Wie heeft er nog een Wilhelmina-armband?

WilhelminaIn de stad zag ik deze week de feesten van Koningsdag en vanzelf dacht ik aan die ene bijzondere armband in mijn bezit. Een dubbeltjes-armband, gemaakt van kleine muntjes van koningin Wilhelmina. Een sieraad dat een venster op de tijd is.

Verlangen

Misschien heeft u ook zoiets.
Eens toonde een nazaat van de kruidengeneeskundige mevrouw Kloppenburg mij prachtige kabaja-knoopjes, die waren het eigendom geweest van Lucy, een zuster van mevrouw Kloppenburg. Ik mocht de knoopjes even vasthouden en voelde me dichterbij Lucy.
Kleine friemelknoopjes, een ander zou er niks van vinden, maar ik wist het: het zusje, de kabaja, wat eens geweest was, kon ik bijna aanraken, er zat alleen tijd tussen.
Dat gaat ook op voor andere voorwerpen.
Een kris die al generaties in de familie is, wekt meteen ontzag.
Laatst zag ik een mapje, ooit gekocht bij een kantoorboekhandel in Bandoeng, de naam stond er zomaar op, en in mij borrelde het heimwee op naar een winkel waar ik nooit geweest was.
Elke keer als iemand zegt: “Dat is nog van … geweest,” voel ik wat ik doen voelde: een mengeling van ontroering en nostalgie, een verlangen naar iets of iemand dat nooit meer terug komt.

Dubbeltjes

In die lijn ligt mijn dubbeltjes-armband. Nauwelijks een week voordat de euro werd ingevoerd, werd een sluimerende wens naar zo’n armband klaarwakker.
Want zo leuk, dubbeltjes.
En dan Wilhelmina. Zij werd als jonge achttienjarige vrouw in 1898 ingehuldigd als koningin der Nederlanden, dus inclusief Indië. Met haar inhuldiging leek een militair offensief tijdperk voor de kolonie te beginnen. Evenzogoed markeert dat jaar het begin van een stroom Oranje-feesten, met foto’s van meisjes die grote witte strikken in hun haar dragen.
Voor mij staat Wilhelmina voor een tijdperk: die omwenteling, daarna de moderne tijd, de oorlog.

Toen de wens naar een Wilhelmina-armband urgent werd, wist ik dat er weinig tijd was om te gaan verzamelen. Ik geloof dat ik nog zeven dubbeltjes te pakken kreeg. Twee of drie had ik liggen in een theekopje met kleingeld.

Fast forward naar de eetwijk op de Tong Tong Fair, waar mijn moeder en ik aan een tafeltje zitten. Zij draagt een dubbeltjes-armband om haar pols en ziet me kijken.
“Wil je hem hebben?” vraagt ze.
Zo is ze. Direct.
Ik (toch ietwat beschroomd):”Ja… als het kan….”.
Ze deed de armband meteen af en zei: “Hier.”
“Dankjewel,” zei ik nog, ietwat overvallen.

Zilverpoets

Dus dat is een tweede herinnering aan mijn Wilhelmina-armband: hoe ik die opeens cadeau kreeg. De armband ligt altijd op mijn werktafel en als ik ernaar kijk, denk ik aan mijn moeder, aan Wilhelmina en aan wat er in die bijna een halve eeuw in Indië gebeurde.
En ik denk ook, het is hoog tijd om eens wat zilverpoets aan te schaffen.

“de scheiding tussen de Indische binnenwereld en de Hollandse buitenwereld”

“Mijn vader, moeder, broer en ik, en als grote bijzonderheid onze lieve “kokkie”. Genomen op Scheveningen in 1938 toen mijn vader op tropenverlof was en wij in Den Haag in een pension woonden. De reis ging per boot en kokkie was gevraagd mee te reizen om op ons, de kinderen, te passen.”

Winnie Goldman-Schultz schreef me. Of ik haar verhaal wilde lezen. Ja, natuurlijk. Ik las het en moest het meteen herlezen, maar toen zat er een klem om mijn hart. Maar ik was blij dat ze het schreef.  En om het positieve einde. Het verhaal had ze ingestuurd voor de Nusantara wedstrijd.

Ik ben een Indische vrouw van 83 jaar, geboren in Semarang, Midden-Java

Omdat ik nu alleen ben, sinds 5 jaar weduwe, nemen de herinneringen een grote plaats in mijn gedachten in. Als een uitdaging zich voordoet – zoals deelnemen aan een schrijfwedstrijd – en omdat ik graag schrijf en praat, moet ik van mezelf op de uitdaging ingaan.

Willem Ruys

Als kind van twaalf ben ik met moeder en broer op de Willem Ruys in Holland beland. In mei 1948 stapten wij als volledig gezin van ouders, zoon en dochter aan boord om zes maanden tropenverlof van mijn vader te vieren. Tot groot verdriet werd mijn vader na drie dagen aan boord door een hartaanval getroffen.
Het was een verschrikkelijke gebeurtenis.
Wij hadden elkaar na de Japanse gevangenenkampperiode die drieënhalf jaar duurde, teruggevonden en dan raak je elkaar ineens weer kwijt. In overleg met de kapitein van het schip besloot mijn moeder mijn vader een zeemansgraf te geven. Haar reden was: hij hield van de zee, zijn werk bij Internatio, het scheepvaartbedrijf van de Rotterdamsche Lloyd in Indië, bestond veelal uit het bezoeken van binnengekomen schepen in Tandjong Priok, de haven van Batavia.

Wij waren opeens met ons drieën

Wij waren opeens met ons drieën. Moeder bleef in haar hut en kreeg overdag een rustige plek op het dek. Ik zwierf rond, mocht overal komen, voelde mij zeer eenzaam. Het leek alsof ieder van ons zijn eigen verdriet moest verwerken, de grote klap was nog niet doorgedrongen. Broer en ik zaten in de eetzaal opeens met ons tweeën in plaats van met ons vieren. We voelden ons bekeken en zouden het liefst onder de tafel zijn gaan zitten. Niemand van de passagiers – voor ons allemaal onbekenden – bemoeide zich met ons.

Vreemdelingen

Terugkijkend op de aankomst in Nederland en de periode daarna kan ik zeggen dat wij als vreemdelingen werden bejegend. Nederland was met haar eigen moeilijkheden bezig en men vroeg zich af wat wij hier kwamen doen. Zij hadden net hun oorlog achter de rug. Vertellen over wat achter ons lag kwam niet aan de orde. Een voorbeeld hiervan is het volgende: ik werd nagelopen door een groep jongens die mij uitscholdt voor aap. Ik begreep er niets van. Later drong het tot mij door, ons uiterlijk verschilde van de totoks, oftewel de Hollanders.

Ondanks de moeilijke beginperiode werd er van ons verwacht dat wij ons aanpasten, naar school gingen, niet zeurden, met het weinige geld niet ontevreden waren en zo gauw mogelijk de maatschappij in zouden gaan. Dat alles bijna zonder woorden van mijn moeder, die haar uiterste best heeft gedaan om op de been te blijven. Weer voelde ik mij eenzaam, wilde mijn moeder die haar man had verloren niet belasten met mijn angsten en onzekerheid. Dat ik een vader had verloren, die ik eigenlijk niet had leren kennen door de oorlogsperiode, was nog niet tot mij doorgedrongen.

pension

“Mijn moeder, broer en ik, omstreeks 1949 genomen in een onderkomen in Den Haag.”

Pension

Wij vonden onderdak in een pension in Den Haag. Mijn vader had alle reserveringen tot in de puntjes al vanuit Batavia geregeld. De pensionhoudster was heel vriendelijk voor ons Wij pasten ons aan, onder andere aan het Hollandse eten, het badkamer-gebeuren: geen douche maar alle drie achter elkaar in de badkuip in hetzelfde water, niet meer dan eens in de week. Ik was altijd de laatste en moest daarna de badkuip schoonmaken.
Als mijn moeder bezoek kreeg dat kwam condoleren kroop ik gauw onder de dekens waar niemand notitie van mij nam maar waar ik alles kon horen wat er gezegd werd. Bijvoorbeeld: Ja, zo is het, de beste gaat het eerst. Het schokte mij. Toen de vakantietoelage op was konden wij de twee kamers waar wij woonden niet meer betalen. Een oplossing van de pensionhoudster was dat wij tijdelijk konden verhuizen naar de zolder waar een paar ruimten werden gemaakt door gordijnen en lakens op te hangen.

School

Op een gegeven moment verhuisden wij van het pension in Den Haag naar een klein flatje aan de rand van Den Haag. Het dagelijks leven werd wat ‘gewoner’, we kwamen wat tot rust. Broer en ik mochten weer naar school. Ook toen was het, zeker voor mij, moeilijk om mee te komen op de HBS tegenover het Gemeente Museum in Den Haag. In Batavia had ik na de oorlog korte tijd bij de nonnen van de orde Ursulinen op hun HBS gezeten waar het onderwijs op een ander niveau lag. Hollandse kinderen hadden op de lagere school gezeten, hadden rekenen, grammatica, Frans en andere vakken geleerd. Ik miste vele vakken en zette een tandje bij om bij te blijven.

Mijn schooltijd was een samenraapsel van perioden met en zonder lessen. In het eerste Jappenkamp was er geen schoolgebouw. De nonnen, die in Indië het onderwijs in handen hadden, gaven les in de buitenlucht. De lessen waren vooral mondeling omdat er geen potloden en papier beschikbaar waren. In het tweede kamp waar wij naartoe werden vervoerd, werd er helemaal geen les gegeven, en in het derde en laatste kamp ook niet. Ik mat mij een houding aan van geen vragen stellen, niet over thuis praten, geen aandacht vragen.

Mond houden

Op een schoolkamp had op een gegeven moment iedereen ruzie met elkaar, behalve met mij. Dat kan ik mij nog zo goed herinneren, het voelde alsof ik er niet bij hoorde. In de klas was ik het enige getinte meisje. Een moment dat de aandacht op mij gevestigd werd kwam toen de lerares Nederlands, een strenge vrouw, vroeg wie er in de klas Rooms Katholiek was. Ik was de enige die mijn vinger opstak, waarop zij zeer negatief reageerde en ik alle blikken op mij gericht voelde. Naderhand had ik spijt van mijn actie en dacht: mond houden.

Mijn moeder en haar vriendinnen spraken weleens over het verleden in Indië en de kamptijd. Zij eindigden die verhalen altijd met “maar we hebben zo gelachen.” Ik vond dat vreemd en begreep dat niet. Zij en ik, maar ook mijn broer en vader hadden toch heel erge dingen meegemaakt in hun Jappenkampen, zoals de wreedheid van de Japanse bezetter, de honger, angst, ziekte en de vraag: hoe lang zal dit duren en zullen we elkaar ooit terugzien.
Ik heb die houding van mijn moeder ten opzichte van het oorlogsverleden ten dele overgenomen en begreep pas later dat het voor haar een manier was om ermee om te gaan. Mij heeft het enigszins geholpen om wat er gebeurd was te verzachten. De ervaringen verdwenen echter niet. Een hulp bij het leven in deze periode was het gevoel voor humor. Zowel mijn moeder, broer en ik bleken de zorgen van alledag aan te kunnen door onze humor te gebruiken. Dat maakte alles wat moeilijk was wat lichter en luchtiger zodat we weer verder konden.

de Indische binnenwereld

In ons nieuwe leven in Den Haag speelde ons verleden helemaal geen rol. Ik denk dat toen de scheiding tussen de Indische binnenwereld en de Hollandse buitenwereld is ontstaan.

In die Hollandse buitenwereld was ik aan mezelf overgeleverd, wat zich uitte in om je heen kijken, presteren, nieuwsgierig zijn naar hoe anderen het doen. Oorzaak van deze manier van leven was het feit dat ik mijzelf moest ‘opvoeden’. Moeder leunde in alles op mij, broer ging zijn eigen gang. Ik – puber – voelde mij verantwoordelijk voor het welzijn van mijn moeder. Zij kreeg te maken met financiële problemen, belastingaanslagen, contacten met het kantoor van mijn overleden vader. Omdat zij totaal niet op de hoogte was van deze materie bracht haar dit van haar stuk.
Ik kan mij nog diverse malen herinneren dat ik haar huilend in de woonkamer vond met moeilijke brieven in haar handen. Ik kon haar niet helpen, alleen maar naar haar luisteren en samen een bevriende persoon zoeken die ons kon helpen.

Indische jongen

Ik ben met een Indische jongen getrouwd. Dat gaf zowel in mijn omgeving als in de zijne de nodige opschudding. “Moet je niet een blanke vriend hebben in dit land.” Hoe groter de negatieve reactie hoe vasthoudender ik werd in mijn keuze voor hem. Gebleken is dat mijn gevoel goed is geweest: 55 jaar gelukkig getrouwd geweest met als kroon op het leven twee prachtige kinderen.
Op den duur is duidelijk gebleken dat mijn man zelfs voor mijn moeder mijn juiste keuze bleek te zijn. Hij was een lieve schoonzoon, was zeer attent voor haar. Hij liet haar meedelen in het leven van ons tweeën. Kortom, ze waren dol op elkaar. Wat bijzonder was, was dat er altijd humor in de lucht hing. Mijn moeder fleurde er van op als hij in de buurt was.

Ik heb mij beheerst

Het onbegrip van de buitenwereld heeft wel mijn hele leven op onverwachte momenten de kop opgestoken. Een voorbeeld: baas tegen mij, zijn secretaresse – we zijn in 1978 – “hoe is het mogelijk dat je dit bereikt hebt zonder voldoende scholing”. Ik had er geen antwoord op. Nog een incident: meisje van de boekhouding: “hoe komt het dat jij zo goed kan schrijven, jij bent toch niet in Holland geboren. Spraken jullie daar Hollands”. Ik heb mij beheerst.
Uiteindelijk heb ik 28 jaar als directie-secretaresse gewerkt met heel veel plezier. In die periode heb ik kennis gemaakt met voor mij interessante bazen, die wat over hun vak te vertellen hadden en dat met mij wilden delen. Ik kon daar in mijn persoonlijk leven van profiteren. Het maakte mij mondiger.

In balans

Gijs en Winnie

Terugkijkend moet ik vaststellen dat ik, ondanks mijn Oosterse karakter waar bescheidenheid een onderdeel van is, op beslissende momenten standvastig, eigenwijs en sterk ben geweest. Mij niet heb laten ondersneeuwen en in de schaduw heb laten wegzetten. Ik heb een eigen mening gevormd en heb niet alles voor zoete koek aangenomen.

Op dit moment moet ik vaststellen dat het verleden mij heeft gemaakt tot wat ik nu ben, sterker, met meer inzicht in de gebeurtenissen van alledag. Ik heb eigenschappen in mijzelf moeten ontdekken en gebruiken om een pad te vinden dat bij mij past, waar verleden en heden met elkaar in balans zijn.

Samengevat: op een schoen en een slof begonnen en kijk nu: een gelukkig mens!

Winnie Goldman-Schultz

 

Praktische schrijftip

Een levensverhaal schrijven hoeft niet altijd een groot werk te zijn. U kunt best klein beginnen met een paar kantjes. Over uw ouderlijk huis, de kindertijd en de jeugd, wat er gebeurde in uw volwassen leven. Of u in de computer schrijft of met de hand in een schriftje, dat maakt niets uit. U doet gewoon wat voor u het gemakkelijkste is.

“Mijn jongste dochter zei: je schrijft toch niet over ons?”

Noor signeert haar eigen boek

Anak Beruntung heet het boek dat Noor de Ruyter de Wildt schreef. Gelukskind. Ze volgde de cursus Levensverhaal schrijven en nu is ze een tevreden mens. Maar: “Er komt geen tweede boek.” Waarom niet?

Noor moet lachen als ik dat vraag. Voor haar is het zo vanzelfsprekend.
Ze zegt: “Ik kan niks verzinnen, dus hier houdt het op. Mijn autobiografie is ook een zoektocht naar mijn vader geweest. Ik schreef op wat ik wist en gelukkig heb ik een goed geheugen en ook wat ik van anderen hoorde.”

Geleid

Dat van die anderen is een verhaal apart, weet Noor. “Het leek wel of dat geleid werd,” zegt ze. Ze bedoelt: door haar vader, die in de oorlog te vroeg gestorven is om zijn dochter ooit te zien. Toen Noor begon met schrijven, kwamen er steeds mensen op haar pad die iets zeiden of wisten waardoor ze weer een puzzelstukje van het geheel had. “Pas op de laatste bladzijde van het boek wist ik genoeg om de vraag te beantwoorden waarmee ik begonnen ben, en dat was waarom ik als vierjarig kind ben weggegeven.”

Het antwoord gaf Noor meer begrip van haar levensgeschiedenis. Dat begrip kregen ook de kinderen en kleinkinderen toen ze het boek lazen. Hoe waren de reacties?

Noor met de trotse familie

Noor met de trotse familie

“Je schrijft toch niet over ons?”

“Toen ik met het boek begon, was mijn jongste dochter  er eerst onrustig over. Ze zei: je schrijft toch niet over ons? Maar ik moest wel, want het is mijn levensverhaal. Wat ik schreef, vertelde ik niet. Ze heeft het boek in een heel weekend uitgelezen, belde me erna op en zei dat ze het prachtig vond. Ik heb van niemand nog iets lelijks gehoord.”

Het boek heeft meer lezers gevonden: bij elkaar zijn er nu meer dan tweehonderd van verkocht. Dat kwam ook door aandacht van de regionale kranten en een feestelijke boekpresentatie, waar medeleden van het koor Suara Kita aanwezig waren, Kees Maaswinkel,  Jacques Brijl, Silfraire Delhaye en Blauwvogeltje van Indisch4ever. In het voorjaar wil Noor pasars bezoeken om te vertellen over haar boek en het te verkopen. Ze heeft er zin in.

Jaarcursus

Ik voelde me blij toen ik het hoorde, want ja, Noor heeft bij de Indische Schrijfschool de jaarcursus Levensverhaal schrijven gevolgd. Wat heeft ze er aan gehad?
“Doorgaan. Soms wilde ik het wegleggen en er niet meer naar kijken, maar door de weekles bleef ik er toch mee bezig en ik hield de moed vast. En ik heb  hoofdstukken leren maken en ook op een rijtje gekregen hoe je moet beginnen en niet uit het oog verliezen waar je naar toe wilt, de draad vasthouden .”

Wat een mooi resultaat is hieruit voortgekomen. Van harte gefeliciteerd!


Anak Beruntung

Bestellen bij Boekscout: klik hier.

Informatie: 244 pag. Ill. 21,40 euro.

Noor heeft een indrukwekkend leven achter de rug. In het begin van WOII geboren, een buitenkamp op Java, geëvacueerd door de Britten, vader gesneuveld, moeder heeft niet voor haar kunnen zorgen. Ze kreeg weinig informatie over haar vader, zag nooit een foto.

Op haar vierde jaar bij pleegouders gekomen, wier achternaam ze droeg. Een roerige jeugd in twee landen. Op de middelbare school achter haar ware naam gekomen. Haar geschiedenisleraar vertelde dat zij en haar vader nazaten van Michiel de Ruyter waren. Startpunt van bewustwording en een zoektocht.

In 2001 lag er bij boekhandel Van Stockum een boek, waarin een foto van haar vader stond, geïdentificeerd door haar oude moeder. Pas in 2018 is ze achter zijn hele levensverhaal gekomen, geholpen door… hemzelf.


 

Bij deze mijn verhaal over de gesloten eigenschap van mijn echtgenoot

Twee jaar geleden schreef Francesca van Heije-Neys een brief aan de minister van defensie. Ze vertelde over het verleden van haar man. Ik mag de brief hier publiceren.

Het is moeilijk om te lezen, dat weet ik. Het is nog belangrijker om ook deze verhalen te vertellen en door te geven. Over wat er gebeurde, over de doorwerking ervan in een leven en dat van anderen.


Nazomer

Hij zit rustig zijn rolstoel, kijken naar de tuin. De bladeren beginnen al bijna alles geel en rood te worden, sommige zijn al gevallen. Het is een lekkere nazomerse middag met de zon die rustig schijnt maar niet zo krachtig is.
Hij zucht diep, schudt met zijn hoofd en probeert alles te doen om wat in zijn hoofd nog speelt weg te wissen. Maar het is niet gelukt. Alle beelden worden hoe langer hoe duidelijker en dan komt zijn angst van tientallen jaar terug.

Radio Telegraaf School

Hij was toen een jongen van zeventien jaar, kreeg een studiebeurs en zit op de laatste klas van Radio Telegraaf School in Goenoeng Sari weg te Batavia. Zoals gewoonlijk was het een dagelijke schooldag totdat meneer Doréé, de directeur van zijn school, binnenkwam.

Hij keek een beetje ernstig, haalde een stukje papier uit zijn broekzak en begint te lezen wat er in stond. Blijkt dat het een paar namen waren van leerlingen die mee moeten lopen naar zijn kantoor. Onder al die namen riep hij ook “Jimmie”, zijn roepnaam. Zijn hart begon van angst en hart te kloppen terwijl hij nog niet wist wat er gaande was.
In het kantoor van meneer Doréé, stonden alle jongens met gebogen hoofd. Heerst een stilte waar men alle ademhalingen-ritmes van iedereen in de ruimte kan horen. Na een uur kwamen ze weer buiten met lege hoofden maar wel met volop grote vraagtekens.

Noodsituatie

Het was 1942, volgens meneer Doréé zaten we (de Nederlandse regering) in een noodsituatie omdat het Japanse leger dichterbij kwam, Batavia en Soerabaja waren al gevallen. De rest van de eilanden in het oosten waren al lang gevallen. Volgens opdracht hoeft hij morgen niet naar school maar naar het gebouw van de Stichting J.P. Coen aan Pasar Roempootweg te Batavia klokslag 08.00 uur.

Matjan

Om acht uur was hij aanwezig bij de Stichting, werd eerst gefouilleerd door de wacht en toen toegewezen naar een lokaal waar blijkt dat alle radio-ontvangers reeds klaarstaan. Na een uur of twee, kwam een officier van het leger met zijn adjudant en riep hard voor stilte. Hij gaf uitleg over de nijpende situatie en vroeg iedereen om recht te gaan staan wegens eedaflegging. Wie domme dingen doet tegen dit rood wit blauw, kreeg een vuurpeloton toegewezen. Na de eedaflegging kreeg iedereen toegewezen waar hij of zij gestationeerd moest worden. Gestationeerd op de Javazee met opdracht wanneer de vijand te dichtbij was, dan moeten ze alles vernietigen en wegwezen. Sommigen kregen hulp van de marine en sommigen moeten het zelf maar verzinnen om daar weg te kunnen gaan. En Jimmie had geluk omdat hij in de kazerne bleef en 12 uren ploegendienst kreeg.

Hij gebruikt het woord matjan als zijn wachtwoord. Matjan betekent tijger in het Nederlands. Toen in die tijd vond hij het heel stoer om zulke dingen te doen. Hij is al gek van transistoren, radio en alle techniek plus theorie op dit gebied. Jimmie, van Eijck, Lepinad, Harahap, en nog veel meer bedienen de ontvangers en alle berichten wat ze krijgen vanuit de Javazee of andere linies, dit moet direct gerapporteerd worden aan de hogere rangen en die zijn o.a. Anakotta, een landmachtofficier.

Uitvinding

Na alle pogingen kregen de jongens bij de Stichting J.P. Coen een belangrijke uitvinding. Blijkt dat één van de ontvangers een golf kan monitoren van een Japanse basis in Batavia. Ze hadden met moeite onderzocht dat de golf kwam van de Pasar Baroe weg. Exact gezegd was een grote speelgoedwinkel, Toko Tjioda. Alle voorbereidingen werden in acht genomen om deze winkel binnen te vallen. Die dag was een gewone opgewonden dag alleen het was te lang rustig geweest. De situatie was heel nijpend maar volgens zeggen kwamen de Engelsen om hun te helpen de Japanners te verslaan.

Japanse soldaat

Opeens was zijn koptelefoon afgerukt met grof geweld voordat hij beseft wat er gaande was, stond stond voor hem een Japanse soldaat, gillend met een taal die hij niet begreep. Daarna kwamen alleen maar klappen en schoppen in het gezicht of andere delen van zijn lichaam.

Het was zo snel gegaan dat hij reeds gedwongen was op een truck te springen en weggereden naar een militaire Kamp even buiten Batavia. Het was Kamp Kepala Nunggal.
Hij denkt aan thuis. Hij denkt aan zijn moeder. Hoe is het met haar toen ze besefte dat haar enige kind niet meer thuis kwam. Tranen kwamen uit zijn ogen. Hij voelde zich schuldig dat hij dit veroorzaakt had voor zijn moeder.

De Jap

Na een paar dagen gezeten te hebben, begint de echte wereld tevoorschijn te komen. Midden in de nacht werd hij uit zijn cel geplukt door de Jap. Het was geen pretje. Van die ene trap naar de andere klap. Zijn lichaam was gebruikt als asbak. Van sigaretten tot sigaar, alles belandt op alle delen van zijn lichaam en als je huilt werden de martelingen nog erger. Hj moet bekennen: waar waren de rest van de radio-ontvangers, wie waren zijn meerderen, waar de Nederlandse compagnie zich bevond enzovoort enzovoort. Op een nacht werd hij weer gebracht naar een verhoorkamer waar een van zijn medegevangenen reeds aanwezig was. Voor zijn kameraad zat een zwangere vrouw, huilend en smeken naar genade. De Jap zei tegen hem: “Kijk als je niet wil praten dan kan deze tragedie ook bij jou gebeuren” en daarna trapte de Jap de buik van deze zwangere vrouw… Na die tijd hoort hij alleen maar gegil van zijn kameraad, de zwangere vrouw was flauw gevallen en rondom haar zit vol met bloed en daarna weer een trap. De ongeboren baby kwam half eruit, vol bloed, de vrouw blijft slap hangen op de stoel en het gegil en de woede van zijn kameraad was niet te beschrijven met woorden. Daarna wordt een kogel het hoofd van zijn kameraad binnen, en de rumoerige nacht is een stille nacht geworden. Hij viel ook flauw, met vol spetterend bloed op zijn kleding.

Potloden

De volgende marteling was dat een andere kameraad in zijn oren met puntige potloden werden weggedrukt en de persoon in kwestie was op slag dood. Over deze marteling wil hij niet of kan hij niet praten. Als hij er aan denkt, beginnen zijn ogen wild te worden, zijn hele lichaam begint te trillen en is kletsnat van koud zweet. Waar hij bang voor was is dat de Jap weet dat hij een moeder buiten nog heeft rondlopen en dan is het mogelijk dat hij zijn moeder ziet in de verhoorkamer, of nog ergere dingen dan alleen maar dat.
Bij de volgende en nog volgende martelingen, probeert hij met zijn gedachten af te dwalen naar huis, bij zijn moeder. In zijn gedachten speelt een film waar hij zit te hurken naast zijn moeder om haar te helpen al het bestelde eten klaar te maken. Ze zijn arm, hebben alleen maar mekaar, een vader had hij nooit gekend. Hij is enig kind. Zijn moeder zoekt geld met eten te verkopen of borduurwerk aan te nemen van een confectiebedrijf. En dan gaat zijn film naar andere leuke momenten. Dat hij en zijn kameraden alleen maar met korte broeken elke keer vanuit een kleine brug bij het Tjiliwungkanaan springen, en dan gauw weer zwemmen naar de oever om weer een sprong te doen die misschien hooger werd dan de rest.
Maar afwijken van de realiteit vaker ook niet. Ook toen hij opeens een trap kreeg aan de rechterkant van zijn gezicht. Hij werd duizelig en viel flauw. Hij was al in zijn barak toen hij bij bewustzijn kwam en kon alleen maar een gesis horen via zijn rechteroor. Sindsdien is zijn rechteroor doof.

Jimmie was heel mager geworden, er waren geen tranen meer, er was alleen maar angst, angst en nogmaals angst. Hij verlangde naar de dood! Als hij had geweten over alle consequenties van deze opdracht van het leger had hij dat geweigerd. Die jongen Jimmie met volop stoere eigenschappen was nu een jongen die niet meer in de ogen van een ander durfde te kijken. Een geslagen jongeman.

Alles is zo diep

Het lijkt wel jaren toen ze eindelijk bevrijd werden door de Engelsen. Van kamp Kepala Nunggal wer werd hij getransporteerd naar Batavia. Na de motor Transport dienst bij de Djokja kazerne in Djokjaweg te Batavia. Hier kreeg hij opdracht om alle voertuigen die niet meer rijden, rijdende te maken.
In de avonduren wanneer hij vrij is, vraagt hij verlof om zijn moeder op te sporen. Na een paar dagen moeite, ontmoet hij zijn moeder bij een familielid in Petjenongan te Batavia. Hij heeft geen woorden meer. Hij kan niet meer erover praten, alles is zo diep, alles is zo pijn. De hele avond zit hij te huilen en zijn moeder vast te pakken zodat hij haar niet meer verliezen kan.
Na een paar maanden, lukt het hem wel om zijn opleiding als radiomonteur te voltooien, in de avonduren.

van puzzels een verhaal

Over deze periode wil hij niet meer denken of erover praten. Met niemand! Totdat de kinderen allemaal uit het huis zijn, hij ouder wordt en veel meer tijd om zijn eigen gang te doen. Begin met veel nachtmerries. Zijn echtgenote krijgt pakslagen, trappen tijdens haar slaap. Gegil, oud hoofdpijnen volgend van de ene dag naar de andere dag.

Als echtgenote, vraag ik beetjes bij beetjes over het verleden. Het is niet makkelijk. Na meer dan 28 jaar heb ik geprobeerd van de puzzels een verhaal te maken. Alles uitgelegd bij de commissie Backpay en na een lang onderzoek is mijn echtgenoot erkend als militaire. Toen ik de erkenning van de commissie Backpay aan hem niet lezen, begon hij te huilen. Hij pakte mijn hand vast en zei kort: “Poppetje, ik heb de koningin en mijn kameraden verdedigd.”

Tot slot

Jimmie is geen persoon die volop trots en glorie alle zware tijden in de duistere Japanse bezetting te kunnen of willen vertellen aan derden.
Voor Jimmie, wat er gebeurd is, is gebeurd en daar praat hij liever niet over.
Hij meldt zich nooit aan bij de veteranenclub. Hoeft niet zei hij, ik heb het toch overleefd.
Voor Jimmie, zijn vaderland verdedigen en zijn kameraden niet verraden is vanzelf sprekend.
Zoals u nu weet is van een jongen van 17 jaar zijn leuke jonge jaren verscheurd door een hopeloze oorlog. Waarvoor?

Geachte mevrouw,
Ik schrijf dit verslag om alleen maar te laten weten hoeveel jonge mannen die proberen zich schuil te houden na alle ellende die ze hebben meegemaakt. Voor deze groep geldt een motto: stilte is vrede.

Ga naar de bovenkant