pidjit
Krak deed mijn rug vorige week en het toen wist ik niet meer hoe ik moest zitten, staan of lopen. De huisarts adviseerde flinke pijnstillers en wandelen “zonder fiets vast te houden”- en nu kan ik weer zonder nadenken mijn sokken aantrekken, waarvoor ik me bij elke sok intens dankbaar voel.

Toekan pidjit

Ik dacht wel, had ik maar een toekan pidjit in de buurt gehad. Maar ja. Die zijn er niet veel. In de oude Indische kranten vond ik in de toen beroemde columnist Brammetje een lotgenoot. Ook hij had een krak in zijn rug gehad. En wat deed hij? Zich laten masseren door het voltallige mannelijke personeel van het huis waar hij verbleef.
Doe mij zo’n huis.
Doe mij zoveel mannen die kennelijk goed kunnen pidjitten.

Dit was mijn eerste kennismaking met pidjit. In het hotel in Jakarta vroeg de masseuse aan mij of ik hard of zacht wilde. Ze was de helft kleiner dan ik.
Ik dacht: nou, ik wil wel wat vóélen.
Dus ik zei: “Hard, graag”.
Al bij haar eerste aanraking beet ik op mijn lip.
Hard was inderdaad hard. Maar o, wat voelde ik me goed erna.

Is pidjit in Nederland anders dan in Indonesië of in het oude Indië? Als u dat weet, is het belangrijk om het op te schrijven en door te geven. De jongere generaties willen het weten.

Hieronder het vermakelijke artikel van Brammetje uit het Soerabaijasch Handelsblad van 1934.

Physical culture

Het zit in de lucht of het komt met de lente! En het was een jeugdige, rietjesslanke en desondanks spierkrachtige dame, die het begrip nader en daadwerkelijk tot ons bracht — physical culture! „Jij bent net tweeënveertig en kijk nou die buik eens!”, verweet ze den makelaar, „nog twee jaar en je wordt een ton! En waarom hebben jullie allebei ongezonde, pietluttige kleurtjes? En waarom raken Jullie achter je adem als Je eventjes moet spurten voor een tram of een taxi? En waarom begin nu al te klagen over heuprheumatiek en over steken in je groote teen? En als jullie even transpireeren, blaft de roode hond! En als he een diepe kniebuiging maakt, wordt je duizelig! En..

[.. .] “En allemaal”, ging de vaardige vrouw onverstoorbaar door, „allemaal omdat jullie je lichaam, je spieren en je zenuwen verwaarloozen! Physical culture, mannen! Physical culture is. ”

En toen vertelde en demonstreerde ze, wat physical culture beteekent. Het leek een wonder van gratie en lenigheid en soepelheid en kromming en lijn.

„En als jullie nu een radio koopen en elken ochtend het gymnastiekuurtje volgen”, besloot ze, „dan behoeft het tenminste niet hopeloos te worden. En weinig vleesch, veel groente, niet te veel vet en meelspijs, geen bier en geen pait, maar Rohstoffe!” „Grasjes grazen en appeltjes plukken”, zuchtte de makelaar, „enfin, we zullen kijken….” „Maar er is geen sprake van een radio”, waarschuwde ik, „kan er niet af! Dan moet het maar uit een boekje, hoor!” En het gebeurde uit een boekje, welwillend door de propagandiste geleend.

Krak

[…] Het werden droeve en grauwe kwartiertjes — ’s ochtends van kwart voor zeven tot zeven uur. ’s Avonds voor het naar bed gaan, namen we de theorie — kniebuiging, armheffing, rompdraaien, hals losmaken, borst verruimen, alles met tel en tusschentel. En in den grijzen ochtend en uitsluitend een pendekje op een vrij stukje achtergalerij, onder het gegrinnik van de kokki en tot onuitsprekelijke vreugde van den kebon uit Bintang Pisangan, deden we de praktijk.
„Dieper doorzakken!”, waarschuwde ik den makelaar, die bij een diepe kniebuiging een hoeveelheid onverplaatsbare bulk overhoudt. „Zak zelf!”, snauwde die sportman. „Jij zit net of er iets gebeuren moet! En steek nou je rechterbeen eens uit als je kunt!”
En dat is juist op onzen leeftijd het gevaar bij physical culture: de provocatie! Want als je vroeger, vlot en lenig, een lendenzwaai en een vogelnestje kon maken…. en dus stak ik m’n been uit, en toen deed er van binnen iets „krak” — en vijf minuten later lag ik weer te bedde en geurde het huis naar kajoepoetih en kamferspiritus en Emulsin, en in normale tijden zou ik op staanden voet een arts hebben geraadpleegd. Nu werd het een nummertje pidjit door het voltallige mannelijke personeel.

Zwemmen

[… ] „Jullie zijn geen mannen”, constateerde Hare Lieftalligheid, „jullie zijn ouwe heeren! Kom morgen maar eens in het zwembad! Dan behandel ik jullie zelf! Maar denk eraan: niet in zoo’n ouwerwetsch zwempak, hoor! Zwemmen is veredelde zedigheid! Dus een vroolijk kleurtje en flink open, zoodat de zon bij je huid kan. Negen uur precies!”
„Daar gaat je Zondag”, voorzag de makelaar. En hij ging inderdaad. Op Pasarbaroe hebben we de uitrusting gekocht — zuinigheidshalve. De makelaar koos iets in rood met een oranje-neerslag, ik werd blauw-met-brons. Maar toen we ’s avonds pasten…
„Man, dat kan niet!”, brulde de makelaar, toen ik in dat compleetje stond, „dat is revue!”
„En wat ben jij?”, vroeg ik ernstig en wees op den spiegel. En toen we elkaar samen in volledige kleurenweelde voor het niets verbergende glas stonden:
„Het is e r g”, erkende hij. „Dat is niet meer te repareeren”, voorzag ik zuchtend.

[…] „Maak nou voort”, eischte onze trainster, „kunnen jullie zwemmen?” We snoven verachtelijk — stel je voor niet kunnen zwemmen! En toen begon het! Geen sprake van eerst nog even een sigaretje, en dan op het kantje langzaam aan het kouwe water wennen — floep! ik een duw, hij een duw — en daar lagen we, in het diepe en tegenover een onmogelijken afstand tot het veilige ondiepe! „Schoolslag!”, commandeerde zij van het kantje. Ik weet niet eens wat schoolslag is — ik trap met m’n beenen en ik sla met m’n armen en. ik houd zorgvuldig m’n adem in en m’n mond dicht om niets binnen te krijgen, en dan blijf ik als regel drijven.
[…] Elk protest, elk onhartelijk woord woof onze leidsvrouw weg — elke poging om even in de schaduw uit te blazen werd gesmoord.
„Zon is leven en gezondheid”, hield zij hardnekkig vol — en eischte dat we zouden duiken!
Nooit van m’n leven”, weigerde ik resoluut, „daarmee heb ik de grootste ongelukken zien gebeuren! Mensch, als je uitglijdt, of als die plank bréékt…” „Bah!”, snoof de lieftallige — en demonstreerde een juweel van een snoeksprong.
„Als je een man bent”, riep ze vervolgens vanaf de watervlakte en zóó, dat de omgeving het hooren moest”, „als je een man bent, doe je het na!”
„Dan maar geen man,” berustte ik — na die diepe kniebuiging en die beenbreuk laat ik me niet meer provoceeren. Maar de makelaar…. „jij bent geen vent!”, stelde hij vast, beet in de provocatie, nam een aanloop, zette af en…het werd één van-de wonderlijkste sprongen, die ik ooit zag mislukken. Het werd geen zweefsprong, het werd geen salto, maar het werd van alles wat. En volgens een betrouwbaren kennis was de klap, waarmee de buik van mijn huisgenoot de watervlakte trof, tot achter in de restauratie te hooren; het heele bad werd er, na de eerste verrukking, stil van. En zoodoende bleef dit het voorloopige slotnummer.

Athopan

[…] “Krankzinnig!”, oordeelde de groothandel, die op ziekenbezoek kwam, en dat op jullie leeftijd!” Wij zwegen berustend. „Waarom zul je de natuur geweld aandoen?”, vervolgde hij onderwijzend, „als Je een buik moet hebben, neem dan die buik! Als je kaal moet worden, aanvaard het! Als je rheumatiek voelt, slik dan Atophan! En als je dorst krijgt, drink dan bier!”… Dientengevolge zwemmen we weer in de koele schaduw van de vertrouwde badkamer. En het gymnastiekkwartiertje van den N. I. R. O. M. is ons worst…