Waarom kipassen de middag weer goed maakte

kipassen“We krijgen steeds meer tropische dagen,” hoor ik om me heen. Maar tropisch, dat is iets anders dan de Hollandse hitte.
Die is drukkend, benauwd.
In Soerabaja had ik nergens last van. Ik kon gewoon nadenken, wat moeilijker gaat op een dag met Hollandse hitte. Wat te doen op zo’n dag?

Ten eerste: kipassen

Wapperdewapper en dan weer zachtjes-zoetjes waaien, en ik herinnerde me hoe ik aan mijn kipas kwam.
Heel wat zomers geleden zat ik op de Tong Tong Fair te signeren naast Yvonne Keuls. Pal onder het tentdoek was het warmer dan de dertig graden buiten. Wind was er die dag niet.
Ik begon te klagen tegen Yvonne over zo-waharm en de hele dag al, en morgen vast weer, en of zij er ook zo’n last van had.
Nu is Yvonne een vrouw die overal tegen kan, die tegen alles bestand is, behalve onrecht en gezeur. Ze kéék even naar me.
Dat was genoeg.
“O,” zei ik, meteen tam.
Yvonne zweeg.
Schuin aan de overkant zag ik de uitweg: verkoop van kipassen. Slechts een enkele euro per stuk. Ik kocht er twee, ook voor Yvonne.
En zo kwamen we iets beter die middag door. De hitte was niet weg, maar wel te dragen. En inderdaad, zeuren helpt niet. Kipassen wel.

Ten tweede: dagdromen

Ik ga supervroeg opstaan, dan aan het werk en ’s middags ga ik dagdromen over alles wat ik nog wil doen in het leven. Dan lig ik voor de ventilator naast mijn grote huiskater Bert. Ik heb een notitieblokje zodat ik opkomende gedachten meteen kan noteren. Bert slaapt, de ventilator zoemt zachtjes.
Ik blijf rustig want ik weet: dit gaat ook voorbij.

De foto van de Japanse geisha’s is uit 1916, uit de tijd dat de Japanse cultuur nog een positief gevoel meebracht. Ik las in de Preanger-Bode iets over een benefiet-voorstelling van de MULO, vermoedelijk uit Bandoeng, waar ook leerlinges optraden als geisha’s. De krant schreef:

Als no. 3 stonden op ’t programma eenige tooneelen uit de „Geisha”. Bij ’t opgaan van ’t doek waanden we ons in een sprookjesland. Daar zaten en wandelden onder bloeiende takken en tusschen groene palmen een gezelschap Japansche schoonen in kleurrijke dracht, alles nog fantastischer gemaakt door lichteffecten. De meisjes waren door mevr. Ockhuysen heel netjes gekapt. Zeer elegant voerde een der geisha’s een dans met zang uit.

De avond was een succes: ruim 1800 gulden voor het goede doel.
Iets om over te dagdromen tijdens de middagrust. Die meisjes van toen, hoe zou het ze vergaan zijn? Dachten ze nog weleens terug aan hun optreden toen de oorlog kwam? Zou deze foto in albums van familie zijn, en waar dan, en waar zijn de albums van uw familie eigenlijk?

Ten derde: praktisch denken en doen

Het gaat er bij dagen van Hollandse hitte juist om wat we wèl kunnen doen. Wat is dat voor u, wat is dat voor mij? Lezen. Nadenken over wat te gaan schrijven. In de namiddag wandelen.
Als u volgende week maandag 18 of dinsdag 19 juli rond vijf uur – of zes uur  ’s morgens mij een goedemorgen-appje stuurt, dan stuur ik u een goedemorgen-appje terug. Dat lijkt me gezellig, samen zo heel vroeg wakker zijn. (06 82 445 019, dat is mijn nummer)

Met deze drie tips komt u hopelijk door de Hollandse hitte heen. Ik vat samen:
1 Kipassen
2 Dagdromen
3 Praktisch denken en doen

En als u na deze dagen denkt, wat gaat het leven toch snel, straks is de zomer voorbij en dan heb ik nog altijd het verhaal van mijn familie niet opgeschreven, laat het me dan weten. Ik help u er graag bij.

Wies van Groningen over haar moeder Clara Hukom (video)

HukomClara Hukom leerde ik kennen door haar dochter Wies. Zij schreef over haar moeder. Mooie verhalen en boeken zijn het, waardoor ik langzaam vertrouwd werd met haar familie. Wies heb ik een paar keer ontmoet.

“Ik ben geboren in Blangkedjerèn, op Sumatra. Mijn Molukse moeder en mijn vader, een totok, hebben daar vijf jaren gewoond met hun kinderen. We hebben overal gewoond, in Batavia, Tjimahi, later ook in Bandoeng. Tussendoor gingen we naar Holland met een half jaar verlof. Zo ook in 1939, althans dat was de bedoeling. Maar in verband met de oorlogsdreiging besloot mijn moeder dat zij met haar kinderen in Holland zou blijven.”

Daar en hier

In 1929 werd Wies geboren als Louise Metaal, een meisje in een KNIL-kampement in het binnenland van Atjeh. Tien jaar was ze, toen zij in Delft moest gaan wonen. Dat beviel niet zo, vertelt ze: “Ik was op m’n hoede. Ik dacht dat de mensen boos op me waren, ze keken altijd zo streng. Het was natuurlijk ook oorlog. Mijn gevoel voor de schoonheid van Delft, haar grachten…. dat heeft me in Nederland gered van verdriet, van eenzaamheid.”
Het “daar en hier” waren twee gescheiden werelden. In Nederland leefde het gezin geïsoleerd: “Ik wist helemaal niet dat we Indisch waren. Daar werd bij ons niet over gepraat. Ik was zeventien toen ik mijn moeder voor het eerst Maleis hoorde spreken. Er kwamen twee Malino-studenten [plaats waar de conferentie voorafgaand aan de onafhankelijkheid van Indonesië werd gehouden; Molukse studenten in Nederland] op bezoek en als geschenk hadden ze een trommeltje tjengkeh, kruidnagel, meegenomen. Wat een schok, ik kon mijn eigen moeder niet verstaan.”
Later, veel later, ging Wies op zoek naar wat Indisch zijn betekende. Ze las Maria Dermoût, ontdekte dat haar grootmoeder Louisa de naaister was van het gezin Dermoût, ging Indonesisch leren en verzamelde alles wat zij kon over Indie en dat koloniale verleden. “Als je aan mij vraagt, ben je Indisch, dan zeg ik: ja, ik heb een Hollandse vader en een Molukse moeder. Maar ik ben niet in een Indische gemeenschap opgegroeid, ik ben niet in een Molukse traditie opgevoed. In je belangrijkste jaren, van je 10e tot je 17e, leefde ik vrij geïsoleerd in Nederland, in een westerse wereld.”

Over haar moeder

Wies van Groningen-Metaal volgde op latere leeftijd in Nederland een opleiding Beeldende Vorming, was werkzaam in de Utrechtse Vrouwenbibliotheek en -documentatiecentrum, en volgde een schrijfcursus bij Astrid Roemer. In 1973 reisde ze met haar moeder door Indonesië en dacht: “dit ken ik, ik ben thuis”. Daarna werkte ze in de bibliotheek van het Moluks Historisch Museum. Sinds haar 60ste jaar schrijft ze, vooral over haar moeder Clara Hukom en daardoor indirect over de dochter van Clara die zij zelf is:

“Over het KNIL is genoeg geschreven, maar weinig over al die vrouwen met hun kinderen. Ze waren afhankelijk van het dienstbevel van hun man. Ook zij moesten de dagmarsen van Kotadjané naar Blangkedjerèn maken. Wat heeft dat voor mijn moeder betekend dat ze daar terechtkwam, in zo’n kleine militaire gemeenschap?”
“De titel van mijn laatste boek is: Is militair. Is militair. De invloed van mannen, mensen die macht naar zich toetrekken. Wat voor effect heeft een koloniaal systeem wel niet op een samenleving? De geschiedenis van Nederlands-Indië is er een van geweld. Ga maar na: Banda-kruidnagelmonopolie, Atjeh, Tweede Wereldoorlog, bersiap, KNIL, het geweld van Molukkers hier in de jaren zeventig. Op somige vragen die ik stelde, antwoorde mijn moeder met een zucht: ‘Is militair kind. Is militair.'”

Mijn voormoeders van de Molukken is het laatste boek van Wies van Groningen. Ze is 80plus en het lijkt of ze steeds dieper bij de essentie komt, naarmate ze ouder wordt. Daaruit kwam dit boek voort. En ze heeft een plan, dat even groots als kwetsbaar is. “Er zal wel veel kritiek komen,” vermoedt ze. Die zou weleens mee kunnen vallen. Eerst is er dit nieuwe boek.

“Nieuw,” aarzelt de schrijfster. “Nieuw is misschien een groot woord. Want er staan stukken in die de mensen al kennen uit mijn vorige boeken. Maar niet alles verscheen eerder en de lijn die ik erin heb aangebracht is zeker nieuw. De magische lijn van mijn voormoeders wilde ik zichtbaar maken, en ik wilde laten zien wat die lijn betekent, met een link naar adat.”

(tekst gaat verder onder de video)

Voormoeders

Wies trouwde met een Indische man en kreeg kinderen. Het leven was vol en druk, en dat had zo kunnen blijven als ze niet tot drie keer toe wakker was geschud.
De eerste keer: ze hoorde haar moeder Maleis spreken met Malino-studenten. “Die taal verstond ik niet. En hoe ze lachte, dat ze zo kon klinken, was ik vergeten.”
De tweede keer: op haar bruiloftfeest kreeg ze een grote taart van tante An Nikyuluw, die zei dat ik haar pela was. “Ik wist niet wat dat was, pela. Maar ik begreep dat het met bescherming te maken had.”
De derde keer was het haar voormoder Johanna zelf, die plaatsnam op een trapje in Wies’ tuin. “Door te verschijnen liet ze zien, dat voor haar de banden niet waren doorgesneden, dat ze me zou beschermen.” De lijn met voormoeders was getrokken en Wies had er een plaats in gekregen.

Familiegeschiedenis

Het klinkt zo mooi: een plaats innemen in je eigen familiegeschiedenis, verhalen verzamelen en vragen stellen. De werkelijkheid is weerbarstig. Niet iedereen van de ouderen vertelt even gemakkelijk over wat in het verleden ligt. Feiten als namen en jaartallen kunnen onvindbaar zijn.
Dat ondervond Wies, toen ze in 1992 naar het familiehuis in Oma reisde. “De familie heeft me vlak voordat ik wegging in het oude huis van de Hukoms gebracht. Er werd gebeden en ik kreeg de stamboom te zien, een grote rol papier waar wel namen maar weinig jaartallen op stonden. Omdat ik de taal niet sprak, is mij veel ontgaan. Het is toch iets traumatisch geweest, dat ik als kind mijn moeder hoorde praten zonder haar te verstaan. Of er een andere wereld zichtbaar werd, waarin ik misschien geen plaats zou hebben.”

KNIL-vrouwen

Dan is er nog dat ene grote plan: “In een flits dacht ik: er moet een monument komen voor de vergeten KNIL-vrouwen, dat kan haast niet anders. Honderden jaren lang zijn er vrouwen met hun man meegegaan, en waar zijn ze begraven? Niet alleen in de koloniale periode, maar ook tijdens de Bersiap zijn er veel vrouwen die geen graf hebben. Waar moet je dan een bloem leggen, als je niet weet waar je voormoeder is begraven? Dat monument moet voor de onbekende KNIL-vrouw zijn. Een plaats, om haar te kunnen ontmoeten en te eren.” Ze kijkt naar de kleine prauw in haar vensterbank en zegt zachtjes: “Er zijn zo veel voormoeders geweest die ergens, geen mens weet waar, begraven liggen.”

(Delen van dit artikel verschenen eerder in Marinjo en op de website Damescompartiment.nl. Foto en filmopname door Vilan van de Loo)


Wilt u ook over uw moeder schrijven? Dat kan. Op 2 oktober begint de korte cursus Schrijf het levensverhaal van uw moeder. U kunt meedoen als u al tien keer bent begonnen of als u  nog nul schrijfervaring heeft. Er is een aparte pagina over de cursus, ook met ervaringen van andere cursisten. Klik en lees hier  meer.  U kunt het ook, en ik help u graag.

Is er iemand uit Soerabaja in de zaal? (video)

Soerabaja

Marva’s marcheren door Soerabaja, 1949 (Wikimedia Commons/ Nationaal Archief)

Opeens kan het verleden in je handen vallen. Op de Tong Tong Fair kocht ik het telefoonboek van Soerabaja, maart 1946. Pas toen ik thuis was, begreep ik beter wat het was.

Voor de oorlog

Telefoongidsen uit Indië zijn heerlijk. Ik heb er een paar en soms kijk ik naar de rijen namen. Mensen. Organisaties. Clubs. Advertenties uit de vooroorlogse tijd fascineren me. Als ik een woord zie, dat ik herken, veer ik blij op. Zangrandi. Ja, natuurlijk, ijs. Hotel Homann, wat werd daar gedanst. Tosari, waar je naar boven ging. Woorden roepen herinneringen op.

In de oorlog

Dit telefoonboek is een getuige van de oorlog. De stad is veranderd, er zijn militairen gekomen die beslag op dit en dat hebben gelegd. Dat is te zien.
De taal is ook Engels.
Ik lees: Bakehouse Ender & Haug, Toendjoengan 46. Telefoon 1520
Daaronder staat: Bakehouse Ten Wolde, Kalisari 900.
Maar het R.K. Weeshuis voor meisjes heet anno 1946 nog steeds zo, met als hoofdpastoor A. Yist, adres Tempelstraat 5 met telefoonnummer 600.

Heeft u dat ook, bij het zien van telefoonnummers, dat u denkt: zal ik eens bellen?
Ik wel, ook al begrijp ik niet goed waarom de nummers zo ongelijk van lengte zijn.
Weet u dat?

(tekst loopt door onder de video)

In dit telefoonboek

Elke pagina van dit telefoonboek heeft twee kolommen, de tweede is voor notities. Die staan er ook in dit exemplaar. Een vaste hand maakte in potlood en in pen aantekeningen, namen en nummers staan erbij, helaas zonder een persoonlijke toelichting. Alleen iemand die de stad toen kende, zal begrijpen wat er staat.

Het jaar 1946 is voor de ene generatie een soort eergisteren en voor de andere generatie is het een eeuw geleden. Denk derde, vierde generatie. Die groeien op met nieuwsgierigheid en weten niet waar ze moeten beginnen met zoeken of vragen. Zeker straks met al die vieringen van 75 jaar bevrijd Nederland is het net of Indië niet meetelt. Daar was nog oorlog, volop, en steeds meer. Dat telefoonboek van Soerabaja is er een stille getuige van. Stil. Zwijgend. Om gehoord te worden, zijn er stemmen nodig. Stemmen van mensen die willen en kunnen vertellen: over hun leven, over hun ouders, over hoe de stad was.

Daarom heb ik het telefoonboek gedigitaliseerd. U kunt het downloaden: klik hier. Lukt het niet, mailt u me dan even want dan stuur ik het per mail terug.

En als er herinneringen opkomen… ik hou me aanbevolen. Want alleen dankzij u kunnen mensen als ik iets van Indië leren kennen en begrijpen.


Wanneer er een nieuw artikel verschijnt, mail ik een berichtje aan degenen die zich hebben ingeschreven. Dan hoeft u niet te zoeken. Inschrijven kan hier: klik op het plaatje hieronder. Bij inschrijving krijgt u meteen een ebook cadeau: Drie tips om herinneringen door te geven.

 

 

 

 

“We werden met open armen ontvangen” zei Ena Stok-van Es

Ena Stok-van Es   “We werden met open armen ontvangen”, zei Ena Stok-van Es. De volle zaal van het Bibit Theater joelde en lachte. Iedereen wist wat de schrijfster bedoelde: hoe koud Nederland had gereageerd op Indische Nederlanders die hier kwamen.

Ena Stok-van Es (1918-2008) is een van de leukste schrijfsters die ik ooit ontmoette. Vol herinneringen aan het Indische leven, spraakzaam, geestig en daarbij gebruikte ze heel vanzelfsprekend woorden als mieters.  Ze schreef verschillende boeken en ze werkte ook nog aan een boek dat Vriendelijk vaderland moest gaan heten – over die ontvangst dus. Dat boek is er niet meer gekomen. Jaren geleden interviewde ik haar voor de Tong Tong Fair.  Bij ons eerste gesprek had ze speciaal voor mij suikervrij hazelnootgebak gekocht. Het smaakte naar gesmolten plastic, maar voor Ena at ik het helemaal op en prees het uitvoerig, zodat ik een tweede stuk kreeg.

Oproep

Ik moest weer aan Ena denken toen ik deze oproep las van de Tong Tong Fair 2018:

Tijdens de 60e Tong Tong Fair plaatsen we de expositie ‘Naar Holland’, over de repatriëring van Indische Nederlanders. De tentoonstelling focust zich dit jaar op de periode 1952-1956, toen veelal Indo-Europese Nederlanders repatrieerden. Of was hun komst een vlucht? Ten behoeve van interviews zoeken wij Indische Nederlanders die in deze periode naar Nederland kwamen. Repatrieerde u in 1952-1956 en wilt u vertellen waarom u Indonesië verliet? Of bent u kind of kleinkind van een repatriant uit 1952-1956? Wat hoorde u thuis? Hoe heeft ú de ervaringen van uw ouders ervaren? Stuur een mail naar de samensteller van de tentoonstelling, dr. Margaret Leidelmeijer: margaret@leidelmeijeronderzoek.nl

Opname

Ena Stok-van EsWat had Ena hier geweldig over kunnen vertellen. Ze kon met humor (die een beetje pijn deed) herinneringen aan de kille ontvangst ophalen. Misschien was het juist die kilte, waardoor ze op latere leeftijd besloot naar haar geboorteland terug te gaan om daar onderzoek te doen voor de romans die ze wilde schrijven.

Had ze schrijfervaring? Ena bezat gezond verstand, optimisme en ze wist dat ze een belangrijk levensverhaal had. De kinderen waren benieuwd, al begrepen ze pas hoe een en ander zat bij het eerste boek.

Dat Ena de romanvorm koos, was goed gedaan. Zo was ze vrijer in het noteren van gevoelige passages, details die ze zich niet precies meer herinnerde kon ze in alle vrijheid aanvullen en het belangrijkste: ze had er veel meer plezier in.  Dat is te merken. De romans zijn meeslepend en spannend.

Het interview en de gesprekken die er waren,  heb ik niet gefilmd. Daar heb ik nu spijt van. Echt, dat gevoel alsof er iets in je hart wordt omgedraaid. Ik dacht er toen niet aan.  Ik durfde ook niet goed. Misschien nam ik aan, dat er altijd een ‘volgende keer’ zou komen. Dat er nog tijd genoeg zou zijn om dit en dat nog te vragen. Zo heb ik over meer mensen spijt. Die levensverhalen komen niet meer terug.

Ena Stok-van Es heeft gelukkig haar boeken achtergelaten met heel wat autobiografische elementen erin. U kent Het geurend goud van Banda toch wel?

 

Praktische schrijftip

Noteer voor uzelf de belangrijkste vragen die u heeft over de familie of uw leven. Maar een top tien, de belangrijkste vraag staat bovenaan. Wie zouden daar het antwoord op kunnen geven? Werk van de eerste vraag af naar beneden, zo weet u het belangrijkste het snelste.

Wat betekent het om Indisch te zijn in Nederland?

Met Marc Tierolf en op het tafeltje de ketjap van Oma Miet

Dit is de vraag die ik stelde tijdens mijn interviews op de Tong Tong Fair: wat betekent het om Indisch te zijn in Nederland? De antwoorden waren verschillend. Marc Tierolf blijft uitleggen wat Indisch is, en andere gasten zeiden dat ze eerst het IQ van de gesprekspartner inschatten om pas dan te beslissen of ze gaan uitleggen.

Jongere generaties

Want ja, Indisch zijn is nog altijd iets dat uitgelegd moet worden. Kennelijk. Wat treurig, eigenlijk. Er is ook vrolijker nieuws: de jongere generaties zijn actief op zoek naar verhalen, herinneringen, brieven en anecdotes en daarvoor hebben ze de oudere generaties nodig. Dus als u ooit denkt: ‘Waarom zou ik mijn herinneringen opschrijven?’ Dan is dit het antwoord: de jongere generaties zitten er wel degelijk op te wachten. Ze weten weinig.

Voorbeeld. Op de Tong Tong Fair interviewde ik de schrijfster Merel Hubatka over haar roman Norman. Die gaat eigenlijk over haar vader, een man die bestuursambtenaar was op Nieuw-Guinea. Na het gesprek stond een oudere heer op die zich meldde als kennis van haar vader. Dat was voor Merel bijzonder: om haar vader op een nieuwe manier te leren kennen. Door het bestuursleven van haar vader, zet Merel zich nu in voor zelfstandigheid van de Papua’s. Dat had haar vader nooit kunnen denken toen hij als jonge jongen brieven schreef naar de familie in Nederland.

Dus u ziet: elke generatie heeft een eigen verantwoordelijkheid. De ene generatie voor het bewaren en doorgeven. De andere generatie voor het ontvangen en verwerken. We hoeven alleen onze eigen verantwoordelijkheid te dragen.

De kinderen

In mijn talkshow De Eerste Generatie Show interviewde ik Frank Boon (83). Hij had zijn levensverhaal opgeschreven, dat uitgeprint bij de kopieerwinkel om de hoek laten inbinden. Simpel, goedkoop en praktisch. Daaruit las hij een passage over de Bersiap voor, een ellendig fragment. Dus ik vroeg: “Waarom heeft u dit opgeschreven? Er zijn genoeg mensen die de kinderen hier niet mee willen belasten.” En hij zei: “De kinderen hebben er recht op om alles te weten, ook de moeilijke dingen. Alleen dan kunnen we van de geschiedenis leren.”  Goed punt.

Spreekuur

En dan hield ik ook nog elke dag spreekuur voor de Indische Schrijfschool. Ik zat aan een tafeltje en wachtte op wie er wilde komen praten. Dat ging goed. Ik ontmoette cursisten (leuk!), luisterde naar levensverhalen (ontroerend) en kon voor een aantal bezoekers praktische schrijfproblemen oplossen (super). Volgend jaar hoop ik weer spreekuur te kunnen houden. En als u denkt: ga daar-of-daar ook eens heen, dan hoor ik het graag.

Praktische schrijftip

Herinneringen opschrijven hoeft geen groot project te zijn. U kunt beginnen met een rijtje jaartallen die belangrijk waren, namen van familieleden, plaatsen waar u heeft gewoond. Dat is voor latere generaties al een enorm houvast.

“Ik weet niet of ik Indisch ben” (2-3)

1 Tempo doeloe

Ik groeide op met Indische gewoontes.
De fles in de hoek op de grond van de w.c. was vanzelfsprekend.
Rijst eet je uit een diep bord met een lepel.
De Pasar Malam in de Rotterdamse Ahoy hallen.
Iedere vrijdagavond, met mijn moeder naar Toko Heezen in Rotterdam Zuidwijk.
Eerst nasi rames eten daarna ingrediënten bij elkaar zoeken voor soto ajam en snoeperijen voor bij de thee zoals spekkoek en kwee lapis.
De herinneringen van mijn moeder over haar jeugd in Indië met als telkens terugkerende slot scène: ‘Had opa ons maar daar gelaten’.
Als ik jarig was werd er tot laat in de avond gedanst op Indo-Rock.
Taugé oogsten uit een natte theedoek op de vensterbank.
Satésaus met spruiten.
Pencak Silat les bij ome Nico in de achtertuin.
Jaren later op bezoek bij ome Nico in Bronbeek.
Een batik sarong als tafelkleed.
Kroepia eten op de markt onder station Blaak.
Terwijl de treinen over je heen denderen.
Niks bijzonders, tot op het moment dat ik een klasgenootje ging ophalen om mee te voetballen.
Zijn moeder deed de deur open en zei: ‘Rini speelt niet met kinderen die een bruine moeder hebben!’
Met stomheid geslagen trok ik de deur achter me dicht.
Waar ik mij nog het meest over verbaasde was het “bruine” van mijn moeder.
Haar huidskleur was blank.
Omdat ik die middag niets beters te doen had liep ik vanaf de boerenzij (Rotterdam Zuid) door de Maastunnel naar het Volkenkunde museum aan de Willemskade.
Ik wilde weten waar dat “bruine” in onze familie vandaan kwam.
Als betoverd liep ik langs wajangpoppen, krissen, Balinese dansmaskers, Molukse voorouderbeelden en gamelan instrumenten.
Het is niet bij die ene keer gebleven.
Op een keer raakte ik verzeild in het archief van het museum.
Struinend langs rijen boeken over tempo doeloe, wachtend om ontdekt te worden.
Tempo doeloe, een historisch tijdperk uit de geschiedenis van Indonesië die, volgens Rob Nieuwenhuis (gezaghebbend auteur over de koloniale periode), het heden en het verleden tegelijk bevat.
De tijd die men niet heeft meegemaakt maar waarmee de relatie nog niet is verbroken.
Ik begon mij bewust te worden van mijn voeling met dat tijdperk en alles wat er uit voortvloeit.
Zoals in diergaarde Blijdorp.

Toen ik op zondagmiddag met de hele familie soep at bij opa en oma, zei tante Nel: “Ron, als je een keer gratis naar de dierentuin wil moet je tegen de kassa zeggen dat je iets aan je tante moet vragen die in de Winkel van Sinckel werkt”.
Als door een magneet aangetrokken liep ik regelrecht naar de tropische Rivierahal.
Overmand door de warmte, hoge luchtvochtigheid en de weelderige uit de kluiten gewassen kamerplanten waande ik mij in Nusantara.
Een Maleise aanduiding voor het Indische archipel.
Zittend onder een bloeiende Hibiscus, aan de betonnen rand van de vijver op een rotan stoel, luisterend naar de Beo kon ik even ontsnappen aan een instabiele thuissituatie.

2 Stille kracht

Ik heb op het voortgezet onderwijs, in Rotterdam-IJsselmonde Molukse en Surinaams-Javaanse vrienden gehad.
Op een keer tijdens de pauze kwam er een ambulance en politiewagen het schoolplein oprijden.
Na een half uur werden twee van mijn Molukse vrienden op brancards, in een trance achtige toestand, met geopende ogen naar buiten gedragen.
Later hoorde ik dat ze ruzie hadden en het met zwarte magie hebben uit gevochten.
Eén van hen had een band van haar om zijn nek.
We wisten zeker dat hij die voor de ruzie niet om had.
Nu we het toch over magie hebben.
Ik was ergens in de twintig en kampeerde met mijn vrouw op de Hoge Veluwe.
Iedere nacht verscheen er een oudere Indische dame in de trekkerstent, traditioneel gekleed.
Ze keek me aan en zei: “Naga, Garoeda, Naga, Garoeda, Naga, Garoeda.”
De hele nacht door. Tegen de ochtend verdween ze weer.
Ik weet tot op de dag van vandaag nog steeds niet wat dit te betekenen heeft.

3 Indisch meisje

Uit het fotoalbum van Ron

Nadat mijn droom om bosarbeider te worden was mislukt heb ik een tijdje als schoonmaker in een verzorgingshuis gewerkt, om uit de WW te blijven.
In één van de vele kamers, aan het einde van een lange gang, op de vierde etage, woonde een man.
“Mijn grote liefde was een Indisch meisje,” vertelde hij terwijl ik zijn w.c pot borstelde.
“Maar ik moest het uitmaken van mijn vader.
Mijn vader was de NSB burgemeester van Vlaardingen.
Ik ben daarna nooit meer verliefd geweest.
Ik heb helemaal niets tegen Indische mensen, vanwege haar.”
Op vijf mei kreeg hij geen gebakje van de verzorgsters.
“Vindt u dat niet vervelend?”, vroeg ik.
“Ik kan mij daar niet zo druk meer om maken, het went.”

In elke stad of dorp hoop ik een Indische toko te vinden.
Als we er één tegen komen vraagt mijn vrouw steevast of ik niet even naar binnen wil.
“Nee, hoeft niet hoor.”
“Ga nou maar.”
“Okay.”
Een uur later zit mijn rugzak helemaal volgepropt met allerlei soorten kroepoek, seroendeng, lempers en potjes sambal.

4 Istori kita (Jouw familiegeschiedenis)

Op de Tong Tong fair, nét voor sluitingstijd het boek Istori Kita van Simone Berger gekocht.
Een informatief boek over het leven in Indië en gespreksvragen die het verleden weer laten leven.
Toen ik s’ avonds laat thuis kwam begon ik er meteen in te bladeren en probeerde de vragen te beantwoorden om mijn familie kennis te testen.
Teleurgesteld legde ik het naast me neer.
Veel vragen bleven onbeantwoord
Vragen die smeekten om antwoorden.
De volgende dag een oom gemaild.
“Zou u mij alles willen vertellen wat u zich nog van Indië kan herinneren? En hoe was het voor u om als Indische Nederlander in Nederland op te groeien?”
Of ik aantekeningen mag maken.
“Heeft u nog foto’s en documenten?”
Ik heb hem in geen jaren gezien of gesproken.
Hij is de enige aan wie ik dit nog kan vragen.
Toen na twee weken de verlangde reactie uitbleef besloot ik de mail uit te printen en het via de post te proberen.
Niet alleen met lood in mijn schoenen, ook in mijn hoofd en in mijn armen.
Een laatste poging.
Als ik niet nóg een keer waag contact te zoeken verdwijnt er misschien een element uit het raamwerk dat Indië heet.
Alles in mij wil dit voorkomen.

5 Ik ben er nog

Op dat moment ging de telefoon.
“Wat leuk dat je langs wilt komen. En je mag alles opschrijven.”
Het mail adres die ik had gebruikt bleek verouderd.
Ik ben een paar keer verhuisd en heb verzuimd adres veranderingen door te geven.
Maar we hebben elkaar toch weer gevonden.
We spreken meteen af voor volgende week zondag.
In de trein tussen Rotterdam en Dordrecht neem ik de vragen door die ik had overgeschreven in een schrift.
Uit het boek dat mij heeft aangemoedigd een zoektocht naar het Indië van mijn familie te ondernemen.
Vragen die uitnodigen tot vertellen.
Het verre verleden omarmen.
Wat deden jullie na schooltijd, hoe heette jullie baboe, in welk kamp zaten jullie?
Waarom, wanneer en waar zijn opa en oma gescheiden?
De trein nadert het perron waar tante Marie gehuld in lange rode jas mij stond op te wachten.
We lopen, aan één stuk door, pratend over wat er in de jaren die achter ons liggen is gepasseerd.
In vogelvlucht.
Door een stadspark naar het huis waar ik te lang geleden voor het laatst ben geweest.
Ome Kees staat al in de deur opening te wachten.
“Hoe gáát het met je?”, vraagt hij terwijl hij mij naar binnen trekt.
“Goed,” zei ik.
Eigenlijk kon het, op dat moment, gewoon niet beter met mij gaan.
“En met u?”, vraag ik.
“Ik ben er nog.”
Ik loop achter hem aan de woonkamer binnen.

Ome Kees is de grote broer van mijn moeder.
Zij noemde hem altijd Keesie.
Hij is in 1938 geboren in Apeldoorn tijdens het verlof van mijn opa die bij de KNIL zat.
Voor mijn oma was dit haar eerste bezoek aan Nederland.
Na de technische school is hij gaan varen, om de thuis situatie te ontvluchten.
Daarna is hij in de revalidatie techniek gaan werken en kwam zo doende in allerlei zorg instellingen.
In één van die instellingen heeft hij tante leren kennen die werkzaam was als pedicure.
Ze is een echte Zeeuwse en schildert graag.
Samen hebben ze drie kinderen en kleinkinderen.
Na hun pensionering hebben ze een camper gekocht om door heel Europa te reizen.

 

Deel 1: klik hier –  Deel 3: klik hier

 

Maar waar was Paatje Phefferkorn? (filmpje)

Paatje Phefferkorn

Op de afgelopen Tong Tong Fair misten veel mensen Paatje Phefferkorn. Ik ook. Elke keer ging ik even bij de Rotonde kijken, want waar mensen dansen, daar is Paatje te vinden. Maar dit jaar niet. Bij de infobalie hoorde ik dat Paatje in Patria zit, een van de woonzorghuizen van Nusantara. Dus ik naar Patria.

Indruk

Meteen toen ik binnenkwam, voelde ik me senang. De sfeer was goed, warm en gezellig. Klein minpuntje: de toko was dicht en ik winkel zo graag. Maar ik kwam voor Paatje. Hij woont op de negende etage, vast met uitstekend uitzicht.

Ik wist niet goed wat ik moest verwachten. Paatje is 96 jaar. Hij ziet nogal slecht, hij is tamelijk doof en hij zit nu in een rolstoel. En in een woonzorgcentrum kom je niet zomaar.

Druk

In een vertrek even verderop van zijn kamer zat Paatje achter een tafel. Ik vroeg hem waarom hij niet op de Tong Tong Fair was geweest. Dat kwam door lichamelijke mankementen: “Ik zat met mijn ogen, weet je.” En ook door drukte: “Beneden was ook een passar. Het was druk hier, gezellig druk.”  Misschien had het ook iets te maken met de tijd die achter hem ligt. Thuis wonen ging niet meer, dus moest hij weg uit zijn woning in Zeist, waar ik hem een paar keer eerder had bezocht. Paatje: “Ik ben hier terecht gekomen, hoe weet ik zelf ook niet helemaal. Maar ik had een ongeluk gehad.” Er waren voortekens: “Dus dat was al een soort waarschuwing.”  En dan vertelt hij dat de moeilijke ervaringen uit de oorlogtijd sterker terug zijn gekomen: “Ik heb er nu nog de naweeën van.”

Mentaal sterk

De lichamelijke mankementen waren dan wat toegenomen, maar hij was nog altijd de man die hij was. Mentaal sterk. Hij traint “zowat elke dag”, vertelde hij. Ja, ondanks die rolstoel. Dat tekent hem als sportman: doen wat je wèl kunt, het gaat niet alleen om de bewegingen van het lichaam. “Innerlijke kracht,” legt hij uit.

Zoals altijd zit Paatje vol verhalen over Indië. Hij is bezield van een plichtsgevoel die door te geven, te vertellen aan de jongeren die hem komen bezoeken. Wanneer je 96 jaar bent, zijn bijna alle anderen die jongeren.  “Ik krijg veel bezoek van mensen die meer willen weten.”

Fijnste moment: aan het einde van het filmpje zegt Paatje toe dat hij volgend jaar naar de Tong Tong Fair komt. Hoera!

Ga naar de bovenkant