Pa van der Steur jubileert (met audio: Pa spreekt tot zijn kinderen)

Pa van der SteurIn 1938 was Pa van der Steur beroemd in Indië. Iedereen kende zijn tehuis, waar hij kinderen van militairen in opving. Hij had ook logerende kinderen. In het Soerabaiasch Handelsblad van dinsdag 26 april 1938 stond een interview met Pa. Het typeert hem: de nadruk op geld nodig, de groei van het tehuis en het blijvende groei van het aantal kinderen. In mijn biografie van Pa ga ik ook in op zijn zorg voor militairen, want daarvoor ging hij eigenlijk naar Indië. Hier volgt het interview.


Een terugblik

De afgeloopen Zondag was een zeer bizondere dag: voor het Oranje Nassau Gesticht te Magelang; toen herdacht Pa van der Steur in allen eenvoud den dag dat hij voor veertig jaren als godsdienstleeraar in dienst trad van het Protestantsche Kerkbestuur te Batavia.

Des morgens werd hij bij het ontwaken door 188 jongens van 6 tot 12 jaren verwelkomd, die een lied zongen; de godsdienst-oefening in het kerkje van het gesticht droeg een zeer bizonder cachet, en in den namiddag kwam de kerkeraad van de Protestantsche Kerk te Magelang hem gelukwenschen. Ook was er in den loop van den dag een gelukwenschtelegram van het
Kerkbestuur te Batavia gekomen.
Den 24sten April 1898 – bij besluit No. 8 – kwam Pa van der Steur in dienst van het van het Protestantsch Kerkbestuur in Indië.
Wij hebben een onderhoud gehad met den jubilaris, die niettegenstaande zijn hoogen ouderdom nog steeds de dagelijksche leiding heeft van het gesticht, dat thans niet minder dan circa duizend kinderen telt.

Den 10den September 1892 vertrok Pa van der Steur als geordend zendeling van de Baptistenkerk met de „Conrad” uit IJmuiden, om in de laatste dagen van de maand October van hetzelfde jaar in Indië te arriveeren.

Het eerste begin

Pa van der Steur

Pa van der Steur temidden van ‘Steurtjes;, circa 1899.

Den 4den April 1893 begon Pa van der Steur met den arbeid ten behoeve van het misdeelde Indische kind waarmede hij zoo groote bekendheid en populariteit verwierf. Op dien dag nam hij een viertal weeskinderen ln zijn huis en snel groeide het aantal.
Het spreekt vanzelf dat zijn gesticht vrouwelijke hulp niet kon ontbeeren. Eerst vond Pa van der Steur een zijner zusters bereid bij zijn werk behulpzaam te zijn. Den 4den April 1907 trad hij in het huwelijk met Anna Maria Zwager, die spoedig als Moe van der Steur bekend was.
Van de vier kinderen, die het eerst door Pa van der Steur opgenomen werden, is er nog één in leven en van haar kreeg Pa van der Steur tot zijn groote blijdschap dezer dagen een brief, een taart en bloemen.
Het gesticht was eerst ondergebracht in een heel eenvoudig huisje in Wates (Magelang), dat thans nog bestaat en door een hoefsmid geoccupeerd wordt. Het bleek reeds spoedig noodig te zijn loodsen bij te bouwen en nevenstaande huizen te huren om het stijgende aantal kinderen te bergen.
Het waren toen jaren van harden strijd, en groote moeilijkheden, vooral van financieelen aard, moesten overwonnen worden. Het gebeurde dikwijls dat men des avonds het geld nog niet bijeen had voor de passar-inkoopen van den volgenden dag; maar dan kwamen de Jannen te hulp en met de woorden: „vooruit Jongens, voor de kinderen van onze kameraden!” (het waren hoofdzakelijk
soldatenklnderen, die Pa van der Steur ln zijn gesticht had) ging men met den helm rond en zoo kreeg Pa van der Steur dan het geld om den volgenden dag de hongerige magen van zijn pupillen te vullen.
„Maar”, zoo voegde Pa van der Steur er aan toe, “al die kinderen, die met mij den harden tijd hebben meegemaakt ln die eerste jaren en die dikwijls de honger rond ons huis zagen waren, zijn goed terecht gekomen.

De aanstelling tot predikant

U vraagt mij hoe ik tenslotte godsdienstlee raar geworden ben? Dat ging als volgt: Ik was – nu meer dan veertig jaren geleden – bij een onderwijzersfamilie hier ter stede te gast. Zij klaagden over het feit dat de Roomsche kinderen twee keeren in de week godsdienstonderricht kregen, terwijl de Protestantsche kinderen in Magelang een catechisatie hadden. Dat kwam omdat er in die jaren slechts één predikant was voor Djocja en Magelang en voor laatstgenoemde plaats bleef slechts heel weinig tijd over. Onmiddellijk kwam de gedachte in mij op dat ik in Magelang wel godsdienstonderwijs zou kunnen geven; ik stelde mij met den predikant in Djocja in verbinding en het was voor elkaar.
Het was in 1896 of ’97 dat resident P. M. L. de Bruin Prince in Magelang kwam. Hij stelde veel belang in mijn werk en bezocht met zijn echtgenoote het oude tehuis, waar hij onder andere het kerstfeest heeft bijgewoond.
Resident de Bruin Prince vroeg mij of ik voor ’t werk op de scholen, eigenlijk dus het werk van een predikant, een toelage kreeg.
Op mijn ontkennend antwoord bood hij mij aan een gratificatie van ƒ 1000 te zullen aanvragen. Natuurlijk heb ik het aangenomen, want het geld zou ik voor mijn gesticht best kunnen gebruiken.
Er is toen tusschen resident de Bruin Prince en het Protestantsch Kerkbestuur te Batavia gecorrespondeerd en het resultaat was dat ik officieel benoemd werd tot predikant met een maandelijksch salaris van ƒ 150. Eerst kwam ik in tijdelijken dienst, doch vrij spoedig volgde mijn vaste aanstelling.

Ik heb die benoeming echter op één voorwaarde aangenomen: dat men mij zou laten werken, zooals ik dat wensch en dat men mij in geen enkel opzicht aan banden zou leggen, want ik wil in mijn werk de inspraken van mijn hart volgen.
Met groote waardeerlng spreekt Pa van der Steur dan van het Protestantsch Kerkbestuur, dat nem gedurende veertig jaren steeds volkomen vrij heeft gelaten, zoodat hij inderdaad de inspraken van zijn hart en zijn geweten heeft kunnen volgen.
„Mijn salaris als predikant, zoo ging Pa van der Steur voort, “is mij steeds van zeer grooten steun geweest. Ik heb in de afgeloopen jaren aan het publiek heel veel keeren om geld gevraagd, maar dat ging altijd zooveel gemakkelijker, omdat ik zelfs het geringste deel daarvan niet voor mijzelf noodig had. Ik had immers mijn salaris, dat in den loop der jaren tot ƒ. 500 klom, tot dat het bezuinigingsspook eraan knabbelde en het tot plus minus 400 daalde.
Bovendien kon ik daarvan ruim ƒ. 4000 per jaar voor het gesticht oversparen.”

De eerste subsidie

Klik hier en luister naar de stem van Pa, opname uit de jaren 1930. Hard zetten!

In het jaar 1896 vroeg ik een audiëntie aan bij den Gouverneur-Generaal Van der Wijck. Ik had al mijn boeken bij me en ik liet den Landvoogd zien dat ik voor f. 1200 aan onbetaalde rekeningen had en riep zijn hulp in. Hij beloofde mij dat nog voor het einde van het jaar – het was in December dat ik den Landvoogd bezocht – al mijn onbetaalde rekeningen vereffend zouden zijn.
Ook deelde hij mij mede dat ik een request kon indienen om een maandelijksche subsidie van ƒ. 100. Dat waren dan de eerste subsidies van het Indische gouvernement en met den groei van mijn gesticht zijn zij ook grooter geworden.

Hoe het gesticht groeide

In 1900 ging mijn gesticht over naar de plaats, waar het thans nog staat. Maar het had toen op lange na niet den omvang, welke het thans heeft. Het bestond toen uit een oudo kazerne van de pradjoerits, welke ik tegen contante betaling van het gouvernement kocht. Het was toen een onooglijk gebouw; de dakbedekking bestond uit sirap, dat vol ongedierte zat. Er waren toen reeds 250 tot 300 kinderen. Voor de meisjes had ik in de oude kazerne geen plaats en daarom moest ik eerst enkele huizen huren.
In 1903 ging ik naar Holland, maar ik was na een afwezigheid van enkele maanden reeds terug omdat ik hoorde dat het in Indië niet naar wensch ging. Tijdens mijn verblijf In Nederland werd ik in audiëntie ontvangen door den toenmaligen minister van koloniën en ook door de Koningin-Moeder, met wie ik ruim twee uren heb zitten praten. Ik wist in Holland ook het geld bijeen te krijgen voor den bouw van een nieuwe zaal.

Het gesticht is steeds verder gegroeid. Ik kreeg eerst subsidie voor 350 kinderen, doch tijdens het bewind van Gouverneur-Generaal Van Heutsz werd het aantal tot 400 opgevoerd. Ik heb steeds alle mogelijke steun en medewerking van de Indische regeering gehad en ook van het groote publiek ondervond ik financieelen steun en waardeerlng voor mijn werk. Het eenige punt, waarover wel eens verschil van meening heeft bestaan tusschen mij en het gouvernement, was het aantal kinderen dat ik opnam. Maar ik heb geantwoord dat noch die arme kinderen noch lk er iets aan kunnen doen dat zij op de wereld zijn en dat zooveel mogelijk geholpen dient re worden, waar hulp noodig is.

Nadat mejuffrouw De Haan uit Haarlem ƒ 2500 had geschonken voor den aankoop van een stuk grond en een bouw, kocht hij zelf voor ƒ2500 van de Indische regeering een oude school op. „Ik heb naderhand nog eens een gebouw van het gouvernement gekocht, aldus Pa van der Steur, maar dat heb ik nooit betaald”.
Het terrein aan den voorkant, waarop nu ook het kerkje staat, was een geschenk van den oud-Deliaan Jansen. Het geld voor het kerkje kreeg Pa van der Steur ter gelegenheid van zijn 25-Jarlg Indisch Jubileum. De avondschool werd gebouwd met een bedrag van ƒ 5000 dat voor dat doel door den oud-minister Cremer geschonken was.
En weet U, zoo eindigde Pa van der Steur zijn relaas, indien ik eerder gedacht had aan den dag dat ik veertig jaren godsdienstleeraar ben. dan had ik de menschen in Indië om veertig centen voor het gesticht gevraagd, maar dat ben ik heelemaal vergeten.

Pa van der Steur

Pa en Moe van der Steur, circa 1938

Nu is het Oranje Nassau Gesticht een zeer uitgebreid complex, dat een duizendtal leerlingen telt. Vergelijken wij het tegenwoordige gesticht met het nederige huisje, waarin Pa van der Steur in 1893 begon, dan valt de groei des te meer op. Wij gelooven niet dat wij overdrijven. Indien wij zeggen dat de stad Magelang door het gesticht een zeer bizonderen klank heeft gekregen.
Zooals reeds gezegd ontving Pa van der Steur een telegram van het Protestantsch Kerkbestuur te Batavia een telegram, dat wij hieronder zullen laten volgen:

Bij gelegenheid van Uw veertigjarig jubileum in dienst onzer kerk gedenken wij met dankbaarheid Uw zegenrijken arbeid.
Moge God U nog vele jaren kracht schenken voor deze grootsche taak.

 

 


Wanneer er een nieuw artikel verschijnt, mail ik een berichtje aan degenen die zich hebben ingeschreven. Dan hoeft u niet te zoeken. Inschrijven kan door op het plaatje te klikken. Dan krijgt u meteen een ebook cadeau: Drie tips om herinneringen door te geven.

Moed houden? Drie tips van Pa van der Steur

Pa van der Steur

Pa van der Steur had een tehuis bomvol kinderen die elke dag moesten eten. Veel donateurs zaten in Nederland. En toen, in 1914, brak de Eerste Wereldoorlog uit. Wég donateurs. Wat deed Pa?

Deze week dacht ik veel aan Pa van der Steur en hoe hij steeds weer het beste wist te maken van een moeilijke situatie. Het leidde me af van het nieuws en bovendien haalde het me uit mijn eigen gepieker. Hopelijk heeft u er ook iets aan. Dat u weet: anderen kwamen ook door een moeilijke tijd heen.

Steurtjes

Pa was Johannes van der Steur (1865-1945), een zendeling uit Haarlem. Hij vertrok naar Indië om daar geestelijke en praktische bijstand te verlenen aan militairen. Dat lukte, maar al snel kwam daar een taak bij: de zorg voor kinderen. Zij hadden een Europese vader, meestal militair, die niet meer voor zijn kind wilde of kon zorgen. Pa vond dat deze kinderen niet in de kampong mochten blijven (ook al hadden ze een liefdevolle moeder of familieleden) maar een Europese opvoeding moesten krijgen. Zijn tehuis groeide snel in omvang. Aan de vooravond van de Eerste Wereldoorlog had hij honderden zogeheten Steurtjes in huis.

Ja, en wat doe je dan als de donateurs weg vallen?
De inkomsten vielen grotendeels weg.
Hoe lang de oorlog zou duren, wist niemand.
Onzekerheid op alle vlakken.
Dat gevoel hebben velen van ons nu ook. Dat je denkt: hoe moet dit verder?
Dacht Pa ook. En hij was niet gek te krijgen, al stortte de wereld om hem heen in.

 

3 Niet klagen maar vragen: kijk naar de naasten

Met het uitbreken van de oorlog begreep Pa dat hij van Nederland weinig kon verwachten. Daar was de nood immers ook hoog. In vorige jaren had hij in kerken laten collecteren voor zijn werk. Dat viel weg, vertelde hij in zijn jaarverslag van 1914. Dat jaarverslag stond bomvol tragische gevallen van moeders en kinderen. Toen ik het las, wilde ik metéén geld geven. Aan het slot somde Pa op wat hij kreeg en nodig had:

Sommige leesgezelschappen zonden ons hunne uitgelezen tijdschriften, bladen, boeken, couranten enz. Dat alles is immer welkom, want buiten den arbeid onder onze kinderen hebben wij nog het militaire tehuis, het hospitaal, de gepensionneerden, enz. De voorraad van deze dingen is geheel op en wij hebben dus weer ruimte om te bergen.
Hebt hij nu, Lezer, lust om wat te zenden, dan vullen uwe wenschen en de mijne elkander aan vormen een schoon geheel. Daartoe wilt gij immers mede helpen, ook voor 1915?

Zo moet het, dacht ik. Vragen om wat je nodig hebt. Kijk naar degenen die je nabij zijn. Misschien dagelijks een telefoontje met bemoediging. De vraag is hier: wie kan u helpen om deze tijd goed door te komen?
En misschien kunt u een ander ook helpen.

2 Doe wat wèl kan

Pa had dus nauwelijks geld. Dus hij ging creatief denken en doen, ook met de hulp van de Indische pers die zijn tehuiswerk steunde. De kranten schreven positief over allerlei kleine en grote acties die geld opleverden.
Zo schreeef in 1916 het Bataviaasch Nieuwsblad over de padvinders en ‘meisjesgezellen’ van Bandoeng, die oranjeknoopjes hadden verkocht, en zo 440 gulden voor het tehuis hadden verdiend. Dezelfde maand ging de opbrengst van een lezing naar Van der Steur: weer 86 gulden erbij. Een collecte tijdens een voetbalwedstrijd in 1917 bracht 110 gulden op. In 1917 werd er te Magelang een comité opgericht dat zich tot doel stelde: ‘over geheel Indië gelden bijeen te brengen voor de vorming van een jubileumfonds Van der Steur en den bouw van een eigen gestichtskerkje, teneinde den heer Joh. van der Steur bij gelegenheid van zijn 25jarig jubileum op een hem waardige wijze voor zijn edel werk te huldigen.’

Zo ging Pa onvermoeibaar door met geld vragen en laten inzamelen. Elk dubbeltje telde. Er moest rijst op de borden in het tehuis.
Zitten klagen over hij wat niet meer kon, hielp daarbij niet. Dus hij deed wat wèl kon.
Hier is de vraag: wat kunt u in deze tijd wèl doen om u goed te voelen?

1 Vasthouden aan iets groters

Wat dit voor Pa was, weet u vast. Als overtuigd Christen geloofde hij in God en dus leefde hij naar: ‘Uw wil geschiedde’. Wanneer u het geloof niet heeft, zoek dan iets groters dan uzelf om steun bij te vinden:

– de natuur: raak de bast van een oude boom aan en bedenk wat deze boom allemaal heeft zien komen en voorbij zien gaan. Als er ooit een moment was om bomen te gaan omhelzen, is dat nu. In stromend water staren, is ook rustgevend.
– het universum: er zijn mensen die ervaren ‘dit moest zo zijn’. Die gedachte troost.
– anders (hier wist ik het even niet meer)

De oorlog kwam en de oorlog ging voorbij. Het tehuis bleef bestaan en het bestaat nòg. Dus van Pa kunnen we wel het een en ander leren.


Wanneer er een nieuw artikel verschijnt, mail ik een berichtje aan degenen die zich hebben ingeschreven. Dan hoeft u niet te zoeken. Inschrijven kan door op het plaatje hieronder te klikken.   Dan krijgt u meteen een ebook cadeau: Drie tips om herinneringen door te geven.

Pa van der Steur

Petrus Kipalong, een Moluks Steurtje uit het verleden

Petrus Kipalong

Petrus Kipalong

Menigeen kent de naam van “Pa van der Steur”, de man die ooit duizenden kinderen opving in zijn tehuis “Oranje-Nassau” (Magelang). Minder bekend is dat een aanzienlijk deel van zijn ‘Steurtjes’ van Molukse afkomst waren. Hoe kwam Pa aan deze kinderen?

Tehuis

Het tehuis “Oranje-Nassau” was in het begin een eenvoudige woning, met een pendoppo erbij. Het werd in 1892 feestelijk geopend met een opkomst van heel wat mannen van het KNIL. Hun aanwezigheid was geen toeval. Oranje-Nassau was aanvankelijk bedoeld als militair tehuis, onder de leiding van de zendeling Johannes van der Steur. Hij was enkele maanden eerder uit Nederland vertrokken met hoogstaande christelijke idealen. Dat er binnen het KNIL heel wat militairen samenleefden met njai (concubine), stond hem tegen. Hij vond, dat seksualiteit thuishoorde in het door God gezegende huwelijk. Daarbuiten werd het ontucht. Tegen alcohol en roken had hij ook ernstige bezwaren. Van der Steur redeneerde eenvoudig: wanneer de militairen een tehuis hadden met gezelligheid, dan zouden ze die niet bij een njai zoeken. Uit Nederland had hij boeken meegebracht (passende lectuur), een orgel (samen zingen schept verbroedering) en een omstreden reputatie als agressieve zendeling. Indië zag hem dan ook met gemengde gevoelens komen. Het was mooi dat hij iets voor de militairen wilde betekenen, maar was broeder Van der Steur met zijn methode niet een beetje naief?
Ondanks de bestaande twijfels liep het tehuis redelijk goed. Van der Steur bood zijn bezoekers niet alleen christelijke vermaningen. Hij kon van man tot man praten, hij hielp waar nodig met het schrijven van brieven en soms schonk hij chocolademelk, gemaakt naar Hollands recept. Wie van God los was geraakt, had zo toch redenen genoeg om het tehuis te bezoeken. Een slimme aanpak, en eentje die werkte. Zo verliepen er maanden, tot er in april 1893 een grote verandering kwam.

Kinderen

In april 1893 kwam een van de bezoekers van het tehuis naar Van der Steur met de mededeling dat er vier kinderen in de kampong waren, van wie de Italiaanse vader was gestorven. Een Javaanse vrouw had de zorg op zich genomen, maar zij was niet de moeder. Van der Steur nam de kinderen bij zich in huis. Vier kinderen, dat moest lukken meende hij, en het lukte ook. De militairen hielpen met de verzorging. Na deze vier kwamen er vijf bij, en daarna nog meer. Het aantal kinderen groeide snel, en het werd dus aanzienlijk drukker in Oranje-Nassau; in totaal zouden er naar schatting zevenduizend kinderen bij Pa zijn.
Militairen en kinderen konden het onderling goed vinden. Elk kind bezat in het tehuis een onafzienbare hoeveelheid ooms waarvan er altijd wel iemand tijd had om te spelen. Er waren natuurlijk ook ándere ooms. Van der Steur sprak niet over de familieleden die met lege armen waren achtergebleven in de dessa. Voor hem telde alleen dat ene: een kind dat een Europese (in de praktijk: Nederlandse) vader had, moest Europees opgevoed worden.

Steurtjes: Jonge mannen uit het tehuis.

Steurtjes: Jonge mannen uit het tehuis.

 

Molukse kinderen

Pa nam ook Molukse kinderen op, volgens een bron in de eerste jaren zelfs tot twintig procent. In 1898 waren er in Oranje-Nassau 144 kinderen, 28 van Molukse afkomst. Van der Steurs hart klopte voor deze kinderen en nog meer voor hun vaders, die volgens hem vaak tot de beste en trouwste militairen van het KNIL behoorde. Sneuvelde de man, dan ontving zijn weduwe geen uitkering. Dat onrecht was evenzeer een reden om de kinderen onderdak te bieden. Speciaal voor deze kinderen had hij een Amboneese school opgericht, waar ze les kregen.
Het onderdak omvatte veel. De meisjes en jongens kregen een opvoeding, vaak met scholing, vakopleidingen zoals voor schilder of smid en natuurlijk kregen ze godsdienstonderwijs van de door en door protestantste Pa. Op de platen die hij liet zien, werden God en Jezus voorgesteld als twee Hollands uitziende mannen, vaak in een Europees aandoende omgeving. Zo was dat toen. Kritische vragen stelde men nog niet aan een autoriteit. En Pa wás een autoriteit. Hij leidde het tehuis, een aantal jaren samen met zijn zuster Marie en daarna met zijn echtgenote, die ook Marie werd genoemd. Daarnaast waren er veel komende en gaande helpers, die zich allen naar de dwingende inzichten van Pa voegden.

Subsidie

Geleidelijk werd “Pa van der Steur” een begrip in Indië. De twijfels verdwenen. Hij kreeg van Gouverneur-Generaal J.B. van Heutsz (1904-1909) zelfs een forse subsidie van vele duizenden guldens voor deze ‘soldatenkinderen’. De kranten publiceerden vaker over hem in positieve zin en zo groeide hij uit tot een beroemdheid. Wie het over “Pa” had, bedoelde deze vader van honderden kinderen. Dat er ook militairen in het tehuis waren, verschoof naar de achtergrond. Zo wilde Van der Steur het; hij vertelde aan de kranten vaak en goed aangrijpende verhalen over zielige kindertjes en vroeg dan om donaties. Dat moest, want om elke dag al die monden te voeden was heel wat geld nodig. Het werkte elke keer uitstekend. Regelmatig gingen er hoge bedragen zijn kant op. De vraag dient zich aan, hoe zielig deze kindertjes eigenlijk waren. Een deel van het antwoord is te vinden bij Petrus Kipalong (1909-1935), een van de Molukse Steurtjes.

Petrus en Cornelis

Hoe Petrus Kipalong in het tehuis kwam, is niet goed te achterhalen. Waarschijnlijk kwam zijn broer Cornelis (later werkzaam in de klapperindustrie) mee. Gezien de lange tijd dat Petrus er woonde, is het waarschijnlijk dat hij al op jonge leeftijd in het tehuis kwam. Er waren meer mogelijkheden dan alleen vaderloos zijn. Van der Steur nam ook logés op, die tijdelijk onderdak nodig hadden; de ouders/verzorgers gingen bijvoorbeeld met kort verlof of werden overgeplaatst. Voor deze kinderen werd kost en inwoning betaald. Dan waren er Steurtjes, die een opportunische kijk op het tehuis bezaten. Zij lieten zich opnemen met het doel om via Pa een opleiding te krijgen en zodra het diploma behaald was, verdwenen zij weer uit de tehuiswereld. Tot welke groep Petrus Kipalong behoorde, kan alleen de Vereniging Vrienden van Yayasan Pa van der Steur opsporen. Deze Vereniging heeft het beheer van de tehuisadminisatratie waarin veel dossiers van kinderen liggen. Het is toegankelijk voor nazaten, dit in verband met privacy.
Toch valt het ook buiten dit archief wel iets over Petrus te zeggen. In het tehuisblad Onze Kleine Bode schrijft Pa van der Steur over hem, vooral in juni 1935. Dan zijn er enkele Steurtjes ernstig ziek, zozeer, dat voor het ergste gevreesd moet worden. Dit is wat Pa schrijft:

Met Petrus Kipalong gaat een deel van mijn leven in het graf. Petrus was een hoogst eenvoudige jongen. Hij had diploma Ambachtsschool en kreeg een betrekking in de suiker. Daar had hij het goed. Met de vak van de suikercultuur, viel ook Petrus en is als werklooze thuis gekomen. Thuis heb ik hem de kleintjes toevertrouwd en die ruim 200 kleine jongens waren bij hem in goede handen.”

In de opsomming die daarna volgt, leren we Petrus wat beter kennen. Hij was “een innige vrome jongeman”, die altijd naast Pa aan de etenstafel zat. En: “eerlijk als goud”. Hij ontwikkelde leiderschap: “Op de Amboineesche cathechisatie hielp hij mij met zingen.” Petrus was muzikaal, als kapelmeester van de fluitisten; in het tehuis was altijd muziek. Hij moet veel van zijn Pa gehouden hebben, getuige de beschrijving van het sterfbed die Van der Steur geeft:

Nu zei hij nog eenmaal: “Pa, waar moet ik slapen? Ik ben moe. Zeker op het kerkhof, ja Pa? Maar dan brengt U mij weg en legt mij ter ruste met een laatste kus”. “Ja, mijn jongen.”
“Dan is het goed.”

Bij de begrafenis van Petrus waren honderden kinderen aanwezig, “de gehele Ambonse school” was uitgelopen, en ook de militairen waren present. Van der Steur leidde de plechtigheid en hij sprak emotioneel bij het graf. Het verhaal in De Kleine Bode heeft een fraai christelijk einde:

Vannacht zat ik even alleen in zijn kamertje; het werd mij te zwaar en te machtig en het uithuilen deed me even goed. Toen stond ineens Cornelis achter mij. Hij legde zijn hand op mijn schouders en zei: “Kom Pa, niet zoo droevig, Petrus is een kind van God en God haalde hem thuis. Ik beloof u plechtig Pa dat ik mijn uiterste best zal doen om hem te vervangen.”

Hoe het verder ging met Cornelis, staat niet meer vermeld, jammer genoeg. De geschiedenis van de broers moet groter zijn geweest dan deze jaren in het tehuis. Waar is de familie Kipalong? Hoe keek Cornelis later terug op zijn tehuisleven? Hoe Moluks mochten de kinderen zijn? Dat zijn vragen waarop het antwoord onbekend is. Toch lees je tussen de regels door dat deze twee broers bepaald geen zielige kindertjes waren, zoals Van der Steur zijn pupillen aan de buitenwereld graag presenteerde. Harde werkers moeten het geweest zijn, die in staat waren verantwoordelijkheid te dragen, gevoelig daarbij. Bijzondere jongens. Overigens zou Van der Steur de sterfdag van Petrus nog jarenlang herdenken. Dat komt rechtvaardig over.

Slot

In mijn biografie van Pa van der Steur  besteed ik meer aandacht aan het leven in het tehuis dan ik hier in Marinjo kan doen. Maar ook dat boek is geen encyclopedie met de naam van elk kind dat ooit bij Pa in huis geweest is. Veel kinderen, eenmaal volwassen en in Nederland, zwegen erover. Het woord ’tehuis’ had hier een ongunstige klank. Soms is er toch iets, niet veel, gezegd. Dan is er voor de nazaten van deze Steurtjes de kans om iets meer te weten te komen via de Vereniging Vrienden van Yayasan Pa van der Steur. Op de website vindt u nadere informatie: www.http://pavandersteur.org/

 

 


Dit artikel verscheen eerder in Marinjo.

125 jaar geleden is dichtbij

   Daar zit hij: Pa van der Steur. Dit jaar is het 125 jaar geleden dat hij op de ‘Conrad’ stapte en naar Indië ging, om daar een tehuis voor militairen op te richten.  Johannes van der Steur was zendeling, een christen die in gezelligheid van mannen-onder-elkaar geloofde.

Binnen een half jaar na aankomst, we zitten dan in voorjaar 1893, heeft hij redelijk wat bereikt. Zijn tehuis Oranje Nassau in Magelang trekt een trouw bezoekersaantal, en hij is ook nog eens tot Pa van een groeiend aantal kinderen gepromoveerd. Naar schatting zouden het er zo’n zevenduizend zijn.

Nou niet denken: dat is wel heel ver terug. Want dat is het niet. Het is een soort eergisteren:

  • Op de Tong Tong Fair 2016 interviewde ik Wil Overweel die als jonge jongen bij Pa in het tehuis was
  • Op de Tong Tong Fair 2007 sprak ik met Carl en Netty Brakkee, die me ook uit de eerste hand over Pa vertelden
  • er zijn kinderen en kleinkinderen van ‘Steurtjes’ zoals de tehuiskinderen werden genoemd, en zij hebben vragen
  • in de Leidse universiteitsblibliotheek ligt een groot deel van het Pupillenarchief, dat Pa over zijn kinderen bijhield, en dat is alleen ter inzage voor nazaten van Steurtjes

De vragen komen vaak na het overlijden van een vader of moeder. Vaak is er gezwegen over het tehuisverleden en dat begrijp ik wel een beetje. Het woord ’tehuis’ heeft in Nederland een ongunstige klank, dus daar begin je niet gemakkelijk over. En het motto was: “We zijn nu hier.”  Maar vaak hing er toch een foto van  Pa in huis, ergens in een lijstje.

Vooral in de jaren 1930 en daarna was het tehuis groot. Om de boel elke dag goed te laten verlopen, moesten er regels en reglementen zijn. Tezicht. En sancties. Het had tot gevolg dat de meeste Steurtjes met enige militaire discipline zijn opgevoed. Ze kunnen aanpakken en doorzetten. Goede eigenschappen. De schaduwzijde is er ook: ze kunnen niet altijd halverwege gezellig van plan veranderen. Zo zijn ze niet opgevoed. En zo voeden ze vaak ook hun eigen kinderen op. “Soms was mijn vader streng,” hoorde ik  af en toe verlegen zeggen. Verlegen: want je wilt je vader nier afvallen.

In 2015 kwam mijn biografie van Pa van der Steur uit.  Dat is geen encyclopdie geworden, en hopelijk duikt iemand anders nog eens in de vragen die nog steeds open liggen. Zoals:

  • Pa had een eigen kerk waar hij preekte. Waar ging dat over?
  • Er is een film van hem en zijn tehuis gemaakt. Is die nog ergens? Zijn er andere filmpjes?
  • Wie schrijft het levensverhaal van zijn zuster  Marie van der Steur?

Een boek is eigenlijk nooit af. Er zitten altijd andere boeken in verscholen.

Ga naar de bovenkant