Hoe schrijf je over iets moeilijks? Twee tips.

moeilijks

Vorige week gaf ik een lezing over generaal Van Daalen, de Indische officier uit de oude koloniale tijd. Dat viel niet goed. Achteraf snapte ik waarom. Ik was niet kritisch genoeg, vonden ze. En om het nóg erger te maken, had ik verteld dat ik werkte aan een boek over het KNIL.
Ik had ook gezegd, dat er in Atjeh de meeste Militaire Willemsordes werden uitgereikt en dat iemand met deze onderscheiding, als held werd beschouwd.
Na mijn lezing viel er dus een diepe stilte. Er was spanning in de zaal.

En ik dacht: ik neem geen woord terug.

Verleden

Hoe kan het toch, dat het koloniale verleden zo moeilijk bespreekbaar is? Behalve als je alles en iedereen als fout en verkeerd bestempeld, een dosis anti-Nederland gevoel eraan toevoegt en begint over het excuus van de koning.

Daar doe ik niet aan mee.
Want er is een verschil tussen:

  • een mening over het koloniale systeem
  • een mening over de mensen die in dat systeem leefden

En de mensen, die hadden gewone en bijzondere levens. Weet u nog, dat boek Asta’s ogen? Of het boek Anak Kompenie van Lin Scholte? Levensverhalen waardoor we het leven in en na Indië vastleggen en bewaren en doorgeven aan een volgende generatie, die op een dag met vragen gaat komen.

Twee tips

Ik weet dat er ook veel verhalen vol oorlog zijn. De oorlog van uzelf of die van uw ouders, die u mee kreeg of u wilde of niet.
Dat kan moeilijk zijn.
Om dat gemakkelijker te maken, geef ik twee tips.

Tip 1: aanvaard dat het verleden was zoals het was

Dus het was zoals het was, en niet anders. Dan hoeft u niet te bedenken dat er ‘eigenlijk’ iets anders gebeurde, of dat het aan u lag of dat het anders had moeten gaan. U kunt er gevoelens over hebben, maar het is gebeurd zoals het was.
U hoeft dan niet van alles te gaan begrijpen of uitleggen of van een nieuwe betekenis voorzien. Als u naar het verleden kijkt, heeft u een aantal gebeurtenissen die elkaar opvolgden. Daarmee moet u zich zien te verzoenen: dat het niet anders was.

Tip 2: schrijf het moeilijkste met streepjes op

Wanneer iets echt heel moeilijk is om op te schrijven en het is toch belangrijk om te bewaren, dan is mijn advies altijd: gebruik streepjes.
– dit is een streepje
– dit ook
– ze staan onder elkaar

Naast elk streepje zet u de kleinste herinnering die u kunt verdragen. Soms is dat een feit. Of een gevoel. Of een kleine anekdote of iets meer. Wat lukt, dat lukt.
Dus u hoeft hier het hele verhaal niet op te schrijven, alleen wat u aan kunt.

Heeft u hier iets aan? Wanneer u denkt: ik wil er toch eens over praten, dan kan dat. Klik hier, dan komt u op een webpagina waar u gemakkelijk met mij een telefoongesprek kunt inplannen.


Wanneer er een nieuw artikel verschijnt, mail ik een berichtje aan degenen die zich hebben ingeschreven. Dan hoeft u niet te zoeken. Inschrijven kan door op het plaatje te klikken.Dan krijgt u meteen een ebook cadeau: Drie tips om herinneringen door te geven.

levensverhaal

De rechte rug van Oom Latu (99)

rechte rug

Deze week dacht ik aan Oom Latu. Een Molukse militaire man van de eerste generatie. Ik ontmoette hem een hele tijd terug en hij is nu bevorderd tot de hemel. Toen ik  zijn verhaal opschreef voor Marinjo, dacht ik nog: later kan ik altijd nog wat meer vragen.  Zo leren we dat er niet altijd een later is. Als eerbetoon aan een bijzondere man publiceer ik het interview en de foto’s die ik destijds (2015) maakte.


Srategisch

Meteen als de huiskamerdeur openga, kijkt hij me aan. Direct. Vorsend. Oom Latu zat recht voor die deur, wat je noemt op een strategische positie. Wanneer ik hem een hand geef, kijkt hij even wat priemender. Iets is er goed gegaan, want Oom Latu zit kort erna aan de tafel, klaar voor het interview. Hij is bereid iets over zijn lange leven te vertellen. Lang, inderdaad: want als het hem gegeven is, viert hij volgend jaar januari in zijn woonplaats Breukelen zijn honderdste verjaardag. Dat klinkt oud. Maar hij is alleen oud in jaren. Zijn stem klinkt helder en vast, hij is zo idealistisch als een jongeman en hij heeft een mooi plan voor september. Dat kom ik later allemaal te weten.

De kinderen

Eerst praat ik met de kinderen, vooral met Rudy en Frans. Als ze vertellen over hun jeugd in Utrecht, zie ik ze veranderen in de jongens die ze zijn geweest. Dat enthousiasme. Maar ook het plichtsgetrouwe, van ’s avonds wel uitgaan maar dan ’s morgens op tijd in de kerk zitten, desnoods slapend met je hoofd tegen de bank voor je. Ze vertellen honderduit over de kelders, de barretjes, de vriendengroepen, alles, tot de zwijgende aanwezigheid aan die tafel de hele huiskamer overheerst. Het moment voor ons gesprek is gekomen.

Verjaardag

oom Latu

De handen van een vader, grootvader, overgrootvader en militair.

Die dag spreekt Oom Latu geen Nederlands. Daarvoor is zijn verhaal te groot. En zelfs met de vertaling door Rudy en zijn echtgenote Fien komen we tijd te kort. Ik hoor dat schrijfster Sylvia Pessireron een boek maakt met interviews met ouderen en twee dagen hier is geweest, dat wordt iets om naar uit te kijken. Vandaag gaat het vooral over de oorlog en over een groot verdriet uit de Molukse geschiedenis dat ik nog in geen enkel Hollands geschiedenisboek heb kunnen vinden. Maar eerst: de 99ste verjaardag. Hoe is die bijzondere dag gevierd?
Rudy vertelt: “Er is een kerkelijke dienst gehouden, een paar oudjes waren aanwezig, en de familie uiteraard. Voor zijn verjaardag heeft hij een financiële bijdrage gegeven aan de kerk.” Want ja – geld is altijd leuk, maar zijn levenservaring heeft Oom Latu geleerd dat er veel is, dat zwaarder telt. Voor hem is dat: de eenheid, in de wijk en onder de Molukse gemeenschap. Daar hecht hij aan, en dat brengt hij in de praktijk. Bij feesten in de wijk is hij altijd lid van het organiserende comité. Dat is de vrolijke kant. Een droevige is er ook. Vanuit de Molukse gemeenschap is er vorig jaar een herdenkingsceremonie ontwikkeld, waarin op elk Moluks graf in Breukelen een bloem is gelegd. Daar is hij ook bij geweest. Herdenken is vasthouden, in de omhelzing van het blijven herinneren, ook wanneer het pijn doet.

Militair

oom Latu

Een foto uit 1949, uiterst rechts oom Latu.

Oom Latu is op 5 januari 1916 geboren te Itawaka (Saparua) als Julius Latumaerissa. Zijn vader heette Josefus Latumaerissa, zijn moeder heette Angganita Wattimena. “Mijn moeder leek op een Hollander, ze was ook lang voor een Molukse.” Er waren acht kinderen in het gezin, vier jongens en vier meisjes, hij was de derde jongen. Een zusje woont in Wierden, zij wordt in december 97 jaar.
In Itawaka hebben de ouders een moestuin, daar leven ze van. Het is een soort boerenleven, eigenlijk. Rudy heeft in 1978 iets van die tuin gezien: “Mijn vader heeft er als kleine jongen kruidnagelbomen geplant en die zijn goed gegroeid. Alle kruidnagelen die daarvan geoogst worden, zijn inkomsten voor de familie daar.”
Voor de jonge Julius was iets anders weggelegd dan een leven in de tuin. Hij mocht en wide dominee worden; en daar begint eigenlijk het grote verlangen naar eenheid dat zijn leven beheerst. Zorgen voor een eigen kudde; dolende schapen terughalen, dat zou hij doen. Op zijn twintigste woonde hij bij zijn oom Samuel Latumaerissa, die ook dominee is. Het is dan 1936. Een tijd waarin mooie verhalen over de militaire dienst circuleren. Wat je hebt als je in dienst bent, dat het eigenlijk een goed leven is. Het sprak hem aan. Dat wilde hij eigenlijk veel liever dan een kudde schapen hoeden. Erop uit trekken, het volle leven in met kameraden.
Zo kwam het dat in 1936 Julius zich bij het KNIL aanmeldde, overtuigd dat er hier een nieuwe toekomst op hem wachtte. Maar hij werd afgekeurd. Erna probeerde hij het weer, en nóg een keer, en uiteindelijk is het met tussenkomst van zijn grootmoeder in orde gekomen. “Het handgeld was toen zestig gulden. Ik kwam bij het KNIL in 1938 als gewoon soldaat.” Niet iedereen zal hem met vreugde hebben uitgewuifd. Er was Johanna Tahapary, degene met wie hij zou trouwen. Zou… In de jaren voor de oorlog gaan de ontwikkelingen heel snel. Julius kwam via opleidingen bij de marechaussee. Na de aanval op Singapore aan het begin van de oorlog werd de marechaussee naar Medan geroepen. Met die afstand, de oorlogssituatie en de chaos van alle omstandigheden moesten de trouwplannen afgeblazen worden. In Palembang voelde Julius het diepe verdriet daarover in zijn hart. “Ik wilde het rechtzetten. Me verzoenen met het verleden. Daarom heb ik daar de dominee gevraagd om te bidden en het zo af te sluiten, zodat ik verder kon gaan.” Dat is gebeurd. Maar nog twinkelen zijn ogen en lacht zijn mond als hij haar naam noemt.

Oorlog

Nu komen de oorlogsverhalen. Het zijn geen stoere anekdotes die altijd goed aflopen. Het is evenmin een sentimental journey. Oom Latu zit met een rechte rug aan tafel en vertelt, waaraan hij sinds die tijd waarschijnlijk elke dag heeft gedacht. Het lijkt, of hij niets vergeten is.
Hij weet nog: dat Singapore gevallen was, en ze de jungle introkken voor guerrilla, met steun van de bevolking. Sergeant Smit trok eruit, op verkenning. Kwam hij binnen drie dagen niet terug, dan moesten zij verder trekken. Na de derde dag maakten ze hun wapens onklaar en begroeven ze met uniformen. Ze zouden proberen om Sumatra te bereiken.
Hij weet ook nog: het zoeken naar een boot. Eten krijgen van een dorpshoofd en moeten denken aan kameraden die dan honger hebben. En hoe dat voelde, weet hij ook nog: het verdriet dat de eenheid van de kameraden verbroken was.
En later: de vreugde, toen sergeant Smit toch bleek te leven.
En dan is er dan andere wat er gebeurde, iets dat voor mensen van na de oorlog niet goed te bevatten is. Gevangenschap. Zijn generaal Overlaken die van de Japanners een formulier moet ondertekenen dat over capitulatie gaat. Hij weigert. De Japanners dreigen, zetten hem onder druk. De generaal blijft weigeren en daarmee is zijn lot beslist.
Executie.
De generaal vraagt aan Oom Latu of hij de laatste maaltijd voor hem wil maken. “Ik heb sajoer gekocht. Ik had rijst en kip. Daarmee heb ik gekookt. Koffie wilde hij maar ik had geen melk. Toen heb ik thee gemaakt. De volgende dag werd de generaal onthoofd.” Wat kon hij doen, zonder wapens, tegen een overmacht?
Hier houden de oorlogsverhalen nog lang niet op. Er volgen lange jaren waarin de Japanners hem van het ene oord naar het andere transporteren. Van Pakum Baru naar Medan, vandaar naar Birma om aan de spoorweg te werken. Dan weer naar Batavia – oom Latu somt alle plaatsen op in de juiste volgorde, maar ik zie alleen oor mijn geestesoog die jonge man, middenin de oorlogstijd, die liever het KNIL in wilde dan dominee worden. Uiteindelijk, zegt Oom Latu, zijn ze iemand tegengekomen die vertelde dat er een bom op Hiroshima was gegooid.
Oom Latu was toen 29 jaar.

Nederland

Net als vele anderen vertrok ook Julius Latumaerissa naar Nederland. Op 14 april 1951 verliet de boot de haven van Soerabaja, met aan boord Julius en zijn vrouw Dorthea Likumahwa en hun baby Benjamin, die enkele maanden oud was. Op 15 mei zette het gezin voet aan wal in Rotterdam. Daarna kwamen de kampen, waarna ze verhuisden naar Breukelen. Maar in deze paar zinnen gaat een ander verhaal verscholen en dat gaat over Benjamin, over Bennie, zoals hij werd genoemd. Rudy vertelt: “Mijn broer is geboren in Soerabaja en hij heeft de overtocht meegemaakt. In Westerbork heeft hij nog een paar maanden geleefd. Toen is hij door de slechte omstandigheden gestorven, hij was zes maanden oud.” En Rudy vertelt meer: over de grote aantallen kindergrafjes uit die tijd, allemaal door dezelfde oorzaak, en te vinden overal waar Molukkers in die tijd hebben gewoond. Het doet pijn aan mijn hart om dit te horen, al die kinderen en daarmee ook al die gezinnen met een lege plek, waar iemand had moeten opgroeien. Dat is genoeg voor een levenslange wrok, denk ik. Maar daarvan is niets te horen in de verhalen die Oom Latu me vertelt.
Keer op keer gaan ze over saamhorigheid, over trouw zijn aan elkaar, in het klein en in het groot. Zijn stem haperde alleen toen hij sprak over de kameraden in de jungle, verder niet.

September

oom LatuEn nu? Oom Latu woont met zijn tweede echtgenote Robekka Ukolseja in de Molukse wijk te Breukelen. De wijk is slechts twee blokken groot, en er wonen aan een kant van de straat ook Hollanders. Elke zondag gaat hij naar de kerk en dan zit hij op zijn vaste plaats, vlak voor de verwarming. De kinderen komen graag op bezoek, net als zijn kleinkind en de vier achterkleinkinderen. Zij kennen de verhalen over vroeger, zegt Rudy: “Hij hoefde het eigenlijk nooit speciaal aan ons te vertellen. We hoorden zijn levensloop van kleins af aan, want bij elk doopfeest en iedere bruiloft zat hij bij zijn oud-kameraden en dan wisselden ze hun verhalen uit. Zo groeiden we ermee op.”

Oom Latu knikt bij wat Rudy zegt, zeker, zo gaat dat. De kinderen moeten het ook weten, van de Molukken. Daar hoort hij thuis. Beter gezegd: daar is zijn hart thuis. In september gaat hij weer terug. Niks rondreizen in Indonesië. De familie begroeten, de kruidnagelbomen zien, thuis zijn. Hij is en blijft een zoon van Itawaka.


Wanneer er een nieuw artikel verschijnt, mail ik een berichtje aan degenen die zich hebben ingeschreven. Dan hoeft u niet te zoeken. Inschrijven kan door op het plaatje te klikken. Dan krijgt u meteen een ebook cadeau: Drie tips om herinneringen door te geven.

oom Latu

Als de kinderen niets vragen en niets willen weten

kinderen

“Het interesséért de kinderen gewoon niet,” zei de mevrouw tegenover me. Ik vroeg hoopvol hoe oud ze waren. “Nog geen vijftig,” zei ze.
En ik: “Dan kan het best later komen, hoor.” We keken elkaar even aan en wisten wat de ander dacht: of zij er dan nog zou zijn om hun vragen te beantwoorden.

Belangstelling

Vaak komt de belangstelling voor de familiegeschiedenis pas later. Als de kinderen van die kinderen de deur uit zijn. Of als de generatie van de mevrouw er niet meer is en haar kinderen gaan voelen: straks ben ik aan de beurt, en wie ben ik eigenlijk? Of na het pensioen. Of als er iets gebeurt, waardoor de kinderen denken: nu wordt het tijd om vragen te gaan stellen.

Aanpassen

Eigenlijk is dat wel een compliment voor de opvoeding. Ooit waren de kinderen echt jonge kinderen, die te horen kregen: “We zijn nu hier, in Nederland.” Het aanpassen en meedoen lukte zo goed, dat die kinderen langzaam verhollandsten. Plus dan het vaak drukke leven met werk en gezin.
Pas wanneer dat verandert, geleidelijk of met een klap, komen de vragen.
En ja, waar moet je dan beginnen als kind dat van niks weet?
Je kent de vragen niet eens.

  • Waarom heette Bandoeng het Parijs van Java?
  • Wat was het lekkerste bij Toko Oen?
  • Hoe kon dat toch in Indië, al die verschillende mensen in dezelfde klas?
  • Waarom is er geen naam overgeleverd van mijn overovergrootmoeder?
  • Wat was ‘de hel van Soerabaja’?
  • Hoe was het voor de oorlog, hoe verliep toen een gewone dag? En waren er toen al Japanners in Indië?

Herinneringen

Ik ben wat peinzend, dat merkt u wel. Dat komt een beetje door de herfst en ook door de start van de cursus Schrijf het levensverhaal van uw moeder. Dan voer ik telefoongesprekken met de cursisten en die zijn gezellig en voor mij ook vaak ontroerend. Want dan blijkt hoe ver herinneringen kunnen teruggaan: als u iets over uw moeder weet, dan weet u ook vast iets over haar moeder, en hopelijk ook over haar grootmoeder.
Dat zijn al drie generaties.
Is dat belangrijk genoeg om op te schrijven?
Dat dacht ik wel.
U bent de expert, want u weet het uit de eerste hand.

Bo Keller

Deze week had ik oud-KNIL Bo Keller (92) aan de telefoon. Ja, wat een leeftijd, en niks mild geworden hoor. Ik moest de telefoon zelfs een beetje van mijn oor afhouden omdat er stoom uit kwam. Hij was boos over het gebrek aan kennis in Nederland van Indië, zeker in de naoorlogse tijd. “Toen we hier kwamen en iets over de oorlog zeiden, dan was het: ‘jullie hadden warm weer’. Honger? Dan was het: ‘jullie hadden bananen.’ We hadden geen weerwoord. Ik heb daar nooit last van gehad maar de laatste tijd duikt het soms op.” Wat duikt er dan op? De tijd van oorlog en erna. Hoe de mensen deden. Wat er gebeurde. Alles, alles.

Na dit gesprek wist ik het weer: voorbij is niet voorbij.

Antwoorden

Dus al vragen de kinderen vandaag nog niets en vinden ze dat Indië “voorbij” is, eens komen de vragen, of anders wel van de kleinkinderen. En zéker weten dat de kinderen dan ook gaan opletten. Moed houden, bedoel ik te zeggen, niet wachten tot de kinderen wat gaan vragen, dat geeft een gevoel van afwijzing en verdriet. Kijk in de toekomst en weet: er zullen vragen komen, en dan zijn uw herinneringen van belang. Daar zitten de antwoorden in.


Wanneer er een nieuw artikel verschijnt, mail ik een berichtje aan degenen die zich hebben ingeschreven. Dan hoeft u niet te zoeken. Inschrijven kan door op het plaatje te klikken.  Dan krijgt u meteen een ebook cadeau: Drie tips om herinneringen door te geven.

afscheid

Troost-eten uit de tangsi. Twee recepten van Lin Scholte (download)

tangsi

Deze week stond ik bij de toko voor een dichte deur. Gesloten wegens omstandigheden. Ik gluurde door het raam en zag alles liggen: de noodles, de boemboes, de goela djawa, en van de weeromstuit kréég ik toch lekkere trek.

Koempoelans

Maar dicht is dicht, en alle koempoelans met Indische catering zijn ook al afgelast tot nader order. Daardoor verlangde ik meteen extra naar die gezelligheid. De bakjes op tafel. De bingo waar je zo je verstand moet bijhouden en dat wil je ook wegens de prijzen. De muziek en het dansen. Dat je denkt wat een knappe man en dan blijkt hij negentig jaar te zijn, en weliswaar vrijgezel maar niet op zoek, en zèlf koken kan hij als de beste.

Iets doen

We moeten op de een of andere manier door deze tijd zien te komen. Daarna kijken we allemaal op terug. En ik denk: stel dat het een jaar duurt eer het vaccin er is, hoe wil ik dan op dit jaar terugkijken? Toch niet dat ik de hele tijd op de bank lag af te wachten. Ik verlang ernaar iets zinvols te doen met dit jaar, en met elke dag. Dus daar zoek ik nu een weg in.

Vertel-kookboek

Na de gesloten deur van de toko dacht ik meteen aan het kookboek van Lin Scholte. Het heet Lekker Koken van Sabang tot Merauke. Oude en Nieuwe recepten uit de Wonderlijke Tropenkeuken. Het verscheen in 1972 en de tweede druk kwam in 1989. Het is eigenlijk meer dan een kookboek: Lin vertelt ook verhalen over de familie, en wie wat goed kon koken. Voor een groot deel zijn dit recepten uit de tangsi, de kazernes van het KNIL, waar Lin en haar moeder Djemini lange tijd in woonden. Daar stond de vrouwenloods, daar werd gekookt.
Een vertel-kookboek, dat zijn de mooiste kookboeken. Want een recept met een verhaal, dat voedt ook het hart.

Troost

In het kookboek vond ik twee veelbelovende recepten. Ik zocht naar iets eenvoudigs, wegens de gesloten toko. Maar ik beken  eerlijk en oprecht dat ik slecht kan koken, dus ik hoop dat u kunt zeggen: ja, dit is echt lekker. Dan is het immers troost-eten. Gewoon, omdat we allemaal best iets extra’s kunnen gebruiken.
Ik geef de recepten voor Serabi en Apem Madura hieronder en ook in de download: klik hier en download. Kan handig zijn. Nog even iets anders.

Tangsi

Volgend jaar is het honderd jaar geleden dat Lin Scholte werd geboren, ze is van 1921. In dat jaar verschijnt ook het grote rapport over het Nederlandse militaire optreden in Indië. Ik hou mijn hart vast, ook voor de beeldvorming van alles en iedereen die militair in Indië was. Lin Scholte ging destijds schrijven omdat het beeld van haar ouders, levend in de tangsi, zo negatief was. Haar moeder was Javaans, haar vader Hollands, zij waren getrouwd. En volgend jaar zullen de verhalen van Lin over haar jeugd weer harder nodig zijn dan ooit. Want in de kazernes, in de tangsi’s, waren ook gelukkige relaties, er leefden gezinnen en ook families van Indisch, Indonesisch en Hollandse mensen in harmonie samen. Niet alles was slecht en verkeerd, heus niet.

Hier komen de twee recepten:
Lin Scholte: Lekker Koken van Sabang tot Merauke. Oude en Nieuwe recepten uit de Wonderlijke Tropenkeuken (1989)

SERABI
Benodigdheden:
3 glazen rijstmeel
6 glazen lauw water
1/2 pond kokos
1/2 glas kokos
1 theelepel zout
1 kemiri

Voor de saus:
1/2 pond kokos
l 1/2 ons gula djawa (mag letsmeer)
Bereiding:
Vermeng het meel met de kokos; maak de kemiri met het zout fijn. Doe wat water in het kemirimengsel en voeg dit bij ca. 6 glazen lauw water. Roer dit water bij het meelmengsel met een garde. Niet ineens, maar zorgvuldig glas voor glas. Anders zou het beslag misschien te slap kunnen worden. Het beslag moet de dikte hebben van gewoon pannekoekenbeslag; wel een ietwat korrelig beslag door de kokos en het rijstmeel dat todi grover van constructie is dan tarwebloem.
Laat het beslag een kwartier of zo rusten om het meel en de kokos gelegenheid te geven het vocht te absorberen.
In de tussentijd kan de saus worden bereid. Daartoe wordt uit de kokos ruim een liter santen ge-perst; breng dit aan de kook met een pandanblad dat in stukken werd gesneden. De gula djawa met wat water laten koken om te smelten, zeven en bij de santen voegen. Deze santen met gula djawa moet de zoetheid hebben van kollak. De serabi wordt stuk voor stuk gebakken en dat gaat als volgt: Neem het liefst een kleine ijzeren wadjan (een grote wadjan geeft grotere, platte serabi’s). Bindt een schoon lapje katoen tot een prop, iets groter dan een kemiri-noot. Doe een lepel olie op een schotel, en leg de sodet of sutil klaar.
Zet de wadjan op een middelmatige vlam en wrijf de wadjanbodem in met het propje katoen dat even een tipje olie kreeg uit de schotei. Niet insmeren met die olie, maar licht invetten tot de wadjanbodem glanst. Doe een emailleschep vol van het beslag in de wadjan, en laat de serabi dichtgedekt met een passend panne-deksel gaar-“liwet” gedurende exact drie minuten. Schuif de randen los met een sutil of sodet en licht de serabi uit de wadjan op een plat bofd of schaal die dadelijk afgedekt wordt met een groot deksel om de serabi’s warm te houden. Vet de wadjanbodem in voor de volgende serabi. Gare serabi is matwit van kleur aan de oppervlakte, terwijl de onderkant lichtelijk bruingebrand is. Deze Indonesische “pannekoek” wordt met een schep van de santensaus gegeten, waarvan de bereiding al is omschreven.

De serabi die mijn moeder en haar zusters plachten te maken verschilt een beetje van het voorgaande. Zij maakten ze als volgt:
Benodigdheden:
2 glazen rijstemeel
1 theelepel zout
1/2 glas kokos
2 glazen romige santen
Bereiding:
Vermeng het meel met de kokos en het zout. Roer de warme santen met een garde door het meel tot een klontervrij beslag is verkregen. Laat dit een kwartier rusten en bak hieruit daarna serabi’s zoals in het voorgaand recept werd aangegeven. Uit bd. opgegeven hoeveelheden ingredienten zijn ongeveer vljftien serabi’s te krijgen.

APEM MADURA
Benodigdheden:
1 pond rijstmeel
1 glas kokoswater of 1/1 glas tape ketan, dan wel een kwartbolletje ragi
1 ons bruine suiker (gula djawa) .
1/2 pond kokos
olie om in te vetten
Bereiding:
Dit beslag dient de avond tevoren te worden gemaakt, daar het rijsmiddel haar werk moet doen. Uit de kokos wordt voldoende santen geperst om met het meel een nogal dik beslag te vormen. (Iets dikker dan pannekoekenbeslag). Daartoe worden de opgegeven ingredienten met elkaar vermengd en een nacht met rust gelaten om het beslag een beetje te laten rijzen. In elk geval luchtiger te doen worden. Bak de apem op dezelfde wijze als serabi. Wordt evenwel zonder saus gegeten. Apem is iets gerezen en luchtiger dan serabi.

Heeft u dit gemaakt? Foto’s zijn van harte welkom!
www.indischeschrijfschool.nl


Wanneer er een nieuw artikel verschijnt, mail ik een berichtje aan degenen die zich hebben ingeschreven. Dan hoeft u niet te zoeken. Inschrijven kan door op het plaatje hieronder te klikken. Dan krijgt u meteen een ebook cadeau: Drie tips om herinneringen door te geven.

“Dit was nu het leven van een frontsoldaat. Krankzinnig!”

Bo Keller

Bo Keller in de KNIL-tijd/ Nederlandse Krijgsmacht.nl

Straks, op 6 september, viert Bo Keller zijn 92ste verjaardag. Een man met een verhaal. Hij zat bij het KNIL en ging daarna naar de Korea-oorlog. Hij mailde me: “Ik weet niet of dit verhaal goed overkomt, maar zo’n bijzondere oorlogsfrontherinnering uit het verre Korea mag niet verloren gaan.”

Dat vond ik ook. Daarom ben ik blij dat ik zijn verhaal mag publiceren.


Op Facebook lees ik veel oude herinneringen en zo viel bij me verschillende herinneringsklepjes open op mijn oude dag. Er waren in deze afschuwelijke oorlog ook wel vele leuke momenten geweest aan het front dan alleen akelige gebeurtenissen.

Onze maat Swaab

Ons peloton had in de vooravond een gedeelte van de veroverde Chinese loopgraven toegewezen gekregen. In mijn groep zaten enkele Indische jongens uit Nederlands Nieuw Guinea waaronder ik.
We waren moe. De wachten werden ingedeeld. Een ieder begaf zich in het duister, dat af en toe verlicht werd door  wat verlichtingsgranaten die een tijdje in de lucht bleven hangen.
De nacht verliep vrij rustig.
Wij Indische jongens staan nogal vroeg op om aan de koffie en tevens op temperatuur te komen. We zaten daar zo gezellig mogelijk te donggengen (slappe praat) toen opeens onze maat Swaab haastig uit zijn wachtgedeelte kwam, naar ons rende en ons toeriep: ‘een dooie Chinees, een dooie Chinees.’ Onze korporaal Micka hield hem staande en bracht hem tot rust.

Lieflijk toegedekt

Wat vertelde Swaab? Hij liep die avond naar zijn toegewezen plekje in de loopgraaf en struikelde over een persoon die op de grond lag en volgens zijn verhaal, bromde deze man toen hij tegen hem aan liep. In zijn wachtuur zag hij dat deze persoon krom lag. Hij dekte hem toe met een deken en ging naderhand tegen hem aan liggen slapen.
In de ochtend hoorde hij ons kwebbelen en stootte hij de persoon die naast hem lag aan. Nu pas zag dat het ’n Chinees was en nog dood ook, die hij als zijn kameraad lieflijk toegedekt had. De hevige schrik zat er bij hem goed in.
Vanaf die tijd noemden we Swaab: ‘dooie Chinees.’

Regiment van Heutsz

Wij waren bij het Nederlands Detachement Verenigde Naties (N.D.V.N.), Regiment van Heutsz. B. compagnie. De eerste aanvulling vanuit Nederlands- Nieuw Guinea 1951. Via Biak-Guam-Manilla-Japan waren we in Korea aangekomen waar we werden gelegerd op de oevers van de rivier de Han. We werden vrij direct naar het front gezonden.
Daar hebben we verschillende gevechtsacties mee gemaakt en in de wintermaand 1951 speelt dat verhaal af tijdens de gevechten genoemd de ‘IJzeren driehoek’ in Noord Korea. Tijdens de Korea Oorlog vochten we tegen de Noord-Koreanen en tegen de Chinese troepen, die de Noord-Koreanen te hulp schoten.

Heuvels

De gevechten voor ons Nederlanders vonden voornamelijk plaats in de Koreaanse heuvels, waar beide partijen zich duchtig te weer stelden en langs hun lange front smalle diepe diepe sleuven groeven (loopgraven). Er waren ook bunkers met alles daarop en daaraan, te weten mitrailleurs, en observatie-opstellingen – zowel open als afgedekt – boobytraps en nog meer akelige voorwerpen.

Frontlijn

Bo Keller in Korea (Nederlandsekrijgsmacht.nl)

Wij ‘vrijwilligers’ worden zo dicht mogelijk voor hun frontlijn gebracht, meestal op zo’n halve kilometer afstand. We stappen uit de voertuigen en staan al direct bloot aan de Chinese/Noord-Koreaanse kanon en mortiervuur, dat heel akelig is. De grond rondom leek soms op kokend water.

Ons klein makend en vaak biddend maken we gebruik (hebben ’t geleerd) van terreinplooien. Liggend, kruipend en hardlopend gaan we zo goed mogelijk voorwaarts. Dan pakweg de laatste 50 meter, stoppen we.

Even halen we diep adem (krankzinnig), zetten de bajonet op het wapen en gaan uit al onze wapens vurend, gillend etcetera (zelfs eens de strijdkreet ‘Van Heutsz- van Heutsz’ gehoord om ons wat extra moed te geven) voorwaarts. Meestal omhoog de bult (Tjot) op.

Loopgraven

De vijand had al van te voren een ware HEL over zich heen gekregen (vliegtuigen -tanks-kanonsvuur en veel rook). De overlevende vijandelijk verdedigers zitten dan vol verwachting in deze ‘loopgraven;’ ons op te wachten met onder andere een ware regen van handgranaten ons toegooiend.
Dan na heel veel onvriendelijkheden over en weer nemen wij hun plaatsen in. Daarna maken we gebruik van hun loopgraven of kuilen om hun tegenaanval af te wachten en onze eigen verliezen op te nemen.

Dat voorval van de ‘dooie Chinees’ was na deze laatste controle, toen wij de nacht ingingen en tijdens de volgende ochtend.

Dit was nu het leven van een frontsoldaat. Krankzinnig!


Wanneer er een nieuw artikel verschijnt, mail ik een berichtje aan degenen die zich hebben ingeschreven. Dan hoeft u niet te zoeken. Inschrijven kan door op het plaatje hieronder te klikken. Dan krijgt u meteen een ebook cadeau: Drie tips om herinneringen door te geven.

indische schrijfschool

Op zoek naar de familie (1-3)

Rechts met geweer mijn vader. (Collectie Ellen de Bats)

Ellen de Bats schrijft over haar familie. En goed ook. Haar verhaal moet ik twee, drie keer lezen en dan nog een keer. En dan die foto: de man met het geweer is haar vader.  Ik mocht hier haar laatste verhaal publiceren. Komt het.

Moeder Milly Boom

Mijn grootmoeder (aan moeders kant), Wilhelmina (Mien) Anderson (Pati, Japara 27 maart 1893-Heemskerk, 1962), en mijn vader Carlo de Bats hebben beiden – in de loop van hun leven – samen een belangrijk raakpunt: mijn moeder, Milly Boom.
In tegenstelling tot Mien, is er van de familie van mijn vader een vrij uitgebreide stamboom beschikbaar. Mijn moeder en haar moeder waren onafscheidelijk, hoewel er een moment kwam waarop zij even van elkaar gescheiden werden. Voorzover ik weet, heeft oma Mien altijd – zowel in Indonesië als in Nederland – bij ons gezin ingewoond.

Biak

In het album is een foto te vinden van mij als kleine baby van ongeveer elf maanden, zittend op de schoot van oma Mien vlak na Biak, waar ik geboren werd op 30 september 1947. Mijn ouders trouwden op 30 december 1946 in Bandoeng (West-Java), en vertrokken de dag daarna naar Biak op toentertijd Nederlands Nieuw-Guinea. Mijn vader was daar voor een periode van een jaar gedetacheerd om te helpen met de aanleg van een vliegveld voor de militaire luchtvaart. Hij werkte in Bandoeng op het militaire vliegveld Andir bij de technische dienst als burgermilitair, burgerambtenaar.
Waarschijnlijk is mijn oma op Java gebleven, omdat het ging om een tijdelijke detachering van mijn vader. Een paar maanden na aankomst op Biak, werd duidelijk dat mijn moeder zwanger was geraakt. Merkwaardig genoeg moet mijn vader, kort voor de geboorte van zijn eerste kind, terug gegaan zijn naar Java. Hij ging deelnemen aan – wat later bleek te zijn – een koloniale oorlog.

Over Biak heeft mijn vader het volgende verhaal verteld over een incident, dat daar heeft plaatsgevonden in verband met de bersiap en de volkswoede. Mijn vader was dus vanaf januari 1947 voor een jaar gestationeerd op het eiland Biak, voormalig Nederlands Nieuw-Guinea. Als elektrotechnisch ambtenaar was hij betrokken bij de aanlegwerkzaamheden van een militair vliegveld op Biak. Onbekend is in welke maand van dat jaar dit incident zich afspeelde. Mijn moeder was zwanger van haar eerste kind. Bij de aanleg van het vliegveld waren ook Indonesische koelies werkzaam.
Op een dag kwam mijn vader op inspectietocht met zijn jeep langs bij deze arbeiders, die de opdracht hadden een stuk oerwoud vrij te maken. Met kapmessen werd de beplanting weggehakt. Mijn vader was alleen, en alles leek rustig. Tijdens deze inspectie werd hij plotseling aangevallen door enkele koelies. Mijn vader zag dat een paar van deze mensen dreigend met kapmessen op hem afkwamen. Langzaam liep mijn vader achteruit naar de jeep, omdat hij daar zijn revolver had laten liggen. Hij dacht, dat hij geen kans zou maken tegen deze dreiging. Totdat hij merkte, dat de koelies verstarden, en hun opgeheven kapmessen lieten zakken. Toen mijn vader achterom keek, zag hij een groepje papoea’s die met pijl en boog, schietklaar gereed stonden tegenover de koelies. Zij hadden mijn vader behoed voor een afslachting.

KNIL

Ik heb het – nadat ik het vernam – een raadsel gevonden, waarom mijn vader zijn aanstaande jonge gezinnetje in de waagschaal zette en gehoor had gegeven aan een oproep van het Indische leger om uitgezonden te worden naar de gevaarlijkste gebieden van de archipel. Mijn vader was geen beroepsmilitair, maar was in 1933 op 19-jarige leeftijd ingelijfd bij het KNIL (Koninklijk Nederlandsch Indisch Leger) vanwege de dienstplicht. Sindsdien heeft hij af en toe bij het KNIl bijgetekend.
Een sociologisch rapport vermeldde: “Het Indische leger opereerde en voerde gezagsherstel uit in de gevaarlijkste gebieden van de archipel. Het eiste de sterkste plaats op en het droeg de zwaarste verantwoordelijkheid. Het kon dit doen, omdat het ‘in eigen huis’ werkzaam was en op eigen bodem functioneerde. Het heeft van dit recht volledig gebruik gemaakt.”
Het kan zijn dat er nog meer beweegredenen waren. Mijn vader was na de oorlog een zoektocht aangegaan naar zijn vader, Gustaaf de Bats. Mijn vader wist alleen, dat zijn vader na de oorlog op de plantage in handen was gevallen van de inlandse nationalisten, en ergens naartoe was gebracht. In elk geval had mijn vader voor een paar maanden zijn detachering op Biak, Nieuw-Guinea, onderbroken. Om mee te doen aan de eerste politionele actie op Java. Deze actie heette Operatie Product. En duurde zestien dagen, van 21 juli tot 5 augustus 1947.
De militaire actie was bedoeld om de plantages terug te winnen. Mijn moeder bleef hoogzwanger achter, en moet een stressvolle tijd hebben doorgemaakt. Immers, mijn vader vocht in een echte oorlogssituatie. Nooit heb ik geweten dat het meedoen aan de eerste politionele actie door mijn vader, een – mogelijk – onderdeel van zijn zoektocht was naar zijn vader. Mijn vader zou zijn vader nooit meer terugzien. Het bleek later, dat Gustaaf de Bats, planter, – volgens de geregistreerde kampadministratie – op 18 februari 1947 overleden was in het nationalistenkamp Wonopringgo te Pekalongan.

Interneringskamp

Opa Gustaaf was op 12 oktober 1945 – met zijn gezin – vanuit de suikerfabriek Petaroekan geïnterneerd. Want volgens een verhaal van een mede-onderzoeker, zat ook oma Jet met de twee jongste kinderen gevangen. Het gezin zat in de gevangenis, en werd na een jaar overgeplaatst in een interneringskamp te Pekalongan, diep in de binnenlanden. De behandeling was slecht. In het kamp waren de mannen gescheiden van de vrouwen en kinderen. Oma kreeg van Kasroen – de inlandse opzichter van de plantage – uit mededogen weleens of misschien wel geregeld eten toegeschoven over de omheining heen.
Opa Gustaaf overleefde het kamp niet. Hij was 58 jaar oud, toen hij stierf aan onbehandelde ziekte, gebrek aan medicijnen en ondervoeding. Later zou oma Jet – na het overlijden van haar echtgenoot in februari 1947 – met haar twee jongste kinderen overgebracht worden naar een interneringskamp in Bandoeng, waar zij in april 1945 uit bevrijd werd. Zij bleef daarna wonen in haar geboortestad Batavia, slecht gehuisvest in een garage.

open brief van een KNIL-dochter: Aan Zijne Majesteit Koning Willem Alexander

KNIL

Wilhelmina in gesprek met oud-militairen van het KNIL, te Bronbeek. (Wikimedia commons/ Tropenmuseum

Wie bereid is voor de Nederlandse vlag te sneuvelen, mag daar iets voor terug verwachten. Erkenning. Respect. Aandacht. Dat geldt ook voor het KNIL.  In een Facebookgroep vond ik een open brief van Toby de Brouwer. Ze gaf me toestemming die hier te plaatsen.


Aan zijne Majesteit Koning Willem Alexander

Den Haag, 22 mei 2019

Beste Majesteit,

Tot mijn grote ontsteltenis, ongeloof en veel verdriet, zag ik dat U op 27 juni a.s. het Nationaal Museum aan de Sophialaan in de Haag gaat openen. Dit kan toch niet waar zijn?

De Indische gemeenschap wacht nu al meer dan 74 jaar op erkenning, excuses en backpay-salarissen voor onze voorouders er ouders.

Onze vaders en opa’s hebben in het KNIL gevochten voor Nederland en uw overgrootmoeder koningin Wilhelmina.
Onze vaders en opa’s hebben in Jappenkampen gezeten, velen hebben het niet overleefd,
Anderen hadden het geluk te overleven, maar ze zijn gemarteld, kregen niet te eten en hadden verschrikkelijke ziektes.

Onderluitenants KNIL L. J. Kievit. K. A. Gootjes. H. J. Pattinama, W. Dieleman en C. W. Broekhuizen. (Wikimedia Commons, Nationaal Archief)

 

De 2e generatie van deze ouderen hebben er heel veel ellende van ondervonden.
U heeft vast niet veel tijd om te lezen, maar lees eens de tolk van Java van Alfred Birney en denk daarbij dat dat maar 1 geval was, zo zijn er duizenden.
Deze duizenden wachten nog altijd op de uitbetaling van de salarissen voor de tijden dat hun vaders en opa’s gevangen hebben gezeten.

Al de opeenvolgende regeringen hebben de Indische Kwestie nooit totaal willen oplossen en dit is een smet, ook op naam van uw overgrootmoeder koningin Wilhelmina.
Zij heeft zoveel beloofd en de beloften zijn nooit nagekomen.

U bent zelf geen veteraan, maar ik hoop dat u wel het gevoel voor hen kan opbrengen wat dit met hun heeft gedaan en nog doet.
Mijn vader is verbitterd gestorven door dit onrecht, ik heb hem beloofd voor hem te blijven vechten.
Nu ben ik zelf al 71 jaar en die belofte drukt zwaar op mij, want zo als het het nu uitziet zal ik even verbitterd als hij gaan sterven.

U heeft een leuk gezin en een leuke familie, kunt u zich voorstellen hoe het zou zij als hen dit overkwam/overkomt?

Ik las laatst dat u in een achterstand wijk spontaan op bezoek bent geweest, ik kreeg er een warm gevoel door en dacht: hee, een echte koning voor de mensen.

U heeft op uw school waarschijnlijk ook niet de gehele kwestie van Nederlands Indië geleerd, want daarover werd gezwegen en wij worden niet gehoord.

KNIL betekent KONINKLIJK NEDERLANDS INDISCH LEGER, onze vaders en voorvaders waren en zijn echte Nederlanders, hebben gevochten voor een land wat de meesten niet kenden en voor uw overgrootmoeder. En wij worden gewoonweg genegeerd, weet u wat dit met ons doet?

Geef ons net als die nieuwe Nederlanders in de achterstand wijk van Den Haag ook de mogelijkheid met u te praten.
U kunt bij mij thuis komen of er kan een andere afspraak gemaakt worden zodat u met
meerdere slachtoffers kunt praten.

Geef ons die kans voor u het museum gaat openen, anders is die opening voor duizenden
Indische Nederlanders een diepe belediging.
Open uw hart en praat alstublieft een keertje met ons en luister eens naar onze ECHTE
verhalen, want in de loop van de jaren zijn al die regeringen niet juist ingelicht door betreffende ambtenaren.

Met diep respect als u dit voor ons doet en met grote teleurstelling als u ons weer niet wilt horen.

Hoogachtend,
Toby de Brouwer
Dochter van een KNIL soldaat

In Soerabaja (Wikimedia Commons/Tropenmuseum)

 

Praktische schrijftip

Een manier om over vroeger te schrijven, is in briefvorm. Schrijf een brief aan uw vader of moeder over uw kindertijd. Wat was er fijn, wat vond u moeilijk, wat herinnert u zich nog van het samenzijn? Die brief schrijft u eerst voor uzelf, om te bewaren. U hoeft die aan niemand te laten lezen, als u niet wilt.

kleinzoon Dion: “In 2010 ging ik op zoek naar mijn roots”

Poublon

“Jogja, 2010”

Wat weten de kleinkinderen, als praten over vroeger moeilijk is? Dat antwoord geeft Dion, een kleinzoon op zoek naar informatie over zijn grootvader Ernst Poublon. Was er maar meer verteld, denk je, was er toch maar iets opgeschreven.


Ik ben Dion, kleinzoon van Ernst Poublon, KNIL-militair. Mijn overgrootvader is vermoord door Japanners waar mijn opa bij was en volgens mij is hij mede daardoor bij het KNIL gegaan. Of hij gevangen is direct na de dood van zijn vader of later, toen hij al bij het KNIL zat, weet ik niet zeker. Hij werd in ieder geval krijgsgevangen genomen en hij heeft aan de Birma spoorlijn gewerkt. Daar heeft hij veel verschrikkelijks gezien. Daarna is hij volgens mij bij Gadjah Merah gegaan.

Mijn opa is nooit meer terug gegaan naar Jogja. Hij heeft nooit naar het graf kunnen gaan. Een broer van hem uit Australië wist dat er een graf was maar niemand uit de Nederlandse kant is daar ooit geweest.

In 2010 ging ik op zoek naar mijn roots.

Zestien uur vliegen.
Drie uur in de trein vanuit Jakarta naar Bandung.
Acht uur in de trein van Bandung naar Jogja.

Poublon

“Mijn opa Ernest Poublon”

Tijdens die rit vertraagt de trein bij sommige bruggen met veel groen eromheen. Een vlinder vliegt naar mijn raam. Ik herinner me dat mijn Indische oma altijd zei: “als een vlinder bij je landt, dan zul je spoedig iemand of een oude bekende weerzien die je hebt gemist.”
Ik vroeg aan het meisje uit Bandung dat naast mij zat of dat iets typisch Indisch was. (Ik had geen idee of het Hollands of Indisch was.) Ze zei dat ze dat inderdaad zo was.

’s Avonds in Jogja aangekomen. Slapen. ’s Ochtends had ik het plan om het graf te gaan zoeken. Becak gepakt en gevraagd waar er een Christelijke begraafplaats was.

Op het kerkhof aangekomen vroeg ik of er een graf was met de naam Poublon. Ze brachten me naar drie graven naast elkaar, allemaal Poublon, maar van veel te nieuw marmer. Het moest een veel ouder graf zijn. “World War Two, KNIL,” zei ik. De man liep naar een oudere man die daar vroeger gewerkt had en soms kwam buurten bij z’n oude collega’s.

Ik moest met hem meelopen. Na een tijdje stopte hij tussen twee graven. Hij had een schep en begon gras weg te kappen, graven, de man was zeker over de zeventig en ik zie deze opa in de warme zon tussen z’n slippers met die 90 graden schep tekeer gaan en ik snapte niet wat hij deed….
Een tik. Hij veegt wat zand weg met sapo lidi en daar staat de naam van mijn overgrootopa: T. Poublon.
Kippenvel.

Zo lang reizen om in Jogja te komen en binnen één uur het graf vinden. Wat een toeval dat die oude man er was die dag en dat hij wist waar het was. Onder het gras.
Blijkbaar was hij degene die tientallen jaren geleden vanwege een nieuwe straat en bushalte het graf heeft moeten verplaatsen en hij wist nog waar het tussen gelegd was.

Ik weet niet zeker of dit een KNIL-graf was maar in mijn verhaal heb ik het altijd onthouden als het KNIL-graf.

Graag zou ik meer weten

Poublon

“Overgrootopa, mijn opa en een oom”

Graag zou ik meer willen weten over tijdlijnen en iets horen over andere verhalen. Beweegredenen.

Waren er twijfels, zeker bij wat getintere Indos zoals m’n opa? Ze voelden zich vast Nederlands maar vonden ze dat altijd nog.

Was er verschil tussen de blanke KNIL en mijn Indo-opa KNIL militairen? Ik wil nog zoveel meer weten.

 

 

 

 

 

Praktische schrijftip

Vragen over vroeger hebben we bijna allemaal. Het brengt rust en overzicht om die vragen genummerd te noteren. Elke vraag gaat over 1 onderwerp: een wat, een wanneer, een waar. Voor anderen is het dan gemakkelijker een antwoord te geven, en u weet zelf precies wat u nog wilt weten. Hoe duidelijker de vraag, hoe groter de kans op het antwoord.

“‘hoe heb je Nederlands geleerd’, en dan zei ik altijd ‘aan boord'”

Gymzaal HBS te Semarang (Wikimedia Commons/Tropenmuseum)

Een klein berichtje op Facebook trok mijn aandacht. Fred Flohr over zijn jeugdherinneringen: “Ze lieten me op de HBS links liggen, maar – wat een wonder – leerlingen uit het ruige Westkapelle namen het voor me op.” Daar zit een verhaal achter, dacht ik. Hoe zat dat? Fred vertelt.

Heimwee naar Indië

“We kwamen in 1952 naar Holland. We hadden ons ingeschreven voor Gelderland, maar we werden in Zeeland geplaatst. Daar ging ik naar de HBS. Ik was 15 jaar, zat in de pubertijd en ging onderdoor aan heimwee naar Indië, zoals wel meer mensen toen.”

Die “we”, dat waren: zijn vader, moeder en hun drie zoons. Fred was de middelste. Het gezin reisde met slechts twee koffers en een persoonlijke geschiedenis die zwaar woog. “Mijn vader was niet onbeschadigd uit krijgsgevangenschap gekomen. Hij is in Singapore bevrijd, daar was hij door de Japanners op de kampafdeling gelegd om te sterven. Hij had beri beri. Toen hij begon te hikken, lieten ze hem liggen. Dat was hun manier om met deze zieken om te gaan, heeft mijn vader me verteld.”
“De Engelsen hebben die mannen opgekalefaterd en toen moesten ze terug in hun KNIL-uniform. Ik herinner me dat hij in uniform afscheid van ons nam. Na vier jaar kwam hij terug.”
Moeder en de kinderen hadden intussen de Bersiaptijd doorstaan. “We zaten in Semarang. Daar sliepen we met een rugzak om op de grond, als er in de naaste omgeving gevechtshandelingen waren. In vluchttoestand.”

Niet zeuren maar doen

Die herinneringen reisden mee. Het gezin kwam in een contractpension in Middelburg.

“Mijn vader was van Duitse afkomst. Henrich Reinhardt. Zijn instelling was: niet zeuren maar doen. In Nederland heeft hij allerlei baantjes aangepakt, wat er maar was, van brandwacht tot suppoost in een museum. Maar hij heeft niet lang geleefd hier. Toen stond Noes, mijn moeder, er alleen voor. ”

Op de achtergrond

En zo kwam Fred van vijftien jaar dus op de HBS. Dankzij het goede onderwijs in Indië kon hij gemakkelijk meekomen. Omgaan met de klasgenoten was iets anders. Fred hield zich op de achtergrond: “We hadden Ferry in de klas, dat was een Middelburger die was de grote ster.” Maar toch trok Fred de aandacht. “Ik zag er anders uit dan de rest, ze vonden me een vreemde snoeshaan. Ik voelde me niet op mijn gemak in die HBS. Er waren ook die vragen van ‘hoe heb je Nederlands geleerd’, en dan zei ik altijd ‘aan boord’.
Ze lieten hem ook links liggen. Je hoort er niet bij, was de boodschap. Oop een dag gebeurde het onverwachte: “Ik werd in bescherming genomen door leerlingen uit het ruige Westkapelle. Ze gingen me om heen staan. Kort erna ging ik naar een andere HBS, in Vlisssingen. Die lag me beter.”

Poekoel toeroes

Het is terugblikken op een tijd die ver weg is, maar toch, wanneer je erover praat en nadenkt, komt alles weer terug.

Nu is Fred gepensioneerd na een goede baan. Hij schildert, hij schrijft haiku’s en hij speelt in een eigen band. Poekoel toeroes, zegt hij. Alsof het vanzelf spreekt, zoveel doorzettingsvermogen te hebben.

 

Praktische schrijftip

De vraag naar waar u Nederlands heeft geleerd, heeft u misschien ook gekregen. Het is een pijnlijke klassieker. Schrijf eens op hoe het voor u was, wie de vraag stelde, wat u antwoordde en hoe dat voelde. En als u zegt: ‘Dat soort voorvallen weten we toch al’, dan zeg ik: ‘Uw persoonlijke ervaring telt óók mee.’

Gewenst: een Fongers rijwiel

Foto KITLV

Een Fongers rijwiel, dat was iets. Stevig en solide. Als ik de oude advertenties mag geloven, fietste het halve KNIL op een Fongers. Wat bleek: de fabriek stond in Groningen.

Op deze foto uit 1915 staat een tweede luitenant met een fiets, grote kans dat het een Fongers is. Hij ziet er indrukwekkend uit. Een man met gezag. Duizend keer méér een autoriteit dan de huidige agenten met hun basketball-petjes die op een hip fietsje moeten door de stad moeten. Geef die mensen toch een Fongers rijwiel. Dat kan, want er zijn nog Fongers rijwielen. Op Marktplaats vind je ze. De fabriek sloot pas in 1970.

Fongers zat in Groningen. Daar maakten ze stoere stevige modellen, zonder frivoliteiten, je verwacht niets anders van Groningers. In Indië had Fongers agentschappen waar je een rijwiel kon bestellen. Dat werd vanuit Groningen verzonden, dat duurde weken. Geen wonder dat er toko’s waren die zelf bestelden. Kregen ze een zending binnen, dan was dat reden voor een advertentie in de krant.

Advertentie

In het Nieuws van den dag voor Nederlandsch-Indië van 22 juli 1910 staat een advertentie voor Fongers:

Wij zien een herenmodel en een damesmodel. Vrouwen fietsten ook. Dat was destijds modern. Een vrouw die eigen vervoer had, liep het risico zelfstandig te worden. Ja, en of je dan nog getrouwd raakte?

Per allermodernst voertuig

In de oude Indische kranten staan de columns van de journaliste Beata van Helsdingen-Schoevers. Ze is een jonge vrouw, wonend in Kertosono op Java. Zij heeft een fiets en schrijft over haar tochtjes, zoals in het Soerabaiasch Handelsblad van 17 februari 1906. Iemand heeft haar verteld dat er een heilig graf is:

“Ofschoon ik eigenlijk beter gedaan had als ik per pedes apostolorum erheen was getrokken, zoo behaalde toch mijn gemakzucht de overwinning over alle andere gevoelens, het resultaat was, dat ik per allermodernst voertuig naar het antieke wonder ging, n.l. per fiets. Drie paal wandelen, wel, wel! en dan het ergste nog, drie paal terug. Ik zou ’t je hoor, neen dan is een speda veel gemakkelijker, wat?”

Ja, een fiets was het “allermodernst voertuig”- in 1906. Ach, wat is dat lang geleden. De Eerste Wereldoorlog was ver weg, en Indië leek voor altijd te zullen bestaan. Ik voel me zacht van nostalgisch verlangen. En dat allemaal door het zien van een Fongers rijwiel.

 

(dit artikel verscheen eerder in een andere vorm in Sapu Lidi)

Ga naar de bovenkant