De armere mensen. Zij hadden niet of nauwelijks toegang tot Nederlandstalig onderwijs en beheersten deze taal dan ook slecht. Daar komt het zogeheten ‘krom praten’ van Indische personages in koloniale romannetjes van. En niet alleen in romannetjes. Ook in het maatschappelijke leven van alledag.
Het betekende dat deze armere Indo-Europeanen alleen de lagere kantoorfuncties konden vervullen. De taalbeheersing was onvoldoende. Dan de bespotting door anderen.
Bespot worden doet pijn.
Daardoor ontstaat wrok.
Wrok heeft een uitweg nodig.

Dat wilde het gouvernement niet. Er moest dus iets gebeuren. Maar wat?
De journalist mr. P. Brooshooft publiceerde in 1901 zijn brochure De Ethische koers in de koloniale politiek. Daarin verscheen een idee:

  • Zoo dus de Regeering kan besluiten de arme Indo’s op veel grooter schaal tot het Indische leger te trekken, bijv. door oprichting van afzonderlijke Indo-bataillons met gunstige voorwaarden van toetreding, dan zou ik dit, bij den persoonlijken moed, schuttersaanleg en bestandheid tegen ontberingen van vele Indo’s, voor beide partijen – staat en individu – uitstekend achten.

Geen negatieve context dus. Al blijft het een twijfelachtig iets, om op basis van etniciteit iemand eigenschappen toe te schrijven.
Maar het idee was er, om de toenemende onvrede onder het zogeheten Indo-proletariaat te kanaliseren. Gunstige voorwaarden, meer kennis van de Nederlandse taal, tucht en discipline – een win/win situatie.

Indisch in het leger

De Locomotief, mei 1901

Anno 1901 waren er al lang Indische officieren, onderofficieren en soldaten bij het Oost-Indische Leger. De latere generaal Van Daalen maakte juist in deze tijd furore, begin januari 1901 werd hij bevorderd tot majoor.
In mei van datzelfde jaar ontving een zekere sergeant Beer een Militaire Willems-Orde. Die was verdiend met een ‘heldendaad’, schreef de Locomotief: en de sergeant Beer was door verschillende officieren voorgedragen want, zo schreef de krant, Beer was ‘een zeer bescheiden Indo’.
Wie er wel en niet Indisch was, staat helaas niet op het stamboek. Het is een kwestie van lezen en hopen dat het genoemd wordt, van namen herkennen en soms gezichten zien en weten of twijfelen.
Maar ze waren er, zeker weten.

Indo

Alleen nu ging het om iets anders met die Indo-bataljons, en dat was eigenlijk deze groep in de ijzeren greep van controle zien te krijgen.

Na het artikel ontbrandde er dus een discussie. Met merkwaardige standpunten, ik wist niet of ik moest lachen of huilen. Enkele voorbeelden.

  • Algemeen Handelsblad, november 1901: ‘Wanneer de Staat maar blijft zorgen dat zij geenerlei reden hebben om, zich gegriefd te gevoelen door maatregelen, van Staatswege genomen, zullen zij zich niet tegen hem keeren.’ Het punt was juist, dat deze verarmde Indo’s zich terecht gegriefd voelden en dat werd eerder meer dan minder. Ook schreef de krant nog dat Indische belangen hetzelfde waren als Hollandse belangen.  Dat was niet de situatie.
  • De Indische Gids, 1902, besprak het artikel op wat sussende toon maar nam wel een ingezonden schrijven op:
  • WelEd. Heeren!
    Tegelijk met deze briefkaart zend ik u een viertal bladen van den Indischen bond, teneinde u op de hoogte te stellen van den huidigen toestand der Indiërs, en ter voorkoming van opneming van artikelen als “Indobataljons”.
  • Het gevaar dat de Regeering van onzen kant dreigt, weegt bij u niet, daarom Nederlandsch volk, wees rechtvaardig en geef ons autonomie. Voortaan zullen u bondsbladen toegezonden worden.
  • Een geminachte blauwe Indo.

Zo, autonomie. Een forse eis.
Het zou er niet van komen, de Indo-bataljons evenmin. Het vergde te veel geregel, vermoed ik, en het Oost-Indische Leger was een dermate log apparaat dat zoiets niet gemakkelijk viel te realiseren. Want het betekende onder meer reglementen aanpassen, kazernes herinrichten en lastige vraagstukken beantwoorden over kwesties als doorstijgen in de rangen.
Dat ‘Indo’ lag gevoelig. Geen wonder dat de latere luitenant-generaal Van Daalen zich nooit heeft uitgesproken over zijn Indische achtergrond, al helemaal niet toen hij eenmaal commandant van het KNIL was, in de jaren 1910-1914.

Indo-proletariaat

Dat de oprichting van Indo-bataljons zo in de aandacht kwam, zegt iets over deze tijd. Vooral over het groeiende besef bij het gouvernement dat er een Indo-proletariaat bestond dat een dreiging vormde. Zij waren Europaan, zij waren Nederlander en zij voelden, de dag is nabij dat wij niet meer wachten op het geschenk van gelijkwaardige behandeling, maar die zullen opeisen.
Het gistte en borrelde in Indië, de Indo-Europese pers stond bol van de eigen standpunten, mannen als Arnold Snackey kregen ervoor gevangenisstraf, er was iets gaande, iets dat groter zou worden.

Praat met mij
Als u over familie in de oude Indische tijd schrijft, dan heeft u structuur nodig en kennis van de historie. Zo wordt uw verhaal beter en interessanter om te lezen. Werkt u aan zo’n verhaal? Praat dan met mij:

  • voor vrijblijvend advies over historische bronnen, zodat u betrouwbare informatie vindt
  • over de opzet van uw project, zodat u structuur heeft, dat scheelt enorm veel tijd en hoofdpijn
  • lees hoe het gratis overleg-gesprek gaat en maak eventueel een afspraak voor telefonisch overleg via mijn digitale kalender: klik hier en kijk hoe dat gaat.

Wanneer er een nieuw artikel verschijnt, mail ik een berichtje aan degenen die zich hebben ingeschreven. Dan hoeft u niet te zoeken. Inschrijven kan door op het plaatje te klikken. Dan krijgt u meteen een ebook cadeau: Hoe begin ik? 5 gouden tips waarmee het altijd lukt

gratis ebook

Hoe kom ik aan structuur? (gratis online workshop)

Een verhaal zonder structuur wappert alle kanten uit. Het gaat overal en dus nergens over. Niemand leest zoiets graag. En als u moeite heeft om te beginnen met uw verhaal of het lukt niet om door te gaan, dan ligt dat in negen van de tien keer aan hetzelfde: u heeft geen structuur.

Zonder structuur loopt u vast.
Dan kunt u pagina’s vol schrijven over van alles maar het boeit voor geen meter. Het erge is, wanneer u naar die pagina’s kijkt, voelt u dat ook van binnen.
En dat terwijl u een belangrijk verhaal te vertellen heeft.
Nog meer pagina’s volschrijven is meer van hetzelfde.
Werkt niet.

Stoppen is geen optie.
Doorgaan evenmin.
U zit dus  min of meer vast.

Ik hoor nogal eens dat mensen vastlopen omdat ze niet weten hoe het verder moet. Of ze hebben het overzicht verloren. Of ze vinden wat ze schrijven een saaie opsomming van feiten en gebeurtenissen. Dus dan stoppen ze maar. Alleen blijft zoiets dan wel knagen.
Knagen doet pijn.

Structuur

Elk verhaal, groot of klein, heeft structuur nodig.
Dan leest het gemakkelijk. Het is dan ook boeiend. En het schrijft gemakkelijk. Elke keer, wanneer ik aan een nieuw boek begin, neem ik eerst de tijd om een goede structuur te bedenken. Dat is het fundament, precies zoals een huis ook een fundament nodig heeft om stevig te staan.
De tijd nemen wil zeggen: rust en aandacht besteden aan de structuuropbouw. Werken met wat ik op dat moment van mijn onderwerp weet. De ene keer ken ik het verhaal al dat ik op papier wil zetten, de andere keer nauwelijks. Toen ik aan de structuur-opzet begon voor mijn biografie van Pa van der Steur, wist ik nog maar weinig. Maar na de opzet wist ik wel wat me te doen stond. Het boek kwam er dan ook.

Gemoedsrust

Voor mij is structuur belangrijk, in alles. Mijn dagen hebben structuur, en dan weet ik wat ik wanneer te doen heb. Dan heb ik rust in mijn gevoel en in mijn hoofd. Gemoedsrust, en daardoor ben ik in staat om geconcentreerd te werken. En gemakkelijker.
Ik doe dus niet aan inspiratie of de flow. Zou u in een huis willen wonen dat gebouwd is op een fundament van flow en inspiratie? Ik niet.
Maar ik hou van zekerheid.

Gemak en plezier

Hoe meer structuur u heeft, des te beter weet u:

  • Hoe hou ik greep op mijn verhaal
  • Welke informatie zet ik waar
  • Hoeveel moet ik zeggen over de historische context
  • Wat moet ik met al die achtergrondinformatie
  • Hoe deel ik het toch allemaal in

Als u dit weet, is het schrijven voor u gemakkelijk. En u heeft er ook meer plezier in.
Wanneer u daar zin in heeft, is mijn nieuwe workshop wat voor u. Want die gaat helemaal over het vinden en vasthouden van structuur.
Erna heeft u overzicht want u beseft: ‘O, zo moet dat dus.’

In de workshop leert u welke structuur elk verhaal van enige omvang hoort te hebben. Beter gezegd, welke structuur u nodig heeft in uw verhaal om het te kunnen schrijven. Met plezier en ook nog eens met gemak. Ja, ik blijf het herhalen.
U krijgt praktische voorbeelden uit mijn eigen boekenschrijf-praktijk, dus het is geen vage theorie. Het is immers mijn bedoeling dat u tijdens de workshop tot nieuwe inzichten komt waarmee u meteen aan de slag kunt.

Persoonlijk hoop ik dat de workshop helpt om meer Indische (familie)verhalen in de wereld te brengen. Al die verhalen, nu kan het opschrijven ervan nog, wanneer het in deze tijd niet gebeurt, dan kan het niet meer. We vergeten zo snel. Het verleden kan zomaar vervagen.
Maar nu zijn we er nog, u en ik. En we kunnen wat doen.
U heeft het verhaal, ik weet hoe het op papier komt. Dus.

Voor wie is het

  • u schrijft non fictie, dus uw eigen verhaal over ware gebeurtenissen
  • u moet nog beginnen en u ziet door de bomen het bos niet meer, al die informatie en u moet nog 37 boeken lezen
  • u bent halverwege en eerlijk is eerlijk, u ziet zelf dat wat u heeft iets anders nodig heeft, het is gewoon niet boeiend

Voor wie is het niet

  •  u schrijft een roman, dat is een andere tak van sport
  •  u  overweegt een stripverhaal te maken voor de kleinkinderen, en dat kan, alleen daar gaat de workshop niet over
  •  u vindt alles wat u schrijft prachtig en u wilt er geen letter aan veranderen, dan is het zonde van uw tijd
  •  u bent verliefd en u kunt niet meer normaal denken, dan zeg ik: mail me na de zomer even

De workshop is online en gratis, dus als u ooit gedacht heeft ‘Hoe kom ik aan structuur’, dan is dit voor u.

Praktisch
Maandag 9 februari 2026
Online
Gratis
Aanvang 0930 uur
Duurt een uurtje
Opgeven: via onderstaand formulier (uw mail komt bij mij en dan mail ik u terug)

Opgeven via formulier

Ja, ik doe graag mee met deze workshop

"*" geeft vereiste velden aan

Naam*

Ga naar de bovenkant