“De hocus-pocus-thee die mijn moeder maakte”

thee

Leo Hoestland mailde me een mooie herinnering aan obat van vroeger. Zijn moeder had er verstand van. Wie maakt nu nog thee zoals zij dat kon?  Had zij maar alles opgeschreven in een schriftje, dan had oom Leo niet verder hoeven zoeken.

Dit is zijn verhaal.


Aanpassen

Toen ik in 1955 met mijn echtgenote repatrieerde en in Holland aankwam was het gevleugelde woord: aanpassen. Wij moesten ons aanpassen. Ja, ja. Nagenoeg met alles en op alle gebied. Kleding, schoeisel, voeding, drank, huishouden, gewoonten en gebruiken, enfin noem maar op. Dat was even een inleiding. En dan nu de kers op de taart.

Sinds enkele weken word ik geregeld geplaagd door lichamelijk ongemak in de vorm van blaasontsteking. Oké, ik weet het wel, niet levensbedreigend, maar toch wel hinderlijk en beschamend. En de artsen alsmaar kuurtjes voorschrijven, het een na het ander. Daar word je nog méér beroerd van.

Dus ging ik op internet kijken of er nog andere middeltjes daartegen bestaan. En tot mijn grote verbazing zie ik: koemies koetjing. Nou ja zeg. Het moet niet gekker worden. Over aanpassen gesproken.

koemies-koetjing

koemies-koetjing-thee

Dat voorval bracht mij onwillekeurig terug naar mijn kindertijd toen mijn broer en ik om de beurt elke middag een glas koemies-koetjing-thee naar de pastorie moeten brengen voor meneer pastoor, die last had van nierstenen.
Mijn moeder, een eenvoudig, maar keurig-netjes opgevoed Indisch vrouwtje, had hem daartoe weten over te halen.
Meneer Pastoor, een joviale vrolijke Brabander, zag erg tegen die operatie op en tenslotte stemde hij in met het drinken van die speciale thee, die mijn moeder voor hem zou maken. Die instemming ging wel samen met gemopper zoals: “Ach jullie, met je hocus-pocus drankjes!”

Zoeken

Enfin, mijn broer Hennie en ik waren dus de pineut. Niet alleen vanwege het brengen van die thee,  maar hoofdzakelijk door het zoeken van de ingrediënten. En dat nog wel in de warme middag-uren. De blaadjes van de koemies-koetjing was geen probleem, want die plant groeide zowat in elke tuin. Maar er moest ook nog een kruid bij, die laag bij de grond tegen de muren aangroeit, de zogeheten  daon menieran. Dan ook nog een jonge mais-kolf, en zo het hele handeltje inleveren bij ons moedertje, die meteen aan de bereiding begon, want in de voor-avond moest de thee aangereikt worden.

Gadja-Merah Bataljon

Heel veel later heb ik die pastoor nog opgezocht in zijn missiehuis aan de Bredaseweg in Tilburg en spontaan zei hij met een lach: “Nou, die hocus-pocus-thee van je moeder heeft mij er toch maar doorheen geholpen.”
Hij heeft de oorlogsjaren overleefd, is daarna nog Kapitein-Aalmoezenier geworden bij het bekende, of beruchte Gadja-Merah (Rode Olifant) Bataljon. Enkele jaren geleden heb ik een bloeiende plant (nee, geen koemies-koetjing) op zijn graf in de grond geplant, als laatste groet.

Leo Hoestlandt

De olifant Gadja Merah, symbool voor KNIL bataljons Infanterie X, XI en XII, die onderdeel uitmaakten van de Y-Brigade, met gedenkplaten van de reis van Bali naar Palembang, met emblemen van Regiment Stoottroepen en Gadjah Merah. (Wikimedea Commons/ Nationaal Archief, Krieken)

Praktische schrijftip

Voor de generaties die in Mederland zijn geboren en getogen, is het dagelijks leven in Indië moeilijk voorstelbaar. U kunt proberen om een gewone dag op te schrijven door een lijstje te maken van wat er gebeurde, in chronologische volgorde. Het hoeft niet lang te zijn. Een opsomming kan al veel betekenis hebben.

Oom Leo en de doorwerking van het verleden

Hier komt Leo Hoestlandt

Hier komt Leo Hoestlandt

“Och, ik heb wel erger meegemaakt,” zegt Leo Hoestlandt (88) als ik informeer naar zijn gezondheid. Wegens problemen kon hij niet aanwezig zijn bij de presentatie van zijn eigen boek Gevangene van het verleden.

Dansschool

Nu is Oom Leo een verteller. Dus meteen volgt het verhaal over dat “wel erger”. Eigenlijk moet je hem horen, dat is beter.
“Ongeveer tien jaar geleden heb ik in Rotterdam een open hart operatie gehad. Doormidden gezaagd. Net als spare ribs. Ik kreeg zes bypassen, uit aderen van twee benen geplukt. Het herstel ging zo voorspoedig dat ik snapte dan Onze Lieve Heer mij niet wilde hebben. Na een half jaar stond ik weer op de tennisbaan. En hoe dat kwam, zal ik je nu vertellen.
Als laatste van een hele rij kwam ik eindelijk bij de narcotiseur. Dat bleek een oude Chinees te zijn. Hij zegt op z’n plat Indies (en dan imiteert hij): “JIj bent van die dansschool in Rijswijk, ja toch?”
Ik: Hoezo?
“Wah, ik heb jou gesien toch.”
Terwijl ik op die brancard lag heb ik me rot gelachen. Dat heeft me moed gegeven me aan hem over te geven. Toen ik bijkwam, stond hjj aan mijn bed.”

Dat soort verhalen dus. Dat je vanzelf met hem meelacht, al is het onderwerp serieus. Maar we zouden over zijn boek praten. “Een grove schets van mijn leven, 86 pagina’s op A5-formaat,” zegt hij. En die titel Gevangene van het verleden heeft te maken met zijn leven. Wat verkeerd ging en nog steeds doorwerkt. Dat is het ding met het verleden. Het is voorbij. Maar het is niet weg.

“Ik heb het geschreven uit een onvrede over de minpunten die ik hier in Nederkand heb moeten ondervinden, zoals in mijn carrière – al is dat later goed bijgesteld, hoor.”

Oom Leo stuurt me via whatsapp oude foto’s – ja, hij is dan wel 88 maar pienter met de apparaten – en die foto’s laat ik inkleuren via Algorithmia. Het gaat automatisch dus niet alles klopt, maar de foto spreekt veel meer. Zag u boven die knappe jongen? Oom Leo. Hieronder nog een ingekleurde foto.

leo hoestlandt

In de verkeringstijd

Hollands diploma

Dan praten we over de eerste tijd van zijn leven. Leo Hoestlandt was een buitenkampkind, ging niet naar school maar hij had wel een grote honger om te leren: “Ik had een Amerikaans boek over tennis, dat heb ik overgeschreven om bezig te kunnen zijn.” Dan na de oorlog de HBS. “Ik zat op het Canisius College in Batavia. Mijn leraar Nederlands was Rob Nieuwenhuys.”

“Mjn grootste wens was om naar de Zeevaartschool in Den Helder te mogen gaan. Dat ging niet door, want toen ik me aanmeldde kreeg ik te horen dat ik te oud was. Ze konden er geen rekening mee houden dat ik door de oorlog vier jaar lang geen onderwijs had gekregen. Ik heb dat naar voren gebracht in mijn bezwaar tegen het besluit, maar leeftijd is leeftijd was het.
Dus ik besloot: nu ga ik aan een Indonesische universiteit studeren. Maar daar werd me de toelating geweigerd, omdat ik een Hollands diploma had.”

Leo (linksachter met de familie)

Leo (linksachter) met de familie

Bioscoop

“Ik dacht, barst dan ga ik wel werken. Zo begonnen er allerlei ontwikkelingen die me hebben gebracht tot het schrijven van dit boek. Ook nadat ik al in Nederland was. We zijn in 1955 aangekomen, want daar was het voor ons Indische mensen niet meer… te verdragen. Je veiligheid was er niet. Langzaam maar zeer kwamen er… hoe zal ik het noemen… plagerijtjes naar de Indo-kant. Op alle grote kantoren hing een bord: verboden Hollands te praten. Zo was er meer.”
“Als je met vriendinnetje naar de bioscoop wilde, waren de ondertitels onderaan. Later kwamen daar de Indonesische ondertitels bij, dus je had haast geen beeld over. Daarna was er alleen nog maar de Indonesische tekst. Het is mij op school wel aangeboden Indonesisch te leren, maar door rancuneuze gevoelens uit de republikeinse tijd heb ik daar geen aandacht aan geschonken. Dom. Maar het is niet anders. Ik spreek wel een beetje Javaans.”

Dus daar gaat het boek over. En over zijn kindertijd. En over de angsten van families die de berichten over Europa horen. Een Indisch verhaal, persoonlijk en oprecht. Schrijfervaring had Oom Leo al. “Ik heb in Jakarta het een en ander geschreven voor het weekblad Katholiek Leven, en in Holland veel notulen en verslagen.”

Naar Nederland

O ja, die carrière, hoe is het daarmee in orde gekomen? “Zelf cursussen volgen, onder ander boekhouden en handelscorrespondentie Engels.” En opklimmen deed hij ook. Eerst loketbeambte van de NV Overzeesche gas en electriciteitsmaatschappij, wij zorgden voor de energie van West-Java”. Dan naar de Escompto bank: “Daar heb ik van een jonge Indonesische chef een strenge opleiding gehad.” Daarna bij de Nederlandse ambassade, bureau Compatibiliteit. “Om een flutding kreeg ik bonje. Dankzij de ambassadeur zaten we binnen vier weken op de boot naar Holland. Het was mijn eigen keuze maar toen ik de kustlijn van Java kleiner zag worden en voorvoelde dat ik mijn geboorteland ging verliezen, heb ik inwendig gejankt.”

En zo arriveerde Leo Hoestlandt in 1955 in Nederland. “De eerste jaren in Holland wilde ik niets van Indonesië in huis. Geen schilderij. Geen beeldje. Niks. Niks. Ik wilde er niets meer van weten. Dat staat ook in het boek. Ik heb het voor mijn uitgebreide familie geschreven, ze stelden steeds vragen over hoe iets was en zelf weten ze niets of ze hebben het te druk om het uit te zoeken.”

Gevangene van het verleden

Dat boek, kan iedereen dat kopen?
Daar is hij nog niet helemaal over uit met zichzelf. “Ik kom bij koempoelands van Indische verenigingen als de V.V.G.V., de ROKI en de TVR, daar kan het dan misschien.” Dan gaat het ongeveer tien euro kosten, wat helemaal niet duur is.

De familie van Oom Leo boft maar, zij vinden al hun antwoorden zomaar in een boek opgeschreven. Maar wij mochten er nu ook al een beetje van genieten. En ook van wat hij eerder schreef: Een mooie herinnering

 

Praktische schrijftip

Wacht met het opschrijven van uw levensverhaal niet tot kinderen of kleinkinderen vragen gaan stellen. Ze weten niet waarover die vragen moeten gaan. Als ze dat wèl beseffen, moet uw verhaal op papier staan.

Ga naar de bovenkant