De voorvaders in Atjeh en Frits van Daalen

voorvaders

Er bestaat van Frits van Daalen (1863-1930) één foto waarop hij lacht. Eén! Dat is gek. In zijn tijd (het oude Atjeh) werd al volop gefotografeerd. Van Daalen was een hoge officier van het Oost-Indische leger, later commandant, ook gouverneur van Atjeh, en in het bezit van belangrijke Willems-Ordes.

En hij was Indisch, in zijn tijd zo ongeveer de Indische man die het állerverst kwam.
Dat je denkt: die moest de fotografen van zich afslaan.

Nee hoor.

Ik heb een kleine collectie bij elkaar. Altijd en eeuwig is Van Daalen beheerst, bij het harde af. Op die ene lachfoto is hij in Atjeh, hij bungelt in een hangmat. Op expeditie. Ontspannen. Een gezellige man.

Militair

Dan zie je opeens: zo was hij ook.
En u weet het misschien: Van Daalen is in de Atjeh-oorlog van veel ellendigs beschuldigd, en dan gaat het vooral over de militaire expeditie die hij in 1904 leidden. Het woord massamoord valt dan geregeld. Dus daardoor is iedereen meteen klaar met hem. Maar ik niet.

Indisch

Toen ik mijn biografie van Van Heutsz schreef, dacht ik: er is zo weinig over Van Daalen zelf bekend. Hoe was het voor hem om toen Indisch te zijn, zo zichtbaar aan de top? En wat gebeurde er nu werkelijk op zijn expedities en waarom? Hoe zag hij dat zelf? En hoe ging hij om met de lof en kritiek die hij als militair kreeg?
Zo begon ik dus met het puzzelen op het levensverhaal van Van Daalen. Er is een website: www.inatjehgevochten.nl

Voorvaders

De website gaat over Van Daalen en ook over voorvaders in het Oost-Indische leger, zoals het KNIL toen heten. Die horen toch ook bij onze geschiedenis? Ik dacht het wel.
Maar dat is tegenwoordig een moeilijk verhaal. Het is tegenwoordig lastig om hardop trots te zijn op een voorvader die in Atjeh heeft gevochten, want voor je het weet, begint iemand te schelden met “koloniaal”. Dat heb ik zelf ook meegemaakt. Het verbaasde me. En ik dacht: het gaat hier wèl om mannen die bereid waren te sterven voor de Nederlandse vlag. We kunnen van alles vinden van die oorlog en van de koloniale tijd, maar toen en daar bestond die bereidheid.

Namen

Achter de rug van Van Daalen staan al die voorvaders die ook een naam en een plaats in onze geschiedenis verdienen. Misschien is uw voorvader daar ook bij. Wilt u mij dat laten weten? Wanneer we hun namen kunnen noemen, krijgen ze een plaats in de geschiedenis, en zo horen ze er ook bij. En dat is wel zo eerlijk.


Wanneer er een nieuw artikel verschijnt, mail ik een berichtje aan degenen die zich hebben ingeschreven. Dan hoeft u niet te zoeken. Inschrijven door op het plaatje hieronder te klikken. Dan krijgt u meteen een ebook cadeau: Drie tips om herinneringen door te geven.

levensverhaal

Wies van Groningen over haar moeder Clara Hukom (video)

HukomClara Hukom leerde ik kennen door haar dochter Wies. Zij schreef over haar moeder. Mooie verhalen en boeken zijn het, waardoor ik langzaam vertrouwd werd met haar familie. Wies heb ik een paar keer ontmoet.

“Ik ben geboren in Blangkedjerèn, op Sumatra. Mijn Molukse moeder en mijn vader, een totok, hebben daar vijf jaren gewoond met hun kinderen. We hebben overal gewoond, in Batavia, Tjimahi, later ook in Bandoeng. Tussendoor gingen we naar Holland met een half jaar verlof. Zo ook in 1939, althans dat was de bedoeling. Maar in verband met de oorlogsdreiging besloot mijn moeder dat zij met haar kinderen in Holland zou blijven.”

Daar en hier

In 1929 werd Wies geboren als Louise Metaal, een meisje in een KNIL-kampement in het binnenland van Atjeh. Tien jaar was ze, toen zij in Delft moest gaan wonen. Dat beviel niet zo, vertelt ze: “Ik was op m’n hoede. Ik dacht dat de mensen boos op me waren, ze keken altijd zo streng. Het was natuurlijk ook oorlog. Mijn gevoel voor de schoonheid van Delft, haar grachten…. dat heeft me in Nederland gered van verdriet, van eenzaamheid.”
Het “daar en hier” waren twee gescheiden werelden. In Nederland leefde het gezin geïsoleerd: “Ik wist helemaal niet dat we Indisch waren. Daar werd bij ons niet over gepraat. Ik was zeventien toen ik mijn moeder voor het eerst Maleis hoorde spreken. Er kwamen twee Malino-studenten [plaats waar de conferentie voorafgaand aan de onafhankelijkheid van Indonesië werd gehouden; Molukse studenten in Nederland] op bezoek en als geschenk hadden ze een trommeltje tjengkeh, kruidnagel, meegenomen. Wat een schok, ik kon mijn eigen moeder niet verstaan.”
Later, veel later, ging Wies op zoek naar wat Indisch zijn betekende. Ze las Maria Dermoût, ontdekte dat haar grootmoeder Louisa de naaister was van het gezin Dermoût, ging Indonesisch leren en verzamelde alles wat zij kon over Indie en dat koloniale verleden. “Als je aan mij vraagt, ben je Indisch, dan zeg ik: ja, ik heb een Hollandse vader en een Molukse moeder. Maar ik ben niet in een Indische gemeenschap opgegroeid, ik ben niet in een Molukse traditie opgevoed. In je belangrijkste jaren, van je 10e tot je 17e, leefde ik vrij geïsoleerd in Nederland, in een westerse wereld.”

Over haar moeder

Wies van Groningen-Metaal volgde op latere leeftijd in Nederland een opleiding Beeldende Vorming, was werkzaam in de Utrechtse Vrouwenbibliotheek en -documentatiecentrum, en volgde een schrijfcursus bij Astrid Roemer. In 1973 reisde ze met haar moeder door Indonesië en dacht: “dit ken ik, ik ben thuis”. Daarna werkte ze in de bibliotheek van het Moluks Historisch Museum. Sinds haar 60ste jaar schrijft ze, vooral over haar moeder Clara Hukom en daardoor indirect over de dochter van Clara die zij zelf is:

“Over het KNIL is genoeg geschreven, maar weinig over al die vrouwen met hun kinderen. Ze waren afhankelijk van het dienstbevel van hun man. Ook zij moesten de dagmarsen van Kotadjané naar Blangkedjerèn maken. Wat heeft dat voor mijn moeder betekend dat ze daar terechtkwam, in zo’n kleine militaire gemeenschap?”
“De titel van mijn laatste boek is: Is militair. Is militair. De invloed van mannen, mensen die macht naar zich toetrekken. Wat voor effect heeft een koloniaal systeem wel niet op een samenleving? De geschiedenis van Nederlands-Indië is er een van geweld. Ga maar na: Banda-kruidnagelmonopolie, Atjeh, Tweede Wereldoorlog, bersiap, KNIL, het geweld van Molukkers hier in de jaren zeventig. Op somige vragen die ik stelde, antwoorde mijn moeder met een zucht: ‘Is militair kind. Is militair.'”

Mijn voormoeders van de Molukken is het laatste boek van Wies van Groningen. Ze is 80plus en het lijkt of ze steeds dieper bij de essentie komt, naarmate ze ouder wordt. Daaruit kwam dit boek voort. En ze heeft een plan, dat even groots als kwetsbaar is. “Er zal wel veel kritiek komen,” vermoedt ze. Die zou weleens mee kunnen vallen. Eerst is er dit nieuwe boek.

“Nieuw,” aarzelt de schrijfster. “Nieuw is misschien een groot woord. Want er staan stukken in die de mensen al kennen uit mijn vorige boeken. Maar niet alles verscheen eerder en de lijn die ik erin heb aangebracht is zeker nieuw. De magische lijn van mijn voormoeders wilde ik zichtbaar maken, en ik wilde laten zien wat die lijn betekent, met een link naar adat.”

(tekst gaat verder onder de video)

Voormoeders

Wies trouwde met een Indische man en kreeg kinderen. Het leven was vol en druk, en dat had zo kunnen blijven als ze niet tot drie keer toe wakker was geschud.
De eerste keer: ze hoorde haar moeder Maleis spreken met Malino-studenten. “Die taal verstond ik niet. En hoe ze lachte, dat ze zo kon klinken, was ik vergeten.”
De tweede keer: op haar bruiloftfeest kreeg ze een grote taart van tante An Nikyuluw, die zei dat ik haar pela was. “Ik wist niet wat dat was, pela. Maar ik begreep dat het met bescherming te maken had.”
De derde keer was het haar voormoder Johanna zelf, die plaatsnam op een trapje in Wies’ tuin. “Door te verschijnen liet ze zien, dat voor haar de banden niet waren doorgesneden, dat ze me zou beschermen.” De lijn met voormoeders was getrokken en Wies had er een plaats in gekregen.

Familiegeschiedenis

Het klinkt zo mooi: een plaats innemen in je eigen familiegeschiedenis, verhalen verzamelen en vragen stellen. De werkelijkheid is weerbarstig. Niet iedereen van de ouderen vertelt even gemakkelijk over wat in het verleden ligt. Feiten als namen en jaartallen kunnen onvindbaar zijn.
Dat ondervond Wies, toen ze in 1992 naar het familiehuis in Oma reisde. “De familie heeft me vlak voordat ik wegging in het oude huis van de Hukoms gebracht. Er werd gebeden en ik kreeg de stamboom te zien, een grote rol papier waar wel namen maar weinig jaartallen op stonden. Omdat ik de taal niet sprak, is mij veel ontgaan. Het is toch iets traumatisch geweest, dat ik als kind mijn moeder hoorde praten zonder haar te verstaan. Of er een andere wereld zichtbaar werd, waarin ik misschien geen plaats zou hebben.”

KNIL-vrouwen

Dan is er nog dat ene grote plan: “In een flits dacht ik: er moet een monument komen voor de vergeten KNIL-vrouwen, dat kan haast niet anders. Honderden jaren lang zijn er vrouwen met hun man meegegaan, en waar zijn ze begraven? Niet alleen in de koloniale periode, maar ook tijdens de Bersiap zijn er veel vrouwen die geen graf hebben. Waar moet je dan een bloem leggen, als je niet weet waar je voormoeder is begraven? Dat monument moet voor de onbekende KNIL-vrouw zijn. Een plaats, om haar te kunnen ontmoeten en te eren.” Ze kijkt naar de kleine prauw in haar vensterbank en zegt zachtjes: “Er zijn zo veel voormoeders geweest die ergens, geen mens weet waar, begraven liggen.”

(Delen van dit artikel verschenen eerder in Marinjo en op de website Damescompartiment.nl. Foto en filmopname door Vilan van de Loo)


Wilt u ook over uw moeder schrijven? Dat kan. Op 2 oktober begint de korte cursus Schrijf het levensverhaal van uw moeder. U kunt meedoen als u al tien keer bent begonnen of als u  nog nul schrijfervaring heeft. Er is een aparte pagina over de cursus, ook met ervaringen van andere cursisten. Klik en lees hier  meer.  U kunt het ook, en ik help u graag.

Het levensverhaal van Frits van Daalen

Frits van Daalen“Ten slotte nog dit: Van Daalen was een ‘Indische jongen’ en gaarne wezen wij steeds op hem wanneer de Indo-Europeanen weer eens klaagden, dat ‘den Indo werd belet om iets te bereiken’ .”

Dit komt uit Het Vaderland, februari 1930, bij het overlijden van Frits van Daalen (1863-1930). Hij was commandant van het Nederlands-Indische Leger (het latere KNIL) geweest en hij had bij leven verschillende hoge onderscheidingen ontvangen:

  • Militaire Willems-Orde vierde, derde en tweede klasse
  • Commandeur in de Militaire Willems-Orde
  •  Kroonorde, versierd met de eresabel
  • Ridderkruis 1e klasse van de Orde van de Kroon van Pruisen
  • Ridder in de Orde van den Nederlandschen Leeuw

Zijn hoge rang van luitenant-generaal had hij vermoedelijk vooral aan koningin Wilhelmina en minister Idenburg te danken. De bevordering kwam erdoor om hem voor de krijgsmacht te behouden; en dat lukte. Van Daalen had het onderspit gedolven tijdens het roemruchte conflict met gouverneur-generaal Van Heutsz. Die periode moet de moeilijkste tijd in zijn leven zijn geweest. De kameraadschap tussen deze twee mannen werd verbroken.

Sinjo

Terug naar wat Het Vaderland schreef: ‘een lichtend voorbeeld’. De krant bedoelt: hij was een uitzondering. Rond 1900 kende het leger in Indië vrij weinig hoge Indische officieren. Hoe hoger, hoe minder. Frits van Daalen was dus zichtbaar, hij viel op. Ik heb brieven van officieren gelezen, waarin hij als ‘sinjo’ werd aangeduid, een akelig scheldwoord als het op die manier gebruikt wordt: een Hollandse man die een Indische man een figuurlijke schop wil geven. Op zijn beurt had Van Daalen een scherp woord over voor totoks die de inheemse bevolking niet konden begrijpen – hij wel.

Hoe was hij? Als koloniaal militair hard en daarmee succesvol, maar ook omstreden vanwege die hardheid. De kritiek kwam, maar de gebieden die Van Daalen veroverde, bleven in koloniaal bezit. Dat is het typische gedrag van de regering in Den Haag. Wel het resultaat nemen, en de man die dat resultaat heeft bereikt, bekritiseren.
Als koloniaal bestuurder kreeg hij de meeste kritiek. Weer vanwege hard optreden, wat ook tot uiting kwam in zijn rechtspraak.
Als mens: loyaal, gevoelig, een temperament dat kon oplaaien, trots. Intelligent met een taalknobbel, gevoel voor kunst. Echtgenoot, vader, grootvader.

In 1914 sloot hij zijn carrière in Indië af. Hij ging met pensioen en besloot in Den Haag te gaan wonen. Over het grote confict met Van Heutsz heeft hij altijd gezwegen, uit liefde voor Atjeh, het leger en het vaderland, en ook omdat hij recht verwachtte.
Dat kwam niet. Dus zo ging Van Daalen de geschiedenis in: negatief. De nazaten van Van Daalen lijken min of meer ondergedoken te zijn. Daar kan ik me iets bij voorstellen.

En nu? Dat staat te bezien.

Indisch in het leger

Vorige maand verscheen mijn biografie van Van Heutsz. Af is af, maar Van Daalen blijft in mijn hoofd zitten. Wat heeft hij nu werkelijk gedaan voor goeds en voor slechts, en wat waren roddels? Hoe zag hij het zelf? Hoe was het om door iedereen gezien te worden als die ene Indische officier?

U voelt het al aankomen. En ja, ik ga dus op zoek naar het levensverhaal van Frits van Daalen. Daarbij zoek ik ook naar het verhaal over een militair met een Indische achtergrond, en hoe dat in de periode ban voor de Tweede Wereldoorlog was. In december komt er een speciale middag over Indische voorvaders in het leger. Over wie ze waren en hoe dat voor nazaten is. Daarbij bent u van harte welkom en ik stuur te zijner  tijd nog meer informatie.

Mijn vraag:
Heeft u een Indische voorvader die toen in het leger zat? En weet u daar nog iets van?

 


Wanneer er een nieuw artikel verschijnt, mail ik een berichtje aan degenen die zich hebben ingeschreven. Dan hoeft u niet te zoeken. Inschrijven kan door op het plaatje te klikken. Dan krijgt u meteen een ebook cadeau: Drie tips om herinneringen door te geven.
indische schrijfschool

“Ik weet niet of ik Indisch ben” (3-3)


6 Aftrap

Tante komt met koffie en een dienblad vol speculaas aanlopen.
Ondertussen kijk ik de huiskamer rond.
Geen schilderijtjes met sawa’s aan de muur en meer van dat soort dingen.
“Pak zoveel koekjes als je wilt het staat ervoor’.”
Ome Kees neemt de aftrap, buigt zich voorover en zegt: “Ik heb een keer, in Leerdam, als scheidsrechter twee Molukse voetballers aangesproken omdat ze Maleis spraken met elkaar, tijdens de wedstrijd.”
“Adakah anda mahu bercakap di Belanda,” riep ik vanaf het middenveld.
“De jongens vonden het geweldig!
Ze kwamen na de wedstrijd naar mij toe om te vragen hoe het komt dat ik Maleis spreek.”
Ome Kees heeft een opening gecreëerd, speelt de bal naar mij toe.
Ik krijg de kans recht op mijn doel af te gaan.
Hij gaat weer achter over leunen in zijn fauteuil en wacht rustig af.
Blijkbaar heeft hij zich ook voorbereid.
“Oom,” begon ik aarzelend, “wat heeft u toen geantwoord?”
“Oh, dat het vanzelf ging.
Ik had veel inlandse vriendjes hoewel opa liever had dat ik alleen met Hollandse kinderen speelde.”

Opeens staat hij op, loopt naar de eettafel, pakt een groot wit boek en ploft naast me neer op de bank.
Het lijkt wel een foto boek.
Volgens mijn moeder waren er geen foto’s meer.
Hebben ze alles achter moeten laten.
Tante ruimt de koffieboel op, zet de salontafel vol met flesjes en blikjes limonade en een schoonmaak emmer tot aan de rand toe gevuld met cassave kroepoek.
“Lekker pakken hoor,” voegt ze er aan toe.

7 Het boek gaat open

Uit het fotoalbum van Ron

Als een dalang bezield, vertelt hij met zijn verhalen de zwart – wit foto’s.
Moment opnamen van familie leden die mij leken te verwelkomen in hun wereld.
Ook de familie geheimen moesten er aan geloven en ontkwamen niet aan de tong van ome Kees.
Ze werden stuk voor stuk ontmanteld en prijs gegeven.
Geheimen die hij als een last met zich meedroeg.
Ome Kees knijpt in mijn arm: “Ron je moest eens weten hoe blij ik nu ben.”
Zijn ogen straalden.
Dan pakt hij de draad weer op.
Hij verteld over Depok, waar hij met mijn moeder en tante een tijdje in de kost zat bij een Madurese vrouw omdat opa naar Aceh moest en oma niet in staat was om voor hun te zorgen.
Hoe hij door een pater van het Vincentius gesticht in Batavia het hele internaat werd doorgeslagen omdat hij van het geld, bedoeld voor een slof sigaretten, snoep en fruit op de pasar had gekocht voor zijn zusjes en hierdoor ook nog eens veel te laat terug was.
“Wij hebben een tijdje bij jou overgroot ouders ingewoond in Yogjakarta.
Jouw overgroot opa, de vader van jou oma, was toen regent.
Oma is door een Jap in haar gezicht geslagen omdat ik niet diep genoeg boog.
Ik was nog maar vijf jaar.”
De oma van oma was een Chinese en heette Kang Nio.
Raden Mas Poerwatmoadjo hoorde ook bij de familie.
“Niet bepaald moeders mooiste,” zei hij nadat we de foto een tijdje zwijgzaam in ons hadden opgenomen.
“Trouwens nu ik zo naar je kijk heb je die lelijke kop niet van een vreemde.”
We barsten allebei in lachen uit.
Ondertussen had tante de eettafel gedekt.
“Komen jullie?”

“Dat smaakt lekker zeg, hoe heeft u dit klaargemaakt?”
“Oh, dit is maar gewoon uit een zakje hoor,” zegt tante bescheiden.
“Ja Ron, je tante kan héél goed Indisch koken.
Indisch eten mislukt nooit, het smaakt gewoon iedere keer anders.
Dat vind ik nou zou bijzonder aan Indisch eten.”
“Zal ik nog een keer opscheppen?”
Ja, graag!
Ome Kees kijkt op van zijn bord en vraagt: “Ron hoe komt het dat jij zo met Indië bezig bent?
Waar komt die belangstelling vandaan?
Onze kinderen hebben dat helemaal niet.”
Ik vertelde hem dat ik mij er altijd mee verbonden heb gevoeld, dat ik mij daar niet bewust van was maar dat het sinds mijn elfde, door een onverwachte gebeurtenis, een hobby is geworden.

8 Je opa zou anders gereageerd hebben

“Oom, hoe vind u het eigenlijk dat ik bevriend ben met een Japanse kunstenaar?”
Vraag ik hem terwijl de laatste restjes nasi goreng, sambal boontjes en kip boemboe Bali naar binnen geschoven worden.
“Daar hoeft je niet over in te zitten hoor.
Hij kan er toch ook niets aan doen.
Ik ben trouwens gek op Japans eten.
Sushi, daar kan je me onder begraven.
Ik denk dat je opa anders gereageerd zou hebben.”

Opa zou anders gereageerd hebben omdat hij als krijgsgevangene, in een jappen kamp, aan de Birma spoorlijn in een te kleine bamboe mand werd gepropt.
Voor iets wat een ander had gedaan.
Uren later werd hij gekruisigd.
Aan een horizontale balk.
In de brandende zon.
Terwijl er ijswater op zijn kaal geschoren hoofd druppelde voelde hij iets knappen.
Zwevend tussen hemel en aarde werd hij gek, zoals hij dat zelf verwoordde.
Hiervoor moest hij zich van tijd tot tijd laten opnemen in Bloemendaal, Loosduinen.
Soms gedwongen, soms vrijwillig.
Om behandeld te worden voor het Kampsyndroom.
Er was geen begrip voor de oorzaak van zijn gedrag.
Hij werd hierom als persoon afgewezen.
Ome Kees beweert dat als opa de therapieën had gekregen die veteranen nu krijgen hij minder lastig voor zijn omgeving zou zijn geweest en voor zichzelf.

Ik herinner mij opa juist als een hele leuke en aardige man.
Als hij bij ons thuis op bezoek kwam verstopte hij briefjes van tien gulden door het hele huis.
Als ik ze vond, soms dagen later, mocht ik ze houden.
Tijdens schoolvakanties ging ik vaak bij opa en oma (zijn tweede vrouw)logeren, in Middelburg.
Wij doorkruisten samen op de Solex het Zeeuwse eiland Walcheren.
Met mijn voeten in de fietstas.
Onderweg sprak hij Indische mensen aan, in het Maleis.
Tijdens een rookpauze in een bushokje, tussen de aardappelvelden, vertelde hij dat als zijn shag en soldij op was hij gedroogde olifanten poep rookte.
Voor vloeipapier scheurde hij blaadjes uit de bijbel, die hij van de aalmoezenier had gekregen.
Hij begon bij Genesis, zo rookte hij de hele bijbel door en zo is zijn streng Calvinistische opvoeding in rook op gegaan.
Als de vakantie voorbij was en ik weer naar huis moest kreeg ik altijd een gekleurd plankje mee.
Picasso achtige vormen met spijkertjes en draadjes.
Gemaakt tijdens bezigheid- therapie.
Ik heb ze nog lang bewaard.

9 Jaloers

Na het eten vraagt ome Kees: “Hé heb jij soms zo’n ding bij je, zo’n telefoon waar je ook foto’s mee kan maken?”
“Ja.”
“Nou, je mag anders best foto’s maken van het boek.”
“Echt?”
Ik dacht dat hij het nooit zou vragen.
Ik ben altijd stik jaloers geweest op mensen die familiefoto’s uit Indië hebben.
Tijdens het fotograferen gaat ome Kees verder met vertellen.
Dat er een mangaboom op het erf stond.
Dat een neef was verdronken in een draaikolk, tijdens een korte vakantie.
“Wist je trouwens dat ik een tijd op de Sibajak heb gewerkt, dat ik daar de Tielman brothers heb ontmoet?”
“Nee, maar oom zullen we het daar een andere keer over hebben? Ik wil er graag alles over weten, het is inmiddels best wel laat geworden.”
“Oh, ja, tuurlijk jongen.”

10 Beb Vuyk

Terwijl ik mijn jas aan doe wijst tante naar een boek op een grenen dressoir beschenen door de ondergaande zon.
“Kan die nog in je tas?
Hij is nog van je moeder geweest.
Die roze papiertjes heeft ze er zelf nog tussen gestopt.
Ik heb ze er in laten zitten.”
Het is een kookboek van Beb Vuyk.
Nooit geweten dat mijn moeder hieruit kookte.
“Beb Vuyk heeft ook hele goeie romans geschreven.”
“Ja, dat weten we,” antwoorden oom en tante tegelijkertijd.
“Onze zolder ligt vol met Indische boeken.
Als wij er niet meer zijn mag jij ze hebben.
Moet je ze wel zelf op komen halen natuurlijk.”

In de trein terug naar huis haal ik het schrift tevoorschijn.
Helemaal vergeten vragen te stellen en aantekeningen te maken.
Maar ik mag zo vaak bellen en langskomen als ik wil.
De deur staat altijd wagenwijd open.
Ik ben meer te weten gekomen dan ik had durven vragen.
Wat het echt met mij heeft gedaan is met geen pen te beschrijven.

Voor deel 1 klik hiervoor deel 2 klik hier

Ga naar de bovenkant