
Bandoeng, 1947. Achter staat Piet Scholte, links voor hem Djemini.
Bersiap is, afhankelijk van waar u staat, een beladen woord of een woord waarover u in discussie wilt, en dat wil ik niet.
Een beladen woord.
Uit die tijd zijn foto’s die u en ik niet lang kunnen bekijken en toch zitten ze dan in onze innerlijke beeldbank. Er zijn verhalen over het geweld, de rechteloosheid, de angst.
De verhalen gaan ook de families die verscheurd raakten. Degene die daar even mooi als aangrijpend over schrijft, is de Indische schrijfster Lin Scholte.
Haar familie was Indisch, Hollands, Indonesisch. En dan al die onbegrijpelijke situaties naast en door elkaar: het gezagsvacuüm, de pemoeda’s, het Indonesische leger, de geallieerde troepen. Dan de loyaliteit van voor, tijdens en na de oorlog: op wie kon je nog vertrouwen?
Er is al veel geschreven,
veel doorgegeven.
Ook over de Bersiap
Vanwege deze week neem ik grote delen op van het verhaal ‘Donkere dagen’, uit de bundel Bibis Koetis voor altijd (1974). Deze bundel maakt deel uit van het verzameld werk van Lin Scholte dat ik indertijd samenstelde. Daarbij schreef ik een biografische inleiding.
Donkere dagen
We zijn in Soerabaja.
Wie is wie:
Piet Scholte, de Hollandse vader van Lin Scholte
Herman en Bernard, broes
Soe, zuster van Lins moeder Djemini
Koetis, ook een zuster van Djemini
- Op een dag werden Piet, Herman en Bernard van huis gehaald door een groep TRI-soldaten. Alle mannelijke blanda’s vanaf vijftien jaar moesten naar de gevangenis aan de Werfstraat in de benedenstad. Jan, de zoon van Soe, viel er net buiten met zijn veertien jaar. De volgende morgen ging een troep gewapende pemuda’s door de kampung om alle blanda’s te sommeren zich gereed te maken voor vertrek naar het kamp. Zij kregen een uur de tijd om hun spullen bijeen te pakken, waarna zij zich dienden te verzamelen bij de brug.
- Bij Mam thuis waren ze bezig te pakken. Corrie waarschuwde dat de andere families al werden opgehaald door de pemuda’s. Nerveus sloot Mam de kast af, daarna de huisdeur. Ze gaf de sleutel aan Jan, die ermee wegsnelde om hem aan Ning Kadji te geven, de eigenares van het huis die vlak achter hen woonde. Het zestal liep het erf af naar de straat om zich bij de stoet te voegen.
- De pemuda’s lieten Soe’s kinderen zich bij de groep aansluiten. Mam, Soe en Koetis wilden volgen. ‘Wat moet dat?’ vroeg een pemuda, ze tegenhoudend. ‘Loh, we horen er ook bij,’ zei Mam. ‘Ik ben de moeder,’ verklaarde Soe er achteraan. ‘Zijn jullie blanda’s uh!’ snauwde de man. ‘Wij zijn getrouwd met blanda’s; onze kinderen zijn blanda’s…’ Als antwoord klonk het huiveringwekkende: ‘Sssia-ááp!!’ Het had de uitwerking van een elektrische schok. Onmiddellijk werden de drie vrouwen omringd door een haag van pemuda’s.
- ‘Zeg het nóg eens, ben jij blánda!’ sneerde de aanvoerder. Zijn gezicht was vlak voor dat van Mam. Schor antwoordde zij: ‘Ik ben orang djawa (ik ben een Javaans mens) net als u, maar dat zijn onze kinderen; wij vragen u beleefd ons toe te staan mee te gaan.’
- Het oponthoud irriteerde hem. Met een gebaar beval hij zijn mannen de vrouwen terug te drijven. ‘Ajó! Loop dóór!’ schreeuwde hij. Zijn mannen drongen de drie zusters weer het erf op. Ze deden het op niet zachtzinnige wijze. Corrie had zich uit de groep losgemaakt en rende terug naar haar moeder. Deze zakte op haar hurken neer – haar knieën knikten zo – en omhelsde haar dochtertje. ‘Flink zijn ja Cor, niet huilen hoor je; blijf bij Jan en Tien, gehoorzaam je broer.’ Daarbij drukte ze Corrie de pan gare rijst in de handen en duwde haar terug in de richting van de stoet.
- Mam gaf het niet op. Ze bleef de aanvoerder achtervolgen met haar smeekbeden. Een pemuda porde haar ruw opzij; ze struikelde, maar viel niet. Vooraan in de rij kreeg iemand een klap met de geweerkolf omdat zij omkeek. ‘Kijk vóór je! Allemaal dóórlopen! Schiet op!’ werd er gebruld. Geïrriteerd door Mams hardnekkig smeken, wendde de aanvoerder zich abrupt om. De punt van de bajonet op zijn geweer wees op Mams buik. ‘Als je mee wil moet je maar eens hier doorheen zien te komen. Méns, wil je dóód!’ brulde hij razend. De bajonetpunt prikte haar vel. Alsof ze niet gekieteld wilde worden schoof Mam het ding terzijde, zeggend: ‘Loh djangan, ini kan sakit’ (Héé niet doen, dit doet pijn). Het klonk allerdwaast.
- Koetis had neiging hard te lachen, maar zij kende haar zuster. De man kon niet weten dat Mbaju buiten zinnen was en in staat tot dingen die alleen maar fataal konden eindigen. Daarom greep ze Mam stevig bij haar arm en drong haar zacht terug. Fluisterde dicht aan haar oor zich te beheersen; de zaak niet erger te maken dan zij was.
Djemini overleefde de confrontatie Zoveel anderen niet. Nu het verhaal dat Lin Scholte opschreef met als vertelster haar tante. De titel: ‘Koetis neemt het woord’.
Koetis neemt het woord

Uiterst rechts, Tante Koetis
We zijn nog steeds in de na-oorlogse tijd die ook vol oorlog was. Na een lange omweg komt Koetis aan in Lawang. Ze reist met haar zusters Djemini (=Mbaju) en Soe. Uiteindelijk komen ze aan in Lawang. Ook daar is gevaar, vertelt Koetis.
- Laat in de middag bereikten we Lawang. Om onverklaarbare redenen moesten alle passagiers uitstappen. Gewapende TRI-militairen en ook pelopors liepen tussen de vluchtelingen door. Alle bagage werd aan een visitatie onderworpen. Het stel pelopors dat onze barang onderzocht zag er onguur uit. In normale tijden zou ik ze voor rampokkers (gewapende rovers) versleten hebben. Hun gretige klauwen haalden alles overhoop.
- Met de barang van Mbaju en mij waren ze klaar. Met die van Soe waren ze nog bezig. Daar zat er één met zijn vingers in de zak met beras. Het gezicht van Soe werd vaalbleek. Waarom? Het werd me al gauw duidelijk toen de man een pakketje papieren uit de beras tevoorschijn haalde. Hij vouwde de paperassen open en las ze. Ik zie het nog voor me: hoe hij zijn mond wijd opende en die schreeuw uitstootte: ‘Ssiááaap!’
- Ik verbaasde me erover dat zijn stembanden niet scheurden. Zoals mieren rond een druppel stroop liepen de pelopors om ons te hoop. Wij stonden in een ononderbroken kring punten: van bambu runtjing, bajonet, tot klèwang en degen toe. De ‘eerlijke vinder’ zwaaide triomfantelijk met de papieren en verklaarde luidkeels dat deze het bewijs waren van onze ‘opdracht’ om te spioneren, dat wij spionnen van de blanda’s waren. De groep kwam in beweging. Wij werden vastgegrepen. Elk van ons werd van achteren aan de armen in een knellende greep gehouden door een pelopor. Het dreigende geschreeuw was oorverdovend. Uit het koor van verschillende stemmen verstond ik enkele kreten: ‘Dood aan de blanda-spionnen! Rijt ze open, smijt ze in de kali!’ Onweerstaanbaar drong de stank van uitwerpselen me in de neus. ‘Alle drie afvoeren!’ schreeuwde de aanvoerder.
- Wij zetten ons in beweging, hoewel ik het gevoel had dat mijn knieën van rubber waren. De grond golfde onder mijn voeten; ik leek niet vooruit te komen. Het zweet stroomde langs m’n ruggegraat. Mijn denken stokte, ik wilde en kon aan niets denken, aan niemand. Des te makkelijker leek het me straks dit leven te verlaten. Hoe ver we liepen wist ik niet, hoe lang, evenmin. Ik wist wel dat we opeens stilstonden. We stonden nog steeds op dat perron, maar meer verwijderd van de andere vluchtelingen. Er kwam een generaal met een adjudant naast zich, op ons toelopen. Ik zag dat hij nu de documenten had; hij stond er nog in te lezen toen hij voor ons stilhield. De generaal nam ons onderzoekend op. Hij zag er wel nors, maar niet onsympathiek uit. De papieren omhooghoudend, verklaarde hij, terwijl hij om zich heen keek: ‘Mannen, broeders. Deze papieren bevatten geen opdracht voor spionage. Het zijn geboorteakten van hun kinderen. Als jullie vrouw een kind heeft gebaard, meld je dat immers ook bij de lurah (dorpshoofd)? Welnu, dit is zo’n bewijs van zo’n geboorteaangifte.’ Hij wapperde met een papier in de lucht. ‘Laat ze gaan; het zijn onschuldigen.’ De pelopors lieten onze armen los, waarna ze zich mompelend terugtrokken en hun speurtocht onder de vluchtelingen hervatten.
De generaal wendde zich tot Mbaju en vroeg haar of hij de trouw- en geboorteakten mocht houden. Hij liet zijn stem dalen zodat alleen wij hem konden verstaan en legde uit dat het verstandiger was déze papieren niet met ons mee te nemen. ‘Ik zou niet graag zien dat een anak kolong gewelddadig aan z’n eind kwam,’ besloot hij met een vage glimlach. Riep ‘merdèka’ met geheven vuist en been, op de weg. We stonden daar ‘op de plaats rust’, sprakeloos die eerste minuten. Hij had ‘aku’ gezegd in plaats van ‘saya’ (ik). De generaal sprak de laatste zinnen uit in dat aparte taaltje van mensen uit de tangsi!
Het was een vreemde gewaarwording op die plek eensklaps alleen met ons drieën te zijn. Als bij afspraak gingen we op onze hurken zitten, te slap om te blijven staan, of was het de drang ons zo klein mogelijk te maken? Ik weet het niet, misschien beide, maar het was wel zeker dat we even tijd nodig hadden om de werkelijkheid tot ons te laten dóórdringen. Maar dan stonden we op en liepen onzeker terug naar de plaats waar onze barang werd bewaakt door een gewapende soldaat. Met een schichtige blik naar de man brachten we orde in de chaos, zodat de koffers goed gesloten konden worden. De soldaat bleef in onze buurt heen en weer lopen. Het zat ons helemaal niet lekker. Er kon nog van alles gebeuren; de op wraak beluste horde van daarstraks kon zich alsnog bedenken, alle goede generaals ten spijt. De eerste vluchtelingen waren al in de trein.
‘Wat doen we nou?’ vroeg Mbaju besluiteloos. ‘Wacht,’ zei Soe en stond resoluut op. Ze liep naar de postende soldaat toe en vroeg hem wat wij verder nog moesten doen. Wat had Pak Jendral dan gezegd? vroeg hij. ‘Dat we mochten gaan,’ zei Soe. ‘Waar wacht u nog op? Gá dan!’ klonk zijn advies.
Alsof duizend duivels ons op de hielen zaten, renden we naar de trein. Eerst toen die Lich in beweging zette, viel de spanning van ons af. Om beurten moesten Soe en ik naar het toilet om ons te verschonen.
Zo was het toen, het is de eigen ervaring die het invoelbaar maakt. Geen moreel oordeel, geen goed of fout besluit, alleen de menselijke ervaring.
Daar gaat het om, dat brengt ons de mogelijkheid te begrijpen, voor zover mogelijk.
Praat met mij
Als u over familie in de oude Indische tijd schrijft, dan heeft u structuur nodig en kennis van de historie. Zo wordt uw verhaal beter en interessanter om te lezen. Werkt u aan zo’n verhaal? Praat dan met mij:
- voor vrijblijvend advies over historische bronnen, zodat u meer informatie vindt
- over de opzet van uw project, zodat u het meteen goed aanpakt, dat scheelt enorm veel tijd en hoofdpijn
- maak een afspraak voor telefonisch overleg via mijn digitale kalender: klik hier en kijk hoe dat gaat.
Wanneer er een nieuw artikel verschijnt, mail ik een berichtje aan degenen die zich hebben ingeschreven. Dan hoeft u niet te zoeken. Inschrijven kan door op het plaatje te klikken. Dan krijgt u meteen een ebook cadeau: Hoe begin ik? 5 gouden tips waarmee het altijd lukt


Het bekende grote zwijgen was bij ons in Den Helder en Voorschoten van toepassing. Hij was met 5 anderen opgevist toen het mijnenleggertje de grond in werd geboord toen ze aan het begin van de oorlog tevergeefs probeerden te vluchten van het eiland Tarakan naar Batavia. De hele oorlog was hij als krijgsgevangen marine officiertje geïnterneerd in het Jappenkamp op datzelfde eiland.
Hij heeft na de oorlog zijn verhaal moeten opschrijven in opdracht van het Niod.
Na de oorlog kwam hij mijn moeder tegen in Batavia. Zelf was hij opgegroeid in Malang. Zijn vader zat in de thee.
Wij kinderen maakten slechts het grote zwijgen mee.
Mijn moeder was alleen bang toen de onafhankelijkheid was uitgeroepen door “boeng ” Soekarno en Indonesiërs de straten met schieten onveilig maakten. Ploppers noemde zij, vanwege het geluid dat pistolen maakten. In 47 verhuisde ze met twee kinderen naar Den Helder. De oudste, mijn zus Hedy was niet van hem. Hij heeft haar, vertelde ze meermalen, ge-echt. De moeder van mijn moeder was de dochter van een njai. Dat was decennia lang een geheim. De njai kreeg de achternaam Roos van Raadshoven. Zo was alles netjes rechtgetrokken.
Goed dat je het nog weet Charles, het is niet vergeten.