Weet u het goede antwoord?

Altijd leuk, weetjes uit en over de oude tijd. Kunt u deze vijf vragen beantwoorden?

Hoe ver heeft de roemruchte luitenant-generaal G.C.E. van Daalen (1863-1930) het gebracht?

(foto: Kars Karsen) Click to Flip
Van Daalen werd commandant van het KNIL in 1910. Vier jaar later ging hij met pensioen en vestigde zich in Nederland.

Wie was Dicky de Hoog (1881-1939) ook al weer?

(foto: Tropenmuseum) Click to Flip
Dicky de Hoog was onder meer de geliefde voorzitter van het Indo-Europees Verbond (IEV). Zijn overlijden haalde alle kranten.

Wat was de bijnaam van generaal Karel van der Heijden (1826-1900)?

(foto: NMM) Click to Flip
De bijnaam van de generaal was Kareltje-één-oog. Hij verloor een oog in Atjeh. In 1887 werd hij commandant van Bronbeek.

Kunt u een titel noemen van Tjalie (1911-1974) Robinson aka Vincent Mahieu?

foto:dnbl Click to Flip
Tjies (1960), Tjoek (1961) Piekerans van een straatslijper (1965).

Bij welke krant werkte de journalist Karel Zaalberg (1873-1928)?

Click to Flip
Karel Zaalberg werkte bij het Bataviaasch Nieuwsblad. Hij werd er ook hoofdredacteur. Zaalberg was korte tijd voorzitter van de Indische Bond, en zette zich ook zo in voor Indo-Europeanen.

Hoe heet het beroemste boek van E. du Perron (1899-1940)?

foto: Literatuurmuseum Click to Flip
Eddy du Perron schreef: Het land van herkomst (1935). Nog altijd zeer leesbaar.

Wilt u meer weten? Er is altijd meer!

Click to Flip
Meld u aan voor de nieuwsbrief van de Indische Schrijfschool, dan krijgt u een eboek kado!

Gaat u mee naar de bioscoop?

Even heerljk wegdromen over toen en daar. Wie gaat er mee naar de bioscoop?

Het Rex Theater op de Centrale Pasar van...

Click to Flip
Medan. De foto stond in het Algemeen Indisch dagblad/ De Preangerbode, 1 april 1931

Waar stond in 1931 het Oreon Theater?

Click to Flip
Ook in Medan. Het was bioscoop theater met een fraai interieur. De Sumatra post, 27 februari 1931

In 1939 ging de film "Suez" om middernacht draaien in de Globe. Welke stad?

Click to Flip
Dat was in Batavia. Het Bataviaasch nieuwsblad berichtte over de drukte op 2 mei 1939.

Waar stond in de jaren 1930 het Apollo Bioscoop Theater?

Click to Flip
In Bandoeng natuurlijk. Daar kon je fantastisch uitgaan.

En waar stond het Luxor?

Click to Flip
In Bandoeng.

En het Oriental?

Click to Flip
Ook al in Bandoeng!

In deze bioscooop Rex draaide in de late jaren 1930 de film "Captain Blood". In welke stad?

KITLV Click to Flip
KITLV
Dit was in Soerabaja. Zou de film nog ergens te zien zijn?

Wat voor fuifnummer bent u nu echt?

December is de maand van de feesten en fuiven. Maar eh… kunt u alle vragen beantwoorden?

Als u aan Bandoeng denkt, dan denkt u aan:

KITLV

In de stad is het december, dat is aan alles te merken. Wat doet dat met u?

KITLV

Wat doet u met Kerstmis?

KITLV

En wat doet u met oud en nieuw?

KITLV

Veel mensen zien op tegen januari. U ook?

KITLV

Wat voor fuifnummer bent u echt?
U bent een superfuifnummer

De fuif kan beginnen, want u bent binnen. U beleeft plezier aan mensen en de mensen beleven plezier aan u. Logisch, u bent voor alles in. Lachen, dansen, drinken en ook die dingen waar een ander mens zuinig van gaat kijken. U leeft maar een keer. Maar eh... een dagje rust is lang niet gek.
U bent fuifnummer normaal

U bent in balans, en dat is mooi. Wanneer u voor het laatst dronken bent geweest, weet u niet eens meer. O, het is nooit voorgekomen? Een verstandig leven is een goed leven, en zo kunt u zoetjes aan heel oud worden. Maar een keertje uit de band springen, zomaar lekker gek doen, heus, dat kan fijner zijn dan u denkt.
U bent fuifnummer met een lach en een traan

Bij elk feest denkt u aan degenen die er niet meer zijn. Wat had hij of zij dit leuk gevonden! Dat kan nou niet meer. Die weemoedige kant is iets moois in u. Het is een vorm van trouw. Maar weet u, ook zonder die anderen mag u een hele avond plezier maken. Probeer het eens.

op zoek naar de onbekende grootmoeder

Dit is de enige foto die ik ken van Philoteja Sajia. Zij was de grootmoeder van Marie Sloot, die lang beroemd zou zijn als de schrijfster Melati van Java (1853-1927). Tussen Marie en haar grootmoeder moet een hechte band hebben bestaan. Een grootmoeder die niet vergeten mocht worden.

Deze foto heeft  Sajia vermoedelijk laten maken rond 1872, toen ze naar Nederland vertrok. De afdrukken waren bestemd voor de kinderen die ze achterliet in Indië. Ze had besloten mee te gaan met haar dochter Wiesje en haar man, en de drie kleinkinderen: Chrisje, Nico en Marie. Al op de boot werd ze ziek. In Den Haag stierf ze, nog voor al haar bagage er was. Het moet vooral voor Marietje een schok zijn geweest. Zij had een band met oma. Hoe weet ik dat?

Brieven

Er zijn brieven, gewisseld tussen Marietje Sloot en haar grootvader.  U ziet het jonge Indische meisje hier. Ze draagt een Europees jurkje. Past het wel? Het lijkt me zo groot. Kijk eens hoe die armpjes steken uit die brede mouwen.

En kijk ook eens hoe strak die vlechtjes zijn. Om hoofdpijn van te krijgen.  Je moest ook stilstaan. Dan die strakke scheiding en het vlechten.

U ziet ook haar mond. Een streep van “dit wil ik niet”. Ze duwt haar bovenlip over haar tanden heen, die staken ietwat vooruit.

Marietje krijgt vooral huisonderwijs van haar moeder. De methode Clerx is er dan nog niet.  Ook gaat ze enige tijd naar de Zusters Ursulinen.

We zien een meisje met een mening. Ze is vermoedelijk wat we nu hoogbegaafd noemen. Al op jonge leeftijd kan ze lezen en schrijven, en ze pent verhalen en brieven aan haar grootouders. Hij schrijft terug, ook in naam van oma. Haar grootmoeder zelf schrijft nooit. Het is de vraag of Philoteja Sajia wel kan schrijven. Een zeldzame keer heb ik onder een brief haar naam gevonden, in bibberig handschrift, net of iemand haar hand vasthield:

 

 

Romans

In Nederland gaat Marietje Sloot romans schrijven. Ze groeit uit tot Melati van Java, de eerste Indische romancière van Nederland. Een aantal van haar romans zijn tien, twintig jaar of langer in omloop. Bestsellers, zonder meer. En daarin verwerkte Melati herinneringen aan haar grootmoeder.  In verschillende boeken kom ik een grootmoeder-figuur tegen met wie een jong meisje een diepe band heeft. Melati vermomde deze grootmoeder vaak als baboe. Dat moest haast wel. Het Nederlandse publiek  had weinig begrip van Indië en een baboe, dat snapte haar lezers net.

In de roman Fernand (1874) verschijnt de Indische Theodora van Vaerne, een zelfstandige jonge vrouw, zoals Marie moet zijn geweest. Deze Theo, zoals ze wordt genoemd, houdt zeer van haar baboe.

“Gewoonlijk knielde baboe voor het ledikant en waaide nonna in slaap, soms dongings  vertellende, legenden, sagen, die zij uit hare jeugd nog kende of histories die zij in de bijgebouwen had opgevangen. Théo volgde ze nooit, maar het was haar een gevoel of alles zich in orde bevond, wanneer zij de eentonige stem hoorde, die hoe langer hoe zachter klonk, tot zij eindelijk in slaap was gevallen.
En ’s middags als grootmoeder sliep, hoe gaarne ging Théo dan niet bij baboe op de baleh-baleh zitten en zij, de trotsche reine du bal, die alles rondom zich met een uitdrukking van geblaseerdheid aanzag, zij kon zich amuseeren met daar uit een pisangblad allerlei snoeperijen te eten, door baboe bereid, waarvan mevrouw Van Vaerne gruwde: roedja, tapeh, kelepon of wel de uit het hoofdgebouw om zijn onaangenamen reuk verbannen doerian. Grootma werd altijd geweldig boos als zij vernam wat voor inlandsche manieren haar kleindochter had, doch zelden kwam zij er achter, dank de zorg van baboe.”

Zo zijn er meer fragmenten en meer romans. Ik moest ze bij elkaar puzzelen, en ik begreep het geleidelijk. Zo gaat dat met familieleden in het verre verleden.  Zoeken, zoeken, denken en blijven zoeken. Dan daagt het, uiteindelijk.

Waar zijn de overovergrootmoeders?

Hoe verder we terug gaan in de Indische geschiedenis, hoe meer voorouders we vinden. Namen en verhalen, die bewaard moeten blijven. Wij zijn de generatie die dat kan doen. Met het internet, inderdaad. Ook omdat er meer archieven behulpzamer worden. En vooral omdat we steeds dieper voelen: nu moet het, en als ik het niet doe, wie doet het dan wel?


Voor degenen die meer willen weten: in mijn biografie van Melati van Java komt het hele verhaal, dat wil zeggen voorzover ik het kon achterhalen.

Dit is Melati als jonge vrouw van achttien jaar. Ze lijkt op haar grootmoeder.

 

Meer lezen over het boek bij Bol.com: klik en kijk

Kleinzoon Han Dehne over zijn Opa Loppé

 Opa en Oma Loppé-Simon in het contractpension.

Opa en Oma Loppé-Simon in het contractpension.

Han Dehne schreef over zijn grootvader, over Opa Loppé. Het raakte me meteen. Een paar alinea’s, wat foto’s erbij en je voelt iets van het leven van zijn Opa Loppé. Het leven dat hij had en dat hij niet had. Hieronder het verhaal van Han. De foto’s komen uit de familie.

Hoe ongelukkig of gelukkig kun je zijn als je alles verliest. Dit gaat over onze grootouders.

Deze lieve mensen, onze grootmoeder Johanna W. Simon en Opa Archibald Loppé, zijn niet gesneuveld, niet in een kamp doodgegaan, maar gewoon hier in Nederland, in Maastricht. Maar zij zijn beiden wel oorlogsslachtoffers.Deze mensen stierven een beetje dood toen zij gedwongen hun geboortegrond moesten verlaten en naar Nederland kwamen. Destijds heette dat terugkeren naar het vaderland. Maar wat was het echt?

Dat de Rijn bij Lobith ons land binnenkomt? Hoezo ons land? Zij woonden vlak bij de Bengawan Solo.

Lees dit maar eens als ik over Opa Loppé wat verder schrijf.

Naar Nederland

Opa Archibald Bartholomeus Loppé was eind jaren ’50 met Oma Johanna Wilhelmina Simon naar Nederland gekomen om hier met hun kinderen te worden herenigd. Zes kinderen van Oma uit haar eerste huwelijk waren hun inmiddels voorgegaan en twee andere kinderen van Oma kozen er voor om in Indonesia te blijven wonen.

Pianist

In Nederlands-Indië was Opa zeer bekend als een klassiek muzikant en componist. De viool was zijn lievelingsinstrument, terwijl hij ook een begenadigd pianist was.
Het was een uiterst stille man en hij leed aan astmatische aandoeningen, die hem erg beperkten in zijn leven. Daarnaast kon hij absoluut niet aarden in Nederland, zodat hij ook nimmer een poging heeft gedaan om met zijn muzikale talenten iets te gaan doen. Als gevolg van al die factoren werd hij binnen zijn eigen omgeving een soort kluizenaar.

Warm gekleed

Het grootste deel van zijn leven speelde zich af in zijn slaapkamer. Daar had hij een aantal radiotoestellen staan en een pick-up om platen te draaien. Zodra er bezoek was bij Oma en Opa thuis verdween hij naar zijn kamer omdat hij bang was benauwd te worden. Dat wilde hij niet laten zien aan anderen en vooral niet aan zijn kleinkinderen.

opa loppeOpa Loppé had in de eerste paar jaren na aankomst in Nederland van moltondekens altijd zijn eigen kleding gemaakt om te dienen als buitenjas. Hij had het altijd koud en wilde vooral warm gekleed gaan. Oma daarentegen was een modebewuste vrouw en zeer sociaal ingesteld. Ze maakte links en rechts praatjes. Als zij gekookt of gebakken had dan deelde zij daarvan regelmatig iets uit aan de diverse Hollandse buren. Ook ging zij – tot op hoge leeftijd – altijd zelfstandig haar boodschappen doen of ging “bussen”. Dat vond ze altijd prachtig.

Zij kocht dan een buskaart en reed daarmee tot aan het eindpunt. Als ze daar was aangekomen nam ze de volgende bus weer terug. Oh, wat genoot ze daarvan. Vooral als het zomer was en het dakraam van de bus open stond. Zij ging dan altijd in het achterste deel van de bus zitten en in de wind die door het dakraam binnenkwam. “Oh, Nie is zo lekker hier!” was haar gevleugelde opmerking.

Applaus

Opa bleef dus veelal in zijn kamer. Iedere morgen dan zette hij één van de radio’s aan met klassieke muziek, vooral Duitse zenders, deed alle ramen open en pakte zijn viool en speelde dan fanatiek mee. Het was wonderschoon om te horen en vele mensen stonden dan op hun balkon of op straat en luisterden vol bewondering mee. Echter als iemand het waagde om een applaus te geven dan stopte hij abrupt, sloot de ramen en wachtte tot iedereen weer weg was.

Pianowinkel

Soms ging ik met Opa mee naar de stad omdat hij dan een boodschap moest doen. Die boodschap bestond dan altijd uit een bezoek aan de “pianowinkel”. In die zaak stonden een aantal piano’s en vleugels voor de verkoop. Opa ging dan naar binnen en was “zogenaamd” geïnteresseerd in een eventuele aankoop van een piano. Hij had niet doordat het verkopend personeel al lang wist wie hij was en zij lieten hem dan ongemoeid. Altijd vroeg hij dan om één van de instrumenten te mogen uitproberen. Hijzelf noemde dat altijd “proeven”.

Met zijn frèle lichaam ging hij dan op de kruk zitten, slot de ogen en begon dan het een of ander pianoconcert te spelen. Alle in de winkel aanwezige mensen gingen dan zitten en luisterden ademloos naar het werk dat bij bracht. Als hij zijn stuk had gespeeld stond hij geruisloos weer op en vertelde dan tegen de verkopers dat hij nog even wilde nadenken over een eventuele aankoop, verliet de winkel als een gelukkig man en ging weer naar huis.
Voor hem was dat de enige manier om zich uit te leven en, volgens mij, om zichzelf te zijn, teruggetrokken in een andere wereld. Geld had hij toch niet voor een piano en bovendien had hij de ruimte ook niet.

Opa Loppé

Hij was de tweede man van Oma en zij zijn samen getrouwd nadat zij een vervelende echtscheiding achter de rug had. Pas toen zij elkaar een aantal jaren kenden besloten zij alsnog te trouwen.  Door ons allemaal, kinderen en kleinkinderen werd hij altijd “Opa Loppé” genoemd.

Opa en Oma staan tussen mijn vrouw Mary en mijzelf (Han Dehne) in. Geheel links staat een van de dochters van Oma; Frieda Bensbach-Lans.


 

Marc Tierolf over Oma Miet, vergeten koeken, ketjap en Indisch zijn

Oma Miet, Marc Tierolf, Tjemaralaan 14

Als u ooit dacht: “Wie zit er nou op mijn Indische verhalen te wachten?”, dan is dit het antwoord. Marc Tierolf ontwikkelt zich als culinair ondernemer dankzij zijn Oma Miet. Haar kookschriften, haar lessen, haar verhalen, haar persoon. Zij is er niet meer, maar dankzij Marc leeft ze voort.

Marc weet het zelf: “Gooi er een kwartje in, en ik praat.” Maar het leuke is dat hij ook wat te zeggen heeft. Ik interviewde hem eerder, deze keer was ik nieuwsgierig naar zijn nieuwe site: www.OmaMiet.nl

– Je had toch al een site? Die van Tjemaralaan 14

Ja. Maar ik wilde vernieuwen. Een van mijn beste vrienden die de website van Tjemaralaan14 gemaakt heeft, vond ook dat ik toe was aan een echte site. Nu heb ik het gesplitst. Via Tjemaralaan14 doe ik mijn workshoips en catering. En via OmaMiet.nl de ketjap en alles wat ik verder maak. Dat is een uitkomst.
Voorheen moest ik zeggen de ketjap sedeng is van Oma Miet van Tjemaralaan 14 en nu kan ik gewoon zeggen het is de de ketjap sedeng van Oma Miet.

– Ik zag dat je ook aan postverzending doet. Hoe verstuur je nou een fles ketjap?

Met heel veel bubbeltjesfolie en verpakkingsmateriaal. Zoals er ook flessen wijn over de post gaan. Ik heb pas nog een fles naar Amerika verstuurd. Moet goed gaan.

– Ik vind het leuk. En je hebt nu ook Moskovisch gebak. Wat is dat?

oma miet, tjemaralaan 14, marc tierolf

Moskovisch (@OmaMiet.nl)

Het is eigenlijk een soort spekkkoek maar dan met alleen wit beslag, dus zonder specerijen. Daarin gaat wat amandelschaafsel, krenten en rozijnen en dan bak ik het laag voor laag net als een spekkoek. Is het klaar, dan wordt het gebak besprenkeld met rum.
Dat is eigenlijk een van de meest klassieke Indische koeken, ik hou van vergeten recepten. Dit is echt een vergeten koek. Niemand kent meer een Moskovisch zoals wij die kenden in Indië. Mijn oma Miet maakte hem altijd al zo. Ik maak hem alleen op bestelling.

– Volgens mij heb ik zoiets weleens in de winkel zien liggen.

Kan, maar dan heet het rumspekkoek. Daar zit rumessence in, margarine en vetvervangers en zoiets proef je. Bij mij gaat er echte drank in en roomboter. Ik heb een bejaardentehuis waar ze elke maand twee Moskovisch bestellen. Daar ben ik trots op: dat oudere Indische mensen mijn koek het lekkerste vinden, want zij weten hoe het moet smaken. Dan weet ik dat ik op de goede weg ben.
Pas bestelde een oude mevrouw vier grote spekkoeken. Dan maak ik er twee tegelijk en zit dan twee keer 3,5 uur voor de oven.

– Uit de winkel heb je het wel sneller
Ja, maar dan smaakt het anders. Veel jongeren nemen de koek uit winkel, prima. Alleen, het is de originele smaak niet.

Het afgelopen weekend heb ik een kookworkshop gegeven voor 23 mensen. Ze hebben in groepjes de vijf gerechten gemaakt.
Dat zijn mensen die nog nooit sereh hebben gezien, die niet weten wat is trassi, die niet weten wat een ingrediënt in een gerecht kan doen.
Ik noemde: santen.
Stilte.
Toen zei ik: kokosmelk.
Ze vroegen waar ze dat konden kopen. Bij Albert Heijn. Hadden ze nog nooit zien liggen.

Wat altijd een succes is, is mensen binnen 15 minuten leren hoe ze pindasaus moeten maken. Dat slaat altijd aan.

– Ik luister…

Je maakt een boemboe van knoflook, ui en rode peper. Dat bak je aan. Daar doe je gemalen ongezouten vliespinda’s bij. Dus geen pindakaas. Daar voeg je wat santen bij. En wij doen er dan nog wat limoensap, peper en zout en ketjap sedeng bij. Dan maak je hem op smaak zoals Oma Miet vindt dat het moet smaken en ik ook.
Dat leer ik de mensen. Ze ontdekken wat het effect is van limoensap in pindasaus. Ze horen voor het eerst van hun leven dat je niet één pindasaus voor alles hebt, je hebt voor verschillende gerechten verse pindasauzen.

Je hebt de kookschriften van Oma Miet. Dat is papier. Hoe onthou je de smaken uit haar keuken?

Ik koppel smaak aan herinneringen en aan beelden. Bijvoorbeeld als ik ketan eet met boeboek ebbie, dan zie ik oma Miet voor me staan. In haar handen heeft ze een grote crèmekleurige ovalen schaal, gevuld met een mooie berg gestoomde ketan, met daarbovenop de gestoomde kokos en de boeboek ebbie los in de stopfles.
In de schaal een mooie berg ketan met gestoomde klapper. Die herinnering is die smaak, dat proef ik dan weer, zoals oma Miet ketan voor mij maakte als ontbijt.
Van dat soort beelden en herinneringen heb ik heel veel opgeslagen, dat merk ik steeds weer.
Andersom werkt het ook. Als ik iets ruik en ik proef het, dan komt er een beeld van vroeger met dat gerecht.

– Ben je zo aan die ketjap gekomen?

Bij Oma Miet stond de ketjap altijd in de kast, in een schenkflesje. Het was een kannetje met een oranje dekseltje en een tuitje. Dat was gemaakt van porselein met bloemetjes erop. In de kast stond ook een Martinifles met ketjap, daarmee vulde ze het flesje aan. Vroeger gaf ze me elke maand een Martinifles met ketjap en een fles met rozenstroop, en ze zei als je moeilijk hebt aan het einde van de maand, als je maand dan eet je rijst met ketkap en tjeplok (gebakken ei).

– Waarom kreeg je dat niet van je moeder?

Mijn moeder is Indisch. Ze kreeg zoals velen van de tweede generatie in haar opvoeding mee dat ze gewoon moest meedoen met de Hollandse maatschappij. We aten weleens Indisch maar verder ging het niet.
Bij Oma Miet en Oma Irma logeerde ik elk weekend. Daar kwamen haar vriendinnen langs met de heerlijkste dingen. Daar mocht ik van proeven. En ik zag haar in de keuken. Als ik ziek was kreeg ik rijst met ketjap. Later heb ik van mijn oma de kneepjes geleerd van de Indische keuken.
Van Oma Miet heb ik geleerd hoe belangrijk smaak is. Zij vond: zó moet het smaken en niet anders. Met haar jongste dochter – mijn tante dus – praat ik over gerechten die ik in een restaurant heb gezien heb en dan zegt ze meteen: zo koken wij niet, er is maar één smaak en dat is deze. Dat heeft natuurlijk elke familie.

– Hoe is die enige goede smaak dan?

Mijn familie komt al zes, zeven generaties uit Batavia. De keuken Betawi lijkt op de keuken van Oma Miet, maar onze keuken is toch weer anders. Ik maak haar recept. Zelfs in de pan waarin zij haar ketjap maakte, vroeger in Batavia. Alleen sta ik nu in mijn eigen keuken in Den Haag. Maar ik geloof wel dat we, Oma Miet en ik, alletwee even gelukkig worden van het koken. Thuis ben ik gewoon een Indische jongen.

– En buitenshuis?

Dan ben ik ook een Indische jongen maar doe ik mee met de Hollandse maatschappij, zoals dat verwacht wordt…

Petrus Kipalong, een Moluks Steurtje uit het verleden

Petrus Kipalong

Petrus Kipalong

Menigeen kent de naam van “Pa van der Steur”, de man die ooit duizenden kinderen opving in zijn tehuis “Oranje-Nassau” (Magelang). Minder bekend is dat een aanzienlijk deel van zijn ‘Steurtjes’ van Molukse afkomst waren. Hoe kwam Pa aan deze kinderen?

Tehuis

Het tehuis “Oranje-Nassau” was in het begin een eenvoudige woning, met een pendoppo erbij. Het werd in 1892 feestelijk geopend met een opkomst van heel wat mannen van het KNIL. Hun aanwezigheid was geen toeval. Oranje-Nassau was aanvankelijk bedoeld als militair tehuis, onder de leiding van de zendeling Johannes van der Steur. Hij was enkele maanden eerder uit Nederland vertrokken met hoogstaande christelijke idealen. Dat er binnen het KNIL heel wat militairen samenleefden met njai (concubine), stond hem tegen. Hij vond, dat seksualiteit thuishoorde in het door God gezegende huwelijk. Daarbuiten werd het ontucht. Tegen alcohol en roken had hij ook ernstige bezwaren. Van der Steur redeneerde eenvoudig: wanneer de militairen een tehuis hadden met gezelligheid, dan zouden ze die niet bij een njai zoeken. Uit Nederland had hij boeken meegebracht (passende lectuur), een orgel (samen zingen schept verbroedering) en een omstreden reputatie als agressieve zendeling. Indië zag hem dan ook met gemengde gevoelens komen. Het was mooi dat hij iets voor de militairen wilde betekenen, maar was broeder Van der Steur met zijn methode niet een beetje naief?
Ondanks de bestaande twijfels liep het tehuis redelijk goed. Van der Steur bood zijn bezoekers niet alleen christelijke vermaningen. Hij kon van man tot man praten, hij hielp waar nodig met het schrijven van brieven en soms schonk hij chocolademelk, gemaakt naar Hollands recept. Wie van God los was geraakt, had zo toch redenen genoeg om het tehuis te bezoeken. Een slimme aanpak, en eentje die werkte. Zo verliepen er maanden, tot er in april 1893 een grote verandering kwam.

Kinderen

In april 1893 kwam een van de bezoekers van het tehuis naar Van der Steur met de mededeling dat er vier kinderen in de kampong waren, van wie de Italiaanse vader was gestorven. Een Javaanse vrouw had de zorg op zich genomen, maar zij was niet de moeder. Van der Steur nam de kinderen bij zich in huis. Vier kinderen, dat moest lukken meende hij, en het lukte ook. De militairen hielpen met de verzorging. Na deze vier kwamen er vijf bij, en daarna nog meer. Het aantal kinderen groeide snel, en het werd dus aanzienlijk drukker in Oranje-Nassau; in totaal zouden er naar schatting zevenduizend kinderen bij Pa zijn.
Militairen en kinderen konden het onderling goed vinden. Elk kind bezat in het tehuis een onafzienbare hoeveelheid ooms waarvan er altijd wel iemand tijd had om te spelen. Er waren natuurlijk ook ándere ooms. Van der Steur sprak niet over de familieleden die met lege armen waren achtergebleven in de dessa. Voor hem telde alleen dat ene: een kind dat een Europese (in de praktijk: Nederlandse) vader had, moest Europees opgevoed worden.

Steurtjes: Jonge mannen uit het tehuis.

Steurtjes: Jonge mannen uit het tehuis.

 

Molukse kinderen

Pa nam ook Molukse kinderen op, volgens een bron in de eerste jaren zelfs tot twintig procent. In 1898 waren er in Oranje-Nassau 144 kinderen, 28 van Molukse afkomst. Van der Steurs hart klopte voor deze kinderen en nog meer voor hun vaders, die volgens hem vaak tot de beste en trouwste militairen van het KNIL behoorde. Sneuvelde de man, dan ontving zijn weduwe geen uitkering. Dat onrecht was evenzeer een reden om de kinderen onderdak te bieden. Speciaal voor deze kinderen had hij een Amboneese school opgericht, waar ze les kregen.
Het onderdak omvatte veel. De meisjes en jongens kregen een opvoeding, vaak met scholing, vakopleidingen zoals voor schilder of smid en natuurlijk kregen ze godsdienstonderwijs van de door en door protestantste Pa. Op de platen die hij liet zien, werden God en Jezus voorgesteld als twee Hollands uitziende mannen, vaak in een Europees aandoende omgeving. Zo was dat toen. Kritische vragen stelde men nog niet aan een autoriteit. En Pa wás een autoriteit. Hij leidde het tehuis, een aantal jaren samen met zijn zuster Marie en daarna met zijn echtgenote, die ook Marie werd genoemd. Daarnaast waren er veel komende en gaande helpers, die zich allen naar de dwingende inzichten van Pa voegden.

Subsidie

Geleidelijk werd “Pa van der Steur” een begrip in Indië. De twijfels verdwenen. Hij kreeg van Gouverneur-Generaal J.B. van Heutsz (1904-1909) zelfs een forse subsidie van vele duizenden guldens voor deze ‘soldatenkinderen’. De kranten publiceerden vaker over hem in positieve zin en zo groeide hij uit tot een beroemdheid. Wie het over “Pa” had, bedoelde deze vader van honderden kinderen. Dat er ook militairen in het tehuis waren, verschoof naar de achtergrond. Zo wilde Van der Steur het; hij vertelde aan de kranten vaak en goed aangrijpende verhalen over zielige kindertjes en vroeg dan om donaties. Dat moest, want om elke dag al die monden te voeden was heel wat geld nodig. Het werkte elke keer uitstekend. Regelmatig gingen er hoge bedragen zijn kant op. De vraag dient zich aan, hoe zielig deze kindertjes eigenlijk waren. Een deel van het antwoord is te vinden bij Petrus Kipalong (1909-1935), een van de Molukse Steurtjes.

Petrus en Cornelis

Hoe Petrus Kipalong in het tehuis kwam, is niet goed te achterhalen. Waarschijnlijk kwam zijn broer Cornelis (later werkzaam in de klapperindustrie) mee. Gezien de lange tijd dat Petrus er woonde, is het waarschijnlijk dat hij al op jonge leeftijd in het tehuis kwam. Er waren meer mogelijkheden dan alleen vaderloos zijn. Van der Steur nam ook logés op, die tijdelijk onderdak nodig hadden; de ouders/verzorgers gingen bijvoorbeeld met kort verlof of werden overgeplaatst. Voor deze kinderen werd kost en inwoning betaald. Dan waren er Steurtjes, die een opportunische kijk op het tehuis bezaten. Zij lieten zich opnemen met het doel om via Pa een opleiding te krijgen en zodra het diploma behaald was, verdwenen zij weer uit de tehuiswereld. Tot welke groep Petrus Kipalong behoorde, kan alleen de Vereniging Vrienden van Yayasan Pa van der Steur opsporen. Deze Vereniging heeft het beheer van de tehuisadminisatratie waarin veel dossiers van kinderen liggen. Het is toegankelijk voor nazaten, dit in verband met privacy.
Toch valt het ook buiten dit archief wel iets over Petrus te zeggen. In het tehuisblad Onze Kleine Bode schrijft Pa van der Steur over hem, vooral in juni 1935. Dan zijn er enkele Steurtjes ernstig ziek, zozeer, dat voor het ergste gevreesd moet worden. Dit is wat Pa schrijft:

Met Petrus Kipalong gaat een deel van mijn leven in het graf. Petrus was een hoogst eenvoudige jongen. Hij had diploma Ambachtsschool en kreeg een betrekking in de suiker. Daar had hij het goed. Met de vak van de suikercultuur, viel ook Petrus en is als werklooze thuis gekomen. Thuis heb ik hem de kleintjes toevertrouwd en die ruim 200 kleine jongens waren bij hem in goede handen.”

In de opsomming die daarna volgt, leren we Petrus wat beter kennen. Hij was “een innige vrome jongeman”, die altijd naast Pa aan de etenstafel zat. En: “eerlijk als goud”. Hij ontwikkelde leiderschap: “Op de Amboineesche cathechisatie hielp hij mij met zingen.” Petrus was muzikaal, als kapelmeester van de fluitisten; in het tehuis was altijd muziek. Hij moet veel van zijn Pa gehouden hebben, getuige de beschrijving van het sterfbed die Van der Steur geeft:

Nu zei hij nog eenmaal: “Pa, waar moet ik slapen? Ik ben moe. Zeker op het kerkhof, ja Pa? Maar dan brengt U mij weg en legt mij ter ruste met een laatste kus”. “Ja, mijn jongen.”
“Dan is het goed.”

Bij de begrafenis van Petrus waren honderden kinderen aanwezig, “de gehele Ambonse school” was uitgelopen, en ook de militairen waren present. Van der Steur leidde de plechtigheid en hij sprak emotioneel bij het graf. Het verhaal in De Kleine Bode heeft een fraai christelijk einde:

Vannacht zat ik even alleen in zijn kamertje; het werd mij te zwaar en te machtig en het uithuilen deed me even goed. Toen stond ineens Cornelis achter mij. Hij legde zijn hand op mijn schouders en zei: “Kom Pa, niet zoo droevig, Petrus is een kind van God en God haalde hem thuis. Ik beloof u plechtig Pa dat ik mijn uiterste best zal doen om hem te vervangen.”

Hoe het verder ging met Cornelis, staat niet meer vermeld, jammer genoeg. De geschiedenis van de broers moet groter zijn geweest dan deze jaren in het tehuis. Waar is de familie Kipalong? Hoe keek Cornelis later terug op zijn tehuisleven? Hoe Moluks mochten de kinderen zijn? Dat zijn vragen waarop het antwoord onbekend is. Toch lees je tussen de regels door dat deze twee broers bepaald geen zielige kindertjes waren, zoals Van der Steur zijn pupillen aan de buitenwereld graag presenteerde. Harde werkers moeten het geweest zijn, die in staat waren verantwoordelijkheid te dragen, gevoelig daarbij. Bijzondere jongens. Overigens zou Van der Steur de sterfdag van Petrus nog jarenlang herdenken. Dat komt rechtvaardig over.

Slot

In mijn biografie van Pa van der Steur  besteed ik meer aandacht aan het leven in het tehuis dan ik hier in Marinjo kan doen. Maar ook dat boek is geen encyclopedie met de naam van elk kind dat ooit bij Pa in huis geweest is. Veel kinderen, eenmaal volwassen en in Nederland, zwegen erover. Het woord ’tehuis’ had hier een ongunstige klank. Soms is er toch iets, niet veel, gezegd. Dan is er voor de nazaten van deze Steurtjes de kans om iets meer te weten te komen via de Vereniging Vrienden van Yayasan Pa van der Steur. Op de website vindt u nadere informatie: www.http://pavandersteur.org/

 

 


Dit artikel verscheen eerder in Marinjo.

Bij deze mijn verhaal over de gesloten eigenschap van mijn echtgenoot

Twee jaar geleden schreef Francesca van Heije-Neys een brief aan de minister van defensie. Ze vertelde over het verleden van haar man. Ik mag de brief hier publiceren.

Het is moeilijk om te lezen, dat weet ik. Het is nog belangrijker om ook deze verhalen te vertellen en door te geven. Over wat er gebeurde, over de doorwerking ervan in een leven en dat van anderen.


Nazomer

Hij zit rustig zijn rolstoel, kijken naar de tuin. De bladeren beginnen al bijna alles geel en rood te worden, sommige zijn al gevallen. Het is een lekkere nazomerse middag met de zon die rustig schijnt maar niet zo krachtig is.
Hij zucht diep, schudt met zijn hoofd en probeert alles te doen om wat in zijn hoofd nog speelt weg te wissen. Maar het is niet gelukt. Alle beelden worden hoe langer hoe duidelijker en dan komt zijn angst van tientallen jaar terug.

Radio Telegraaf School

Hij was toen een jongen van zeventien jaar, kreeg een studiebeurs en zit op de laatste klas van Radio Telegraaf School in Goenoeng Sari weg te Batavia. Zoals gewoonlijk was het een dagelijke schooldag totdat meneer Doréé, de directeur van zijn school, binnenkwam.

Hij keek een beetje ernstig, haalde een stukje papier uit zijn broekzak en begint te lezen wat er in stond. Blijkt dat het een paar namen waren van leerlingen die mee moeten lopen naar zijn kantoor. Onder al die namen riep hij ook “Jimmie”, zijn roepnaam. Zijn hart begon van angst en hart te kloppen terwijl hij nog niet wist wat er gaande was.
In het kantoor van meneer Doréé, stonden alle jongens met gebogen hoofd. Heerst een stilte waar men alle ademhalingen-ritmes van iedereen in de ruimte kan horen. Na een uur kwamen ze weer buiten met lege hoofden maar wel met volop grote vraagtekens.

Noodsituatie

Het was 1942, volgens meneer Doréé zaten we (de Nederlandse regering) in een noodsituatie omdat het Japanse leger dichterbij kwam, Batavia en Soerabaja waren al gevallen. De rest van de eilanden in het oosten waren al lang gevallen. Volgens opdracht hoeft hij morgen niet naar school maar naar het gebouw van de Stichting J.P. Coen aan Pasar Roempootweg te Batavia klokslag 08.00 uur.

Matjan

Om acht uur was hij aanwezig bij de Stichting, werd eerst gefouilleerd door de wacht en toen toegewezen naar een lokaal waar blijkt dat alle radio-ontvangers reeds klaarstaan. Na een uur of twee, kwam een officier van het leger met zijn adjudant en riep hard voor stilte. Hij gaf uitleg over de nijpende situatie en vroeg iedereen om recht te gaan staan wegens eedaflegging. Wie domme dingen doet tegen dit rood wit blauw, kreeg een vuurpeloton toegewezen. Na de eedaflegging kreeg iedereen toegewezen waar hij of zij gestationeerd moest worden. Gestationeerd op de Javazee met opdracht wanneer de vijand te dichtbij was, dan moeten ze alles vernietigen en wegwezen. Sommigen kregen hulp van de marine en sommigen moeten het zelf maar verzinnen om daar weg te kunnen gaan. En Jimmie had geluk omdat hij in de kazerne bleef en 12 uren ploegendienst kreeg.

Hij gebruikt het woord matjan als zijn wachtwoord. Matjan betekent tijger in het Nederlands. Toen in die tijd vond hij het heel stoer om zulke dingen te doen. Hij is al gek van transistoren, radio en alle techniek plus theorie op dit gebied. Jimmie, van Eijck, Lepinad, Harahap, en nog veel meer bedienen de ontvangers en alle berichten wat ze krijgen vanuit de Javazee of andere linies, dit moet direct gerapporteerd worden aan de hogere rangen en die zijn o.a. Anakotta, een landmachtofficier.

Uitvinding

Na alle pogingen kregen de jongens bij de Stichting J.P. Coen een belangrijke uitvinding. Blijkt dat één van de ontvangers een golf kan monitoren van een Japanse basis in Batavia. Ze hadden met moeite onderzocht dat de golf kwam van de Pasar Baroe weg. Exact gezegd was een grote speelgoedwinkel, Toko Tjioda. Alle voorbereidingen werden in acht genomen om deze winkel binnen te vallen. Die dag was een gewone opgewonden dag alleen het was te lang rustig geweest. De situatie was heel nijpend maar volgens zeggen kwamen de Engelsen om hun te helpen de Japanners te verslaan.

Japanse soldaat

Opeens was zijn koptelefoon afgerukt met grof geweld voordat hij beseft wat er gaande was, stond stond voor hem een Japanse soldaat, gillend met een taal die hij niet begreep. Daarna kwamen alleen maar klappen en schoppen in het gezicht of andere delen van zijn lichaam.

Het was zo snel gegaan dat hij reeds gedwongen was op een truck te springen en weggereden naar een militaire Kamp even buiten Batavia. Het was Kamp Kepala Nunggal.
Hij denkt aan thuis. Hij denkt aan zijn moeder. Hoe is het met haar toen ze besefte dat haar enige kind niet meer thuis kwam. Tranen kwamen uit zijn ogen. Hij voelde zich schuldig dat hij dit veroorzaakt had voor zijn moeder.

De Jap

Na een paar dagen gezeten te hebben, begint de echte wereld tevoorschijn te komen. Midden in de nacht werd hij uit zijn cel geplukt door de Jap. Het was geen pretje. Van die ene trap naar de andere klap. Zijn lichaam was gebruikt als asbak. Van sigaretten tot sigaar, alles belandt op alle delen van zijn lichaam en als je huilt werden de martelingen nog erger. Hj moet bekennen: waar waren de rest van de radio-ontvangers, wie waren zijn meerderen, waar de Nederlandse compagnie zich bevond enzovoort enzovoort. Op een nacht werd hij weer gebracht naar een verhoorkamer waar een van zijn medegevangenen reeds aanwezig was. Voor zijn kameraad zat een zwangere vrouw, huilend en smeken naar genade. De Jap zei tegen hem: “Kijk als je niet wil praten dan kan deze tragedie ook bij jou gebeuren” en daarna trapte de Jap de buik van deze zwangere vrouw… Na die tijd hoort hij alleen maar gegil van zijn kameraad, de zwangere vrouw was flauw gevallen en rondom haar zit vol met bloed en daarna weer een trap. De ongeboren baby kwam half eruit, vol bloed, de vrouw blijft slap hangen op de stoel en het gegil en de woede van zijn kameraad was niet te beschrijven met woorden. Daarna wordt een kogel het hoofd van zijn kameraad binnen, en de rumoerige nacht is een stille nacht geworden. Hij viel ook flauw, met vol spetterend bloed op zijn kleding.

Potloden

De volgende marteling was dat een andere kameraad in zijn oren met puntige potloden werden weggedrukt en de persoon in kwestie was op slag dood. Over deze marteling wil hij niet of kan hij niet praten. Als hij er aan denkt, beginnen zijn ogen wild te worden, zijn hele lichaam begint te trillen en is kletsnat van koud zweet. Waar hij bang voor was is dat de Jap weet dat hij een moeder buiten nog heeft rondlopen en dan is het mogelijk dat hij zijn moeder ziet in de verhoorkamer, of nog ergere dingen dan alleen maar dat.
Bij de volgende en nog volgende martelingen, probeert hij met zijn gedachten af te dwalen naar huis, bij zijn moeder. In zijn gedachten speelt een film waar hij zit te hurken naast zijn moeder om haar te helpen al het bestelde eten klaar te maken. Ze zijn arm, hebben alleen maar mekaar, een vader had hij nooit gekend. Hij is enig kind. Zijn moeder zoekt geld met eten te verkopen of borduurwerk aan te nemen van een confectiebedrijf. En dan gaat zijn film naar andere leuke momenten. Dat hij en zijn kameraden alleen maar met korte broeken elke keer vanuit een kleine brug bij het Tjiliwungkanaan springen, en dan gauw weer zwemmen naar de oever om weer een sprong te doen die misschien hooger werd dan de rest.
Maar afwijken van de realiteit vaker ook niet. Ook toen hij opeens een trap kreeg aan de rechterkant van zijn gezicht. Hij werd duizelig en viel flauw. Hij was al in zijn barak toen hij bij bewustzijn kwam en kon alleen maar een gesis horen via zijn rechteroor. Sindsdien is zijn rechteroor doof.

Jimmie was heel mager geworden, er waren geen tranen meer, er was alleen maar angst, angst en nogmaals angst. Hij verlangde naar de dood! Als hij had geweten over alle consequenties van deze opdracht van het leger had hij dat geweigerd. Die jongen Jimmie met volop stoere eigenschappen was nu een jongen die niet meer in de ogen van een ander durfde te kijken. Een geslagen jongeman.

Alles is zo diep

Het lijkt wel jaren toen ze eindelijk bevrijd werden door de Engelsen. Van kamp Kepala Nunggal wer werd hij getransporteerd naar Batavia. Na de motor Transport dienst bij de Djokja kazerne in Djokjaweg te Batavia. Hier kreeg hij opdracht om alle voertuigen die niet meer rijden, rijdende te maken.
In de avonduren wanneer hij vrij is, vraagt hij verlof om zijn moeder op te sporen. Na een paar dagen moeite, ontmoet hij zijn moeder bij een familielid in Petjenongan te Batavia. Hij heeft geen woorden meer. Hij kan niet meer erover praten, alles is zo diep, alles is zo pijn. De hele avond zit hij te huilen en zijn moeder vast te pakken zodat hij haar niet meer verliezen kan.
Na een paar maanden, lukt het hem wel om zijn opleiding als radiomonteur te voltooien, in de avonduren.

van puzzels een verhaal

Over deze periode wil hij niet meer denken of erover praten. Met niemand! Totdat de kinderen allemaal uit het huis zijn, hij ouder wordt en veel meer tijd om zijn eigen gang te doen. Begin met veel nachtmerries. Zijn echtgenote krijgt pakslagen, trappen tijdens haar slaap. Gegil, oud hoofdpijnen volgend van de ene dag naar de andere dag.

Als echtgenote, vraag ik beetjes bij beetjes over het verleden. Het is niet makkelijk. Na meer dan 28 jaar heb ik geprobeerd van de puzzels een verhaal te maken. Alles uitgelegd bij de commissie Backpay en na een lang onderzoek is mijn echtgenoot erkend als militaire. Toen ik de erkenning van de commissie Backpay aan hem niet lezen, begon hij te huilen. Hij pakte mijn hand vast en zei kort: “Poppetje, ik heb de koningin en mijn kameraden verdedigd.”

Tot slot

Jimmie is geen persoon die volop trots en glorie alle zware tijden in de duistere Japanse bezetting te kunnen of willen vertellen aan derden.
Voor Jimmie, wat er gebeurd is, is gebeurd en daar praat hij liever niet over.
Hij meldt zich nooit aan bij de veteranenclub. Hoeft niet zei hij, ik heb het toch overleefd.
Voor Jimmie, zijn vaderland verdedigen en zijn kameraden niet verraden is vanzelf sprekend.
Zoals u nu weet is van een jongen van 17 jaar zijn leuke jonge jaren verscheurd door een hopeloze oorlog. Waarvoor?

Geachte mevrouw,
Ik schrijf dit verslag om alleen maar te laten weten hoeveel jonge mannen die proberen zich schuil te houden na alle ellende die ze hebben meegemaakt. Voor deze groep geldt een motto: stilte is vrede.

Ik heb al heel lang het voornemen om deze onrust in mij weg te schrijven

Indië, 1947. Jan Benetreu (1919) en Sylvia van Krieken (1922) zijn pas getrouwd. Knijpt u de ogen ook dicht? Ik wel. Dat jaar. Die jonge mensen.  Hun zoon Ed Benetreu stuurde een open brief aan Marion Bloem, die ik hier ook mag publiceren.

Geachte mevrouw Bloem,

Met heel veel belangstelling heb ik uw opinie Wat ik bij Pauw had willen zeggen gelezen.
Hoewel ik eigenlijk geen tijd heb (*) om te reageren, raakt dit onderwerp mij al een tijd zodanig dat ik graag even snel een spontane reactie geef. Ik ben het niet op alle punten met u eens, maar in essentie onderschrijf ik de strekking van uw opinie.
Zoals gezegd reageer ik nu spontaan waardoor mijn reactie niet altijd even logisch en gestructureerd van opzet zal zijn. Ik worstel de laatste jaren met deze problematiek en heb al heel lang het voornemen om deze onrust in mij weg te schrijven.

(*) Mijn zus is helaas nu in haar laatste levensfase als gevolg van die verschrikkelijke ziekte die ook uw zus heeft getroffen. Mij zus heeft geen partner en geen kinderen en ik ben het enige familielid. Dus veel zorgtaken, maar vandaag hebben mijn vrouw en ik dankzij vrienden een dag “vrij”.

de hele bladzijde was leeg

Het onderwerp houdt mij (70 jaar) de laatste jaren zeer bezig en ik ben me er helaas de laatste jaren pas van bewust hoe zwaar mijn ouders het hebben gehad.
Mijn ouders wilden nooit over die zwarte periode in hun leven spreken, af en toe een enkele opmerking of toespeling. Zelf wilde ik er nooit naar vragen of er dieper op ingaan. In het begin besefte ik de impact nog niet zo en later wilde ik er niet over beginnen omdat ik zag dat het pijn deed.
Mijn vader heeft op verzoek van zijn kleinkinderen zeer beknopt zijn leven beschreven. Over de oorlogstijd wilde hij het niet hebben. Er stond slechts zwart en de hele bladzijde was leeg met een schuine streep er door heen.

Verloren jeugd

Natuurlijk heb ik nu spijt dat ik pas heel laat ben gaan beseffen wat er in werkelijkheid speelde en hoe zwaar die periode geweest moet zijn.
Eerst de verschrikkingen van de oorlog (moeder op 17e jaar in Jappenkamp zwaar gemarteld, vader overlevende van de Birma spoorweg), daarna geen thuis, alles weg geen ouders, geen of nauwelijks familie en daarna het veranderde politieke klimaat en de Bersiaptijd. Een totaal verloren jeugd.
(ik ben totaal a-technisch, mocht niet met elektriciteit omgaan van mijn moeder omdat ze hangend met stroomstoten werd gemarteld; in dit kader vertelde ze dus wel iets over de oorlog, dus via zo’n omweg)

Mijn ouders waren het toonbeeld van lieve zorgzame ouders

Geen wonder dat zoveel mensen ‘verminkt’ uit die periode zijn gekomen en dat velen een geestelijke ‘deuk’ hebben opgelopen. Nu begrijp ik een beetje de klachten van vele Indo’s over hun soms hardhandige opvoeding. Ik ben enorm geschokt door het boek De tolk van Java. Ik heb zulke ervaringen gelukkig nooit meegemaakt. Mijn ouders waren het toonbeeld van lieve zorgzame ouders. Nooit geslagen, laat staan mishandeld. Juist omdat ze hun jeugd verloren hadden mochten de kinderen niets te kort komen. Wij hadden het niet breed, maar alles werd opgeofferd voor het welzijn van de kinderen. Maar ik besef nu heel goed dat het door al die ontberingen in hun jeugd ook anders had kunnen zijn.

Inzicht krijgen

Ik ben al heel lang van plan – ook op uitdrukkelijk verzoek van mijn kinderen – om elke herinnering op te schrijven en zaken te benoemen. Ik wil proberen door middel van het distilleren van mijn herinneringen en het analyseren van alle opmerkingen/gedragingen van mijn ouders inzicht te krijgen in hun zwaar getraumatiseerde jeugdperiode. En ook in de periode daarna, de onzekerheid, bij wie hoorde je, waar moest je voor kiezen, waar moest je naar toe. Verschrikkelijke dilemma’s voor die generatie. Deze problematiek wil ik proberen voor mij deels in kaart te brengen en te bewaren en eventueel door te geven. Het mag niet verloren gaan. Tot nu is het bij mij bij gedachten gebleven en geen tijd, geen tijd. Nu ik gestopt ben met werken mag dat niet echt een excuus zijn en ik merk dat het in me blijft borrelen. Dus dit is misschien een eerste stap naar aanleiding van uw opinie.

Wegcijferen en aanpassen

Helaas is deze problematiek pas zeer laat echt bij mij binnengekomen. Indische mensen hebben inderdaad de ‘gewoonte’ zich weg te cijferen en zich aan te passen. Ik heb dit ook herkend bij mijn ouders. Uiteindelijk hebben ze het fantastisch gedaan en zijn hun twee kinderen goed terechtgekomen. Maar het leed, het verdriet, de onzekerheid over hun toekomst, het zich niet geaccepteerd voelen, de onwetendheid/het gebrek aan kennis over de Indische Nederlander moet enorm pijn gedaan hebben. Pijn die ze hebben weggestopt en voor zichzelf hielden. Het spijt me enorm dat ik die pijn niet heb onderkend en er niet met mijn ouders over heb kunnen spreken. Dat doet mij zeer.

En ook ik moet bekennen dat ik tot diegenen behoor die niet gereageerd hebben en u in uw ogen niet gesteund hebben. Maar het besef van de problematiek is zoals hopelijk uit het bovenstaande is gebleken pas laat tot mij echt doorgedrongen

Indische geschiedenis

Na de periode met mijn zieke zus, zal ik zeker beginnen met het op papier zetten van mijn gevoelens en mijn bevindingen over deze problematiek. Ik heb het mijn kinderen beloofd, maar vind het ook belangrijk dat de Indische geschiedenis niet verloren gaat. Hopelijk blijft iets hangen over het verleden van Nederland en de Indische gemeenschap.

Ga naar de bovenkant