Tante Koetis en de oorlog die in Indië doorging

tante KoetisTante Koetis was de jongere zuster van Djemini, de moeder van de schrijfster Lin Scholte. Jonger, en ondernemender, en vol liefde voor de familie. Maar toen kwam de oorlog, die in Indië langer duurde dan in Nederland.

Ik leerde Tante Koetis kennen in de boeken van Lin Scholte. Toen zij nog een klein meisje was, kwam Tante Koetis bij ouders wonen in Tjimahi. Oom Ojok ook. Het was een samengestelde familie van Indonesisch, Hollands (Lins vader) en Indisch, en dat ging goed. Zorg voor de aanwezige voorouders bestond naast de christelijke God.
Koetis had zelf geen kinderen en misschien was het daarom, dat ze zich aan de neefjes en nichtjes hechtte. Toen Lin’s ouders naar Makassar verhuisden, besloot Koetis mee te gaan.
Ze verkende de omgeving op eigen initiatief.
Ze leerde fietsen.
Ze trouwde.
Ze kookte, hield van mooie sarongs en ze ging graag naar de bioscoop.
Streng en lief.
Een tante om op te vertrouwen.
In Bibi Koetis voor altijd (1974) schrijft Lin Scholte het levensverhaal van haar tante. Dat doet ze met liefde, maar ook met pijn in het hart.
Dat heeft met de oorlog te maken.

Reisgeld

Lin Scholte, dan getrouwd en moeder, gaat naar Nederland. Haar ouders ook. Het is de bedoeling, dat ook Tante Koetis komt. Na jaren krijgt ze de brief waarin staat dat alles geregeld is. Lin Scholte schrijft:

“Het reisgeld voor Koetis’ overtocht was er. Koetis las en herlas de brief tot tranen bewogen. Ze volgde nauwgezet de instructies, liet pasfoto’s maken en vroeg een paspoort aan. Ze meldde zich op het Commissariaat van de Kroon in Jakarta. Ze kocht een grote kist voor de ruimbagage en een hutkoffer en liet er haar naam op schilderen, het land en de plaats van bestemming. Ze kocht voorraden rijsttafelartikelen, kruiden en andere zaken. ”

Inreisvisum

Het enige dat nog ontbrak aan de formulieren, was het inreisvisum voor Nederland. En juist dát werd geweigerd. De Nederlandse overheid vond het een te groot risico dat zij wellicht ten laste zou komen van de staat. Voor Tante Koetis was evenwel al een baan geregeld. Een garantie wilde niet iedereen in de familie ondertekenen, en daar zat de pijn die Lin Scholte tot in lengte van jaren gevoeld moet hebben.

Tante Koetis pakte haar koffers weer uit. Lin Scholte heeft haar nooit meer gezien. Ook dat is oorlog: die hele lange nasleep.

Herinneren

In een brief scheef Lin Scholte:

“Zal ik je eens wat zeggen? Koetis is voor mij niet dood, helemaal niet. Ze blijft zo levend in onze herinnering; we spreken vaak over haar. Alles wat ik schreef over haar leven, is het onderwerp van onze gesprekken geweest. Doordat ik over haar schreef herleefde ze weer voor me. Hoe ik naar haar verlang… ik behoef mijn eigen verhaal maar te lezen. […] Ze was een vriendin voor ons.’ Dat is waar. Ze begreep onze kleine en grote verdrietelijkheden. Ze was pleitster en hoedster van haar zusters kinderen en kindskinderen. Daarom leeft ze voort in onze herinnering. Ze zal dat blijven doen zolang we ons haar herinneren en over haar praten. Daarin vind ik persoonlijk mijn troost, weet je.”

Hoe mooi is dat: “…zolang we ons haar herinneren en over haar praten.”


Wanneer er een nieuw artikel verschijnt, mail ik een berichtje aan degenen die zich hebben ingeschreven. Dan hoeft u niet te zoeken. Inschrijven kan door op het plaatje te klikken.  Dan krijgt u meteen een ebook cadeau: Drie tips om herinneringen door te geven.

lin scholte

Troost-eten uit de tangsi. Twee recepten van Lin Scholte (download)

tangsi

Deze week stond ik bij de toko voor een dichte deur. Gesloten wegens omstandigheden. Ik gluurde door het raam en zag alles liggen: de noodles, de boemboes, de goela djawa, en van de weeromstuit kréég ik toch lekkere trek.

Koempoelans

Maar dicht is dicht, en alle koempoelans met Indische catering zijn ook al afgelast tot nader order. Daardoor verlangde ik meteen extra naar die gezelligheid. De bakjes op tafel. De bingo waar je zo je verstand moet bijhouden en dat wil je ook wegens de prijzen. De muziek en het dansen. Dat je denkt wat een knappe man en dan blijkt hij negentig jaar te zijn, en weliswaar vrijgezel maar niet op zoek, en zèlf koken kan hij als de beste.

Iets doen

We moeten op de een of andere manier door deze tijd zien te komen. Daarna kijken we allemaal op terug. En ik denk: stel dat het een jaar duurt eer het vaccin er is, hoe wil ik dan op dit jaar terugkijken? Toch niet dat ik de hele tijd op de bank lag af te wachten. Ik verlang ernaar iets zinvols te doen met dit jaar, en met elke dag. Dus daar zoek ik nu een weg in.

Vertel-kookboek

Na de gesloten deur van de toko dacht ik meteen aan het kookboek van Lin Scholte. Het heet Lekker Koken van Sabang tot Merauke. Oude en Nieuwe recepten uit de Wonderlijke Tropenkeuken. Het verscheen in 1972 en de tweede druk kwam in 1989. Het is eigenlijk meer dan een kookboek: Lin vertelt ook verhalen over de familie, en wie wat goed kon koken. Voor een groot deel zijn dit recepten uit de tangsi, de kazernes van het KNIL, waar Lin en haar moeder Djemini lange tijd in woonden. Daar stond de vrouwenloods, daar werd gekookt.
Een vertel-kookboek, dat zijn de mooiste kookboeken. Want een recept met een verhaal, dat voedt ook het hart.

Troost

In het kookboek vond ik twee veelbelovende recepten. Ik zocht naar iets eenvoudigs, wegens de gesloten toko. Maar ik beken  eerlijk en oprecht dat ik slecht kan koken, dus ik hoop dat u kunt zeggen: ja, dit is echt lekker. Dan is het immers troost-eten. Gewoon, omdat we allemaal best iets extra’s kunnen gebruiken.
Ik geef de recepten voor Serabi en Apem Madura hieronder en ook in de download: klik hier en download. Kan handig zijn. Nog even iets anders.

Tangsi

Volgend jaar is het honderd jaar geleden dat Lin Scholte werd geboren, ze is van 1921. In dat jaar verschijnt ook het grote rapport over het Nederlandse militaire optreden in Indië. Ik hou mijn hart vast, ook voor de beeldvorming van alles en iedereen die militair in Indië was. Lin Scholte ging destijds schrijven omdat het beeld van haar ouders, levend in de tangsi, zo negatief was. Haar moeder was Javaans, haar vader Hollands, zij waren getrouwd. En volgend jaar zullen de verhalen van Lin over haar jeugd weer harder nodig zijn dan ooit. Want in de kazernes, in de tangsi’s, waren ook gelukkige relaties, er leefden gezinnen en ook families van Indisch, Indonesisch en Hollandse mensen in harmonie samen. Niet alles was slecht en verkeerd, heus niet.

Hier komen de twee recepten:
Lin Scholte: Lekker Koken van Sabang tot Merauke. Oude en Nieuwe recepten uit de Wonderlijke Tropenkeuken (1989)

SERABI
Benodigdheden:
3 glazen rijstmeel
6 glazen lauw water
1/2 pond kokos
1/2 glas kokos
1 theelepel zout
1 kemiri

Voor de saus:
1/2 pond kokos
l 1/2 ons gula djawa (mag letsmeer)
Bereiding:
Vermeng het meel met de kokos; maak de kemiri met het zout fijn. Doe wat water in het kemirimengsel en voeg dit bij ca. 6 glazen lauw water. Roer dit water bij het meelmengsel met een garde. Niet ineens, maar zorgvuldig glas voor glas. Anders zou het beslag misschien te slap kunnen worden. Het beslag moet de dikte hebben van gewoon pannekoekenbeslag; wel een ietwat korrelig beslag door de kokos en het rijstmeel dat todi grover van constructie is dan tarwebloem.
Laat het beslag een kwartier of zo rusten om het meel en de kokos gelegenheid te geven het vocht te absorberen.
In de tussentijd kan de saus worden bereid. Daartoe wordt uit de kokos ruim een liter santen ge-perst; breng dit aan de kook met een pandanblad dat in stukken werd gesneden. De gula djawa met wat water laten koken om te smelten, zeven en bij de santen voegen. Deze santen met gula djawa moet de zoetheid hebben van kollak. De serabi wordt stuk voor stuk gebakken en dat gaat als volgt: Neem het liefst een kleine ijzeren wadjan (een grote wadjan geeft grotere, platte serabi’s). Bindt een schoon lapje katoen tot een prop, iets groter dan een kemiri-noot. Doe een lepel olie op een schotel, en leg de sodet of sutil klaar.
Zet de wadjan op een middelmatige vlam en wrijf de wadjanbodem in met het propje katoen dat even een tipje olie kreeg uit de schotei. Niet insmeren met die olie, maar licht invetten tot de wadjanbodem glanst. Doe een emailleschep vol van het beslag in de wadjan, en laat de serabi dichtgedekt met een passend panne-deksel gaar-“liwet” gedurende exact drie minuten. Schuif de randen los met een sutil of sodet en licht de serabi uit de wadjan op een plat bofd of schaal die dadelijk afgedekt wordt met een groot deksel om de serabi’s warm te houden. Vet de wadjanbodem in voor de volgende serabi. Gare serabi is matwit van kleur aan de oppervlakte, terwijl de onderkant lichtelijk bruingebrand is. Deze Indonesische “pannekoek” wordt met een schep van de santensaus gegeten, waarvan de bereiding al is omschreven.

De serabi die mijn moeder en haar zusters plachten te maken verschilt een beetje van het voorgaande. Zij maakten ze als volgt:
Benodigdheden:
2 glazen rijstemeel
1 theelepel zout
1/2 glas kokos
2 glazen romige santen
Bereiding:
Vermeng het meel met de kokos en het zout. Roer de warme santen met een garde door het meel tot een klontervrij beslag is verkregen. Laat dit een kwartier rusten en bak hieruit daarna serabi’s zoals in het voorgaand recept werd aangegeven. Uit bd. opgegeven hoeveelheden ingredienten zijn ongeveer vljftien serabi’s te krijgen.

APEM MADURA
Benodigdheden:
1 pond rijstmeel
1 glas kokoswater of 1/1 glas tape ketan, dan wel een kwartbolletje ragi
1 ons bruine suiker (gula djawa) .
1/2 pond kokos
olie om in te vetten
Bereiding:
Dit beslag dient de avond tevoren te worden gemaakt, daar het rijsmiddel haar werk moet doen. Uit de kokos wordt voldoende santen geperst om met het meel een nogal dik beslag te vormen. (Iets dikker dan pannekoekenbeslag). Daartoe worden de opgegeven ingredienten met elkaar vermengd en een nacht met rust gelaten om het beslag een beetje te laten rijzen. In elk geval luchtiger te doen worden. Bak de apem op dezelfde wijze als serabi. Wordt evenwel zonder saus gegeten. Apem is iets gerezen en luchtiger dan serabi.

Heeft u dit gemaakt? Foto’s zijn van harte welkom!
www.indischeschrijfschool.nl


Wanneer er een nieuw artikel verschijnt, mail ik een berichtje aan degenen die zich hebben ingeschreven. Dan hoeft u niet te zoeken. Inschrijven kan door op het plaatje hieronder te klikken. Dan krijgt u meteen een ebook cadeau: Drie tips om herinneringen door te geven.

Met een Indische oma eet je altijd lekker

Lin Scholte

De ouders van Lin Scholte in de tangsi

Met een Indische oma eet je altijd lekker. De laatste tijd zie ik kleinkinderen – volwassen inmiddels – de recepten van Oma opnieuw koken.

Tjobek

Goed nieuws.
De Indische keuken blijft weer een generatie langer bestaan. En de achterachterachterkleinkinderen van deze oma’s staan ook al in de keuken. “Wat is dat?” “Een tjobek.”

Ilona BrookKort geleden ontdekte ik het YouTube-kanaal van Ilona Brook. Ze is de kleindochter van Lin Scholte, de vrouw die zo geweldig goed schreef over het tangsileven van weleer. Lin Scholte publiceerde ook een kookboek: Lekker koken van sabang tot merauke heet het. Daarin verzamelde ze eigen recepten en familierecepten; haar moeder en grootmoeder kookten in de tangsi. Dus dat is wat je noemt een historisch monument. Ja, en dan komt Ilona. Hypermodern filmpjes maken van de recepten van oma. Dat op YouTube zetten. Wie het ontdekt, gaat haar volgen. Zoek eens op Youtube naar “authentiek Indisch koken”, dan komt u bij de filmpjes. Die gaan onder andere over:

  • Ajam Opor á la Lin Scholte
  • Tahu Tjampur á la Lin Scholte
  • Semur á la Lin Scholte (“Zo ziet de smoor eruit na vier uur”)

En af en toe komt er een filmpje bij. Het is Indische kookcultuur in actie. Ik kijk graag naar de filmpjes van Ilona:  klik hier en kijk ook.

Gouden randje

Voordat u het vraagt: zelf had ik alleen Hollandse oma’s. Mijn eet-herinnering is dat ik als heel jong meisje achter een bord met een gouden randje zat, en daarin zat kippensoep met vetoogjes. Daar griezelde ik van. Daarom weet ik het nog.
Borden met gouden randjes vind ik nog steeds mooi. Dat wel.

Ketjap sedeng

Ilona kookt dus als haar grootmoeder. U kent vast Marc Tierolf van Tjemaralaan 14. Hij kookt met de kookschriften van zijn overgrootmoeder Miet, dus een generatie verder. Wat is het geweldig dat ten eerste Oma Miet haar recepten opschreef en ten tweede dat ze er nog zijn. Ik geloof dat half Indisch Nederland de beroemde ketjap sedeng wel in de kast heeft. Marc houdt ook vast aan de traditie: een recept van Oma Miet gaat hij niet moderniseren. Dat heeft wel wat, vind ik. Dat je weet: dit is de smaak die door de tijd heen behouden is gebleven.

Een paar generaties terug nog maar, al zoveel mensen zijn er niet meer, maar we zijn met elkaar verbonden. Wat u en ik kunnen eten, aten onze grootouders ook. Dat is een gevoel van samen-zijn, door de tijd heen.

 


 

Geen pardon voor saboteurs

Lin Scholte (familiearchief)

Lin Scholte (1921-1997) schreef ook over oorlog en de tijd die erna kwam. In de bundel Takdiran staat een verhaal waarin haar oom Miran voorkomt. Een droevig verhaal. Lins familie was Hollands, Indisch en Indonesisch – er was in die moeilijke jaren altijd wel iemand die in de knel zat.  Misschien gaat daar haar werk in het hart over: haar grote familie verscheurd door oorlog.

Hieronder het verhaal. Meer lezen? Alles staat in haar verzameld werk.

Geen pardon voor saboteurs

Niet lang na de politionele actie, toen de Nederlandse troepen in Malang waren, verhuisden mijn oom Miran en tante Roos met hun kinderen van Blimbing naar Malang, op Rampalbunul, waar ze hun intrek namen in het huis van Roos’ moeder.

Aan het grote exercitieterrein dat Rampal heette, stonden aan twee zijden Europese huizen. De ene zijde, die aan kampung Rampalbunul grensde, deed gemoedelijk aan. De huizen stonden er verder uitéén, de erven waren ook breder en dieper, ertussendoor liepen gangen of smalle weggetjes die zich na korte tijd naar rechts of links ombogen, verder naar achteren toe: het hart van kampung Rampal. Aan die weggetjes stonden keurige stenen of halfstenen huisjes gerijd met schoongeveegde, goed onderhouden erfjes. Miran en Roos woonden in één van die huisjes. Schuins achter hun woonden haar oudere zuster Sih en Basiran met hun kinderen. Hun erven liepen in elkaar.

Toen Miran er pas kwam, bleek Sih er alleen te wonen met de kinderen; Basiran was nog in de bergen waar hij zich verschool. Hij durfde niet goed terug te keren, vertelde Sih. Maar na enkele maanden keerde hij toch terug, omdat Sih hem verzekerd had dat het rustig was in Malang en dat haar zwager Miran geen last van de blanda’s had, ofschoon hij ze toch bevochten had toen hij dienst deed in het Republikeinse leger.

Op een morgen tegen elven droeg Miran zijn jongste op de arm en wiegde het kind in slaap. Hij probeerde het tenminste. Het was de hele morgen al lastig en huilerig geweest (alsof het kind het voorvoelde, zei Miran later). Miran liep het paadje naast het huis op en neer met de huilende baby, toen Basiran het pad kwam oplopen op weg naar zijn huis. Hij maakte een praatje met Miran, en probeerde het kind te sussen door ertegen te praten en er gekke gezichten tegen te trekken. Toen dat niet hielp, vond hij het welletjes en liep verder het paadje af, zeggende dat hij het zo warm had en een bad ging nemen. Miran antwoordde met een grapje en ging voort met de baby te wiegen.

Juist toen deze leek te zullen inslapen, hoorde Miran op de weg buiten het plotselinge afremmen van motoren en het geknars van wielen, even later gevolgd door het doffe, regelmatige geluid van laarzen op de verharde weg. Miran zag een gewapende troep blanda-militairen in hun straatje komen. Telkens maakten een paar mannen zich los uit hun groep, liepen de erven op en drongen de huizen binnen. Enkelen kwamen ook naar zijn erf. Miran liep ze tegemoet en vroeg in het Nederlands wat de heren wensten. Zichtbaar verrast antwoordde de commandant van de troep dat zij een persoon zochten die Ran heette en hier zou wonen. Even flitste het door Miran heen: ze weten het! Ik ben erbij!

Zich vermannend maakte hij zich bekend als Djemiran, vóór de oorlog sergeant eerste klas bij de luchtdoelartillerie, stamboeknummer 27954, en hij stond daarbij stram voor zover dat mogelijk was met een baby op de arm. De commandant schudde het hoofd en zei dat de naam voluit moest zijn: Ba-si-ran.

Mirans gezicht verstrakte toen hij aan zijn zwager dacht; tegelijkertijd voelde hij intuïtief dat deze niet veel goeds boven het hoofd hing. Daarom antwoordde hij omstandig dat hij, Dje-mi-ran er woonde met vrouw, kinderen en schoonmoeder. Maar terwijl Miran met de commandant sprak, waren de anderen doorgelopen, recht op het huis aan van Sih en Basiran.

‘Als u wilt kunt u inzage krijgen van de militaire bescheiden in mijn bezit,’ bood Miran aan, verlangend de man zo lang mogelijk op te houden om zijn zwager de kans te bieden tot vluchten. Vergeefs, want de commandant werd door zijn manschappen weggeroepen achter Mirans huis. Miran vertelde later: ‘Ik voelde me zo stijf als een plank en kon geen stap meer doen toen de man zich van mij afwendde.’ Miran hoorde Sih iets roepen, iets onverstaanbaars. Het klonk dringend, pleitend, wanhopig en toen schreeuwde ze lang en hysterisch. Een schreeuw die verloren ging in het oorverdovend gedaver van een korte vuurstoot uit een stengun. Ze hadden Basiran te pakken gekregen. In zijn blootje in de badkamer, waar hij dacht zich te kunnen verbergen toen hij merkte niet meer te kunnen vluchten.

Hij lag als een levensgroot vraagteken op de vloer van de badkamer, de vingers van zijn rechterhand nog gekromd in de plooien van zijn baddoek.

Later, nadat het lijk was weggehaald, wierp Miran emmers water over de vloer en tegen de wand van de badkamer om alle sporen te verwijderen. Verbijsterd, grenzeloos verbitterd ook. Hij had het niet voor mogelijk gehouden dat blanda’s zonder vorm van proces iemand zouden executeren.

Hij had het niet voor mogelijk gehouden dat blanda’s zonder vorm van proces iemand zouden executeren.

Een avondje over de koloniale tijd en over Van Heutsz

koloniale tijd

Hier zit ik aan de discussietafel. De Balie in Amsterdam had een avond georganiseerd over het omgaan met koloniale monumenten, en dan in het bijzonder met het Van Heutsz monument in Amsterdam. Als zijn biografe gaf ik een inleidende lezing over Van Heutsz en zijn tijd.

Spreken over de koloniale tijd. Oei.

De opzet en film van de gehele avond vindt u ook op de website van Van Heutsz: klik en kijk

Oordeel

Aan het einde van de avond vroeg kunstenaar Hans van Houwelingen aan de zaal wie er een schandpaal voor Van Heutsz wilde. Meer dan de helft stak de hand op. Wat wisten ze van die man, van die tijd, van Indië? Dus ik zei: “Die vraag stel ik u nog een keer als mijn boek uit is.”

Dat was natuurlijk veel te optimistisch van mij. Die avond merkte ik hoe gemakkelijk mensen een oordeel hebben en houden over de koloniale tijd. Ik ben ook een paar keer flink aangevallen. Dat kwam vast ook, omdat ik zei:

  • Het lijkt een nieuw taboe te worden om iets goeds te zeggen over de koloniale tijd .
  • We moeten niet blijven hangen in schuldgevoel of reageren met agressie, maar wikken en wegen voor een oordeel.
  • We hoeven niet Van Heutsz te vereren als held, maar we hoeven hem ook niet te vertrappen als schurk. Het is alletwee te eenzijdig, te gemakkelijk. Nadenken, zoeken naar waarheid, het een af wegen tegen het ander, dat is moeilijker. Maar wèl eerlijker tegenover het verleden en tegenover Van Heutsz.

Nuance is nooit leuk.

Taboe

Wat me steeds meer dwars begint te zitten is de groeiende weerstand tegen alles uit de koloniale tijd. Het begint een taboe te worden iets goeds aan te wijzen. Alles staat in een verdacht licht. Een brug die gebouwd is voor de bevolking? Fout. KNIL-militairen die vochten en sneuvelden? Aan de debattafel werden ze “moordenaars” genoemd. Dat schokte me.

Ik ontmoet die weerstand steeds vaker. En dan denk ik aan Lin Scholte en haar mooie boek Anak kompenie, aan toko’s, aan zwembaden, aan meisjesjurken, aan Dicky de Hoog, aan Tjalie, aan zoveel mensen en aan zoveel uit Indië waar ik elke dag over lees en over nadenk en over schrijf en spreek omdat ik er zo heel veel voor voel.

Dat het principe van kolonialisme op z’n minst absurd is, snap ik. Je gaat geen ander land bezetten. Maar de koloniale tijd is een verhaal met schaduw en licht. En dat licht mag er óók zijn.

Ik ben benieuwd wat uw ervaringen zijn. Spreekt u gemakkelijk over de koloniale tijd, of komt u vooroordelen tegen?

 

Mijn inleidende lezing op die avond:

Ga naar de bovenkant