Ik voel me niet alleen maar toch er is een leegte in mijn hart

“Ik voel me niet alleen maar toch er is een leegte in mijn hart.” Die zin stond in een kort verhaal dat Francesca van Heije-Neys me stuurde. Ze hoopt dat anderen er troost in vinden. Hier komt het.

 


Ik ben van ver weg gekomen om in Nederland met mijn lieve man samen en gelukkig te kunnen wonen. Ik kwam van een land die 350 jaar verbonden had met Nederland. Een land waar men altijd liedjes kunnen maken, Indonesië.

Nu ben ik alleen, mijn lieve man is onlangs overleden. Maar de liefde die hij aan mij straalde iedere dag, krijgt ik nu van mijn twee zonen en hun gezinnen. Ik voel me niet alleen maar toch er is een leegte in mijn hart. Iedere avond roep ik zijn naam en de naam van God. Ik bid voor hem. Voor zijn vrede, zijn gezondheid, geen angst voor wat dan ook en dat hij niet paniek raakt omdat ik bent niet meer in de buurt. Ik durf geen liedjes te horen via mijn MP3 omdat ik altijd huilen moet. Denk aan mooie en leuke tijden samen. Denk hoe we altijd leuk gehad samen ondanks dat we ook vaak ruzie hadden af en toe.

Wat mij hartzeer maakt is dat we altijd al afgesproken hadden in onze samen zijn dat we samen zouden ‘gaan’. We laten elkaar nooit alleen in deze wereld. Oh oh, mijn hoofd begin weer te bonken! Mijn schat, waarom verlaat je mij alleen? We zouden toch samen gaan? Kom je mij ophalen? Gaan we weer samen terug naar onze mooie Indonesië?

Maar het blijft GEVOELENS, in feite moet ik nu alleen doorgaan of het zwaar is of niet. Vroeg of laat weet ik zeker dat ik mijn lieve schat terug zie en dat wij samen weer verder gaan zoals zijn laatste woorden in mijn armen voor dat hij stierf: “Poppetje van mij, God geeft ons de derde kans om weer samen te kunnen zijn.”


Wat is dit open en eerlijk, en zo herkenbaar voor veel mensen. Elke grote liefde heeft die ene grote vraag: wie gaat er eerst? En hoe zal dat zijn voor degene die gaat en die achterblijft?

Gedicht Levensverhaal door Eric Stokking

levensverhaal

Wikimedia/Collectie Tropenmuseum

Levensverhaal

Mijn levensverhaal is zo’n lange weg.
Ik dacht, dat loop ik dan wel even.
Maar bij elke bocht hoorde ik: “Zeg,
Dìt moet je echt weer herbeleven!”

Dat doe ik dan, nieuwsgierig,
Maar dit houdt wel het tempo op!
Niet dat ik daar wakker van lig,
Of vaak toch wel
Ik zeg dan “STOP!”

Dát wil ik niet horen,
Ik heb dit weggestopt!
Het is voor mij al lang verloren.

Toch wordt er even op de deur geklopt,
Ik doe voorzichtig open
en stap voor stap zal ik verder lopen.

Eric Stokking


Mooi, hè? Zo gaat het vaak met herinneringen. Ze komen voorzichtig, want ze weten niet altijd even zeker of ze welkom zijn.  Daar zit ook enige verlegenheid in. Mensen kunnen voor zichzelf verlegen zijn. Om wat er was, om hoe het was, om juist dat ene en niet dat andere gedaan te hebben. Dat hoort allemaal bij een mensenleven. Het maakt ons tot wie we zijn, van binnen, wie we zijn voor onszelf.

Een levensverhaal schrijven is dus vooral voor uzelf. Het is een manier om de familieverhalen te bewaren, dat zeker. Maar het is ook een manier om voor uzelf de balans op te maken. Terugkijken en wegen: hoe was dat voor mij, hoe heeft dat in mijn leven doorgewerkt, wat vind ik er nu van?

Tijd voor uzelf

Het is dus tijd voor uzelf reserveren. En ik weet dat juist dit moeilijk kan zijn, voor degenen die gewend zijn klaar te staan voor anderen, te zorgen en te regelen. Dat zijn degenen die altijd het kleinste stukje spekkoek nemen. Uit gewoonte.  Dat is lief, en tegelijkertijd zeg ik: is er genoeg voor uzelf?

Samen

Dit jaar krijg ik meer mails van vijftigplussers, zestigplussers die in Nederland geboren zijn maar wel hart en ziel naar het Indische neigen. Omdat ze Indisch zijn, of op een andere manier ermee verbonden zijn en blijven. Ja, en wat betekent dat, hoe is dat vroeger geweest en wat ermee te doen? Dat zijn ook levensverhalen die belangrijk zijn.  Voor uzelf en ook voor anderen. Schrijven is blijven. (Hoera!)

 

 

 

Mijn Javaanse oma Raden Adjeng Momoh

Javaanse omaTelkens weer als ik in een toko of op de Pasar Malam tussen de Javaanse koekjes ook wadjik zie liggen denk ik even terug aan mijn Javaanse oma Raden Adjeng Momoh.

 

Een verhaal van: Arnold  Herbig.

 

Muziek klinkt zacht uit de radio. Mammie en ik zitten in de huiskamer. Alhoewel, Mammie zit op de bank een tafelkleed te borduren terwijl ik naast haar lig te lezen. Het wachten is op Pappie want zodra hij thuis is, kunnen wij aan tafel voor het middageten.
Het geschuifel van blote voeten nadert ons en weldra staat Sanapi, onze baboe dalam, bij ons.
“Ndòrò”, zegt zij, “bij ons op de achtergalerij staat een vrouw die naar u of ndòrò toean vraagt.”
“Wie is het?” vraagt Mam.
“Dat weet ik niet ndòrò, dat zei de vrouw niet. Zij zei alleen dat zij de ndòro njonja en de ndòrò toean heel goed kent.”
Mammie legt haar handwerk naast zich neer en staat dan op. Gevolgd door Sanapi loopt zij mij voorbij. Nieuwsgierig als altijd heb ik het boek rap naast mij neergelegd en volg beide vrouwen op een afstand.
Vanaf de binnengalerij zie ik vóór de keuken Ira, onze kokkie, in gesprek met een oudere Javaanse vrouw. Naast de vrouw staat op de grond een koffertje van gevlochten rotan. Tijdens het gesprek draait de vrouw zich om en ziet Mammie op zich afkomen. Mammie houdt haar pas een tel in om daarna snel naar de vrouw toe te lopen.

Sedert ons gezin na de oorlog weer enkele jaren is herenigd, weet ik dat de vriendenkring van Pappie en Mammie ook Javanen en Chinezen omvat. Dit in tegenstelling tot de vriendenkring van Oma Juul door wie ik de eerste zes jaren van mijn leven ben grootgebracht. Daarom zijn er soms momenten dat ik mij nog verwonder over mijn ouders.
Kijk Mammie nu! Zo gauw zij bij de vrouw is aangekomen neemt zij haar in haar armen. Wanneer de vrouwen hun omhelzing hebben verbroken, zegt de oude vrouw: “Adoeh non, ik heb zó verlangd jullie weer terug te zien. Door de oorlog wist ik niet meer waar jullie zaten. Het is zo lang geleden, ja non?!”
Mammie en de vrouw raken elkaar steeds weer even aan. Het lijkt of zij zich ervan moeten overtuigen dat de ander voor haar staat.
Plotseling draait Mammie zich naar mij om en zegt: “Nolleke, kom jij eens hier en groet Oma eens netjes.”
Ik twijfel even want waar komt deze Oma opeens vandaan? Ik heb geen Javaanse familie dat weet ik zeker!
“Nolleke, hoor je wat ik gezegd heb? Kom hier!”
Mammies stem klinkt nu heel ongeduldig, voor mij een teken om subiet te gehoorzamen.

Ik loop naar de oude vrouw toe.
“Dag Oma”, zeg ik terwijl ik haar een hand geef.
“Allah njootje, wat ben jij groot geworden. Ik heb je zoveel gedragen toen je nog een baby was”, zegt mijn nieuwe Oma in het Indonesisch.
“Nolleke, breng jij Oma’s koffer naar jouw kamer. Lieke komt toch nog niet thuis dus kan Oma bij jou op de kamer slapen.”
‘Ook dat nog’, denk ik, ‘wij hebben hier achter toch een logeerkamer!’
Ik weet dat ik niets hoef te zeggen wanneer mijn mening niet wordt gevraagd dus doe ik maar wat mij is opgedragen.
Wanneer Pappie thuis komt, volgt hetzelfde toneel. Hij omarmt de oude vrouw die bijna in zijn omhelzing verdwijnt.
De volwassenen hebben elkaar heel wat te vertellen terwijl ik met mijn boek naar mijn kamer ga om weer verder te lezen.
Het middagmaal wordt opgediend en wij gaan aan tafel. Tot mijn verbazing schuift Oma niet bij ons aan tafel aan. Zij gaat weer naar achteren naar de bedienden. Op mijn vraag waarom zij dat doet, krijg ik van Pappie alleen als antwoord dat Oma bij het avondeten wel bij ons aan tafel zal zitten. Aan zijn stem hoor ik dat ik niets meer moet vragen en beter mijn bord kan leegeten.
Het is middag, Pappie is nog op kantoor en Mammie en ik zitten op het platje voor het huis. Op het tafeltje tussen ons in staat een kopje koffie voor Mam, een kopje thee voor mij en een schaal met plakken roti koekoes. Na over ditjes en datjes gekletst te hebben vertelt Mammie over mijn Javaanse Oma.

De ouders van Pappie waren Opa Charles en Oma Eugenie, zij woonden in Midden-Java. Zij hadden vijf kinderen waarvan Pappie de oudste was. Het huwelijk van Opa en Oma ging niet goed en daarom besloten zij uit elkaar te gaan.
Oma Eugenie leerde toen Opa Karel kennen. Zij besloten met elkaar te trouwen en vertrokken met de vier zusjes van Pappie naar Batavia.
En Opa Charles? Opa had een Soendanese vrouw leren kennen en vroeg haar of zij bij hem wilde komen wonen. Die vrouw was Oma Momoh. Opa en Oma Momoh vertrokken naar Oost-Java waar Opa, samen met Pappie, op een vezelonderneming ging werken. Opa en Oma kregen samen vijf kinderen. Zij waren gelukkig samen totdat kort na de geboorte van hun jongste dochter Opa overleed. Oma Momoh had het niet breed maar met de maandelijkse geldelijke bijdrage van Pappie kon zij haar gezinnetje draaiende houden.
Mammie was nog maar zestien jaar toen zij met Pappie trouwde, maar zij was nu wel de vrouw des huizes en daarom moest zij allerlei zaken leren die een huisvrouw diende te weten. Oma was daarbij een grote steun voor haar.
Tijdens de oorlog hadden zij elkaar uit het oog verloren tot niet zo lang geleden de vroegere chauffeur van Pappie achter de woonplaats van Oma was gekomen. Daarop had Pappie Oma een briefje gezonden en haar gevraagd een keer naar ons toe te komen.

Na mammies verhaal waren wij beiden even stil, maar dan wilde ik weten waar Oma nu was. Mammie dacht dat Oma bij de bedienden zou zitten.
Dat kan ik niet begrijpen, als zij mijn Oma is dan behoort zij bij ons te zitten en niet achter. Ik sta op en wil het huis ingaan.
“Wat ga jij doen?” vraagt Mam.
“Oma halen, zij hoort toch bij ons?”
“Laat Oma met rust. Zij komt heus wel als zij dat wil.”
“Neen, ik ga haar halen.“
“Nolleke luisteren!”
“Maaam”.
“Ga je gang zoek het dan maar zelf uit.”
Ik loop naar binnen. In de woonkamer komt de scherpe geur van een krètèk sigaret mij tegemoet. Bij mijn slaapkamer aangekomen zie ik Oma op de rand van haar bed zitten met een sigaret in haar hand.
“Oma djangan merokok di kamar saja toch. Niet in mijn kamer roken oma. Kom mee naar voren bij Mammie zitten.”
“Nee njootje, ik ga wel bij Ira zitten. Ik hoor niet bij jullie daar voor.”
“Oma maar ik wil dat u met mij meekomt.”
“Njootje luister jij nou naar Oma, ik hoor daar niet.”
Terwijl Oma opstaat pakt zij haar pakje sigaretten op, streelt mij even over het hoofd en verlaat de kamer.
“Oma wil niet bij ons zitten”, zeg ik tegen Mam als ik weer terug ben.
“Ik heb je gezegd om Oma met rust te laten maar jij wilt weer eens niet luisteren.”
“Maar als zij mijn Oma is dan …..”
“Nolleke houdt nu op. Ik wil er niets meer over horen!”
“Goed, mag ik naar Dolf?”
“Als je maar zorgt dat je op tijd thuis bent.”
“Mam, Dolf woont hier naast hoor.”
“Dag jong.”

Bij het avondeten zit Oma wél bij ons aan tafel. Ik durf daar niets over te zeggen maar ik begrijp de grote mensen soms niet.
Wanneer het voor mij bedtijd is geworden geef ik niet alleen Pap en Mam een nachtkus maar ook Oma Momoh.
“Njootje wat voor koek zal ik morgen voor jou maken?” vraagt zij voordat ik naar mijn kamer ga.
Ik hoef niet lang na te denken en zeg: “Wadjik graag Oma en lekker zoet.”
De volgende middag bij de thee staat een schaal met wadjik op tafel.
Wadjik is een heel simpele koek die gesneden is in een ruitvorm en is gemaakt van kleefrijst, goela Djawa en klappermelk. De wadjik die Ira maakt of Mammie een enkele keer voor mij koopt, is gemaakt volgens het geijkte recept en dus nooit zoet genoeg naar mijn smaak. Maar vandaag proef ik dan eindelijk de koek zoals ik die wil hebben.
De tijd verstrijkt en het is voor Oma weer tijd om naar huis te gaan, maar de dag vóór haar vertrek maakt zij nog een keer mijn koekje voor mij.

Sindsdien komt Oma Momoh regelmatig bij ons logeren en altijd staat dan de wadjik voor mij klaar. Dan wordt Mammie in het ziekenhuis opgenomen en ik zie Oma nog één keer aan Mammies ziekbed. De tijd verstrijkt. Pap ligt weer voor een lange tijd in het ziekenhuis. Tijdens de oorlog heeft hij TBC (tuberculose) opgelopen en door verwaarlozing heeft de ziekte weer zijn kop opgestoken. Nadat Pap op een gegeven moment wordt ontslagen terwijl hij in het ziekenhuis ligt, hertrouwt hij met Marian. Zij was voor ons geen onbekende. Zij werkte als verpleegster in het ziekenhuis waar Pappie na de oorlog was opgenomen. Mammie, Pappie en Marian werden vrienden en hielden door de jaren heen altijd contact me elkaar.
Na een bezoekje van Marian aan Oma Momoh, komt Oma regelmatig Pappie opzoeken. Een enkele keer ontmoet ik Oma in het ziekenhuis. Enkele weken na een valpartij in de badkamer van het ziekenhuis komt Pap te overlijden.

Een paar maanden daarna krijg ik toestemming om naar Nederland te vertrekken. In afwachting van mijn vertrek logeer ik tijdelijk bij de Chinese familie voor wie Marian werkt, wanneer op een dag Oma Momoh het voorerf komt oplopen. In haar hand heeft zij een pakketje gebonden in een theedoek. Oma mag niet via de voordeur naar binnen, neen, zij moet via de tuindeur naar achteren lopen! Oma is maar een eenvoudige Javaanse vrouw en is niet welkom in de woning van deze rijke Chinese familie. Ik schaam mij dat ik haar op deze wijze moet ontvangen. Fluisterend bied ik haar mijn verontschuldigingen aan maar dan zegt zij zacht: “Njootje, Oma is al oud en ik heb veel meegemaakt. Het is goed zo.”
Op de achtergalerij gezeten ontknoopt Oma de theedoek en ja, ik had het kunnen weten! In haar hand houdt zij een schaal met mijn geliefde, zoete wadjik. Oma vertelt dat zij op een dag Marian in de stad was tegengekomen en van haar had gehoord dat ik binnenkort naar Holland zal vertrekken. Zij is blij dat ik eindelijk kan gaan, want in Indonesië heb ik geen toekomst. Met tranen in onze ogen nemen wij afscheid van elkaar.

Als ik jaren later met Dick, mijn levenspartner, een bezoek breng aan Indonesië is mijn Javaanse Oma Raden Adjeng Momoh lang geleden heen gegaan en net als Oma is ook mijn heerlijke, zoete Javaanse koekje nog maar een herinnering.


Voor de Indonesische woorden heb ik de oude schrijfwijze aangehouden.

Raden Adjeng = titel voor vrouw van adel
of Momoh Oma’s echte naam was, kon niemand mij vertellen
later leerde ik dat Oma de Njai van Opa was. Gelukkig werd zij goed behandeld
baboe dalam = voor vrouwelijke bediende voor in huis
ndoro njonja/toean = Hoog Javaans voor mevrouw/meneer.
Naar gelang van haar leeftijd wordt een vrouw aangesproken met: non of nonnie (klein meisje), njonja moedah (jonge dame) of njonja (mevrouw). Bevindt de njonja zich in dezelfde kamer als haar moeder dan ‘zakt de njonja in waarde’ en wordt ze weer njonja moedah genoemd.
Het voorgaande geldt ook voor een man: sinjo, njo of njootje (kleine jongen), toean moedah (jonge heer) en daarna toean. Bevindt de toean zich in dezelfde kamer als zijn vader dan wordt de toean weer toean moedah.
Soenda = streek in Midden-Java waar, naar men zegt, de mooiste vrouwen van Java vandaan komen
krètèk sigaret = sigaret met kruidnagel al dan niet gerold in het fijnste binnenblad van de maïskolf

 

Indisch gedicht: Bijna ondergronds

Indisch gedicht

(Tropenmuseum/wikimedia commons)

Soms krijg ik zoiets moois in mijn mailbus, dat ik vraag of ik het mag delen. Margie van de Pol stuurde me een gedicht. Ik zeg er verder niets over, dit voelt u of niet.


Bijna ondergronds
Ik herinner mij een park en in dat park liepen mensen.

Kon niet missen, mijn soort.
indo’s en indisch dus.
Alsof ze in de vertraging konden versnellen.
Hun blik gefocust maar toch overal elders.
Zenuwachtig en toch rustig.
Altijd op hun hoede en toch blijven vertrouwen.
Bah!
Ik verzin maar wat.
ik ben gila dat weet je toch?

Vanuit mijn verstopplek onder de grond hoorde ik de stoet aan komen dreunen.
Met mijn kop boven de aarde bekeek ik ze.
Witte zakdoeken wapperde in de wind.
Die mensen raakte elkaar aan.
Armen over schouders en vooral de vrouwen liepen gebukt.
Kasian toch…
Dat woord heb ik zo vaak gehoord.
Ze vonden mij zielig, kasian dat kind.
Kan niet bij haar ouders blijven.

De mensen in het park liepen achter een kist aan,
een dode.
Idioot zeg , om met een dode in een stadspark te gaan lopen.
Dat hoort niet zo.
Onvoorspelbaar, die indo’s!
Net zo gila als ik .

Diep onder de grond
Leef ik.
Ten dode opgeschreven?


 

Een gebeurtenis op Java over mystieke sterke krachten

 mystieke sterke krachten

Mas Par werkt al zo’n 25 jaar bij mij in de huishouding. Hij is met mbah Warni getrouwd. En zij hebben 1 zoon Hanif van 13 jaar. Voor een periode van meer dan 12 jaar hebben wij in het bergplaatsje Bandungan gewoond. Een klein bergdorp iets ten zuiden van de grote plaats Semarang.
Maar wij wonen nu in Purworejo. Dat is dicht bij hun geboortedesa Brenggong. Daar in Bandungan heb ik een ervaring met de mystiek van sterke krachten meegemaakt. En ik werd er bij betrokken. Maar ik wou eerst mas Par daarover laten vertellen.

Mas Par vertelt

Deze gebeurtenis over ‘sterke krachten’ speelde zich af in het bergdorp Bandungan, waar oom Rudy heeft gewoond. Eerst iets vooraf. Ik werkte toen in de huishouding samen met kokki mbah Umi. Wat later werd mas Yanto als tuinman aangenomen. Kokki Umi is na een paar jaar weer naar haar geboortedorp, teruggekeerd omdat zij trouwplannen had. En toen waren alleen mas Yanto en ikzelf bij oom Rudy. Ik werkte het langst voor oom Rudy. Vanaf toen oom Rudy voor een korte tijd in Jogja heeft gewoond. Maar nu sinds 2008 wonen wij, samen met oom Rudy, in Purworejo. Intussen ben ik met Warni getrouwd. Wij hebben een zoon Hanif die dit jaar met de ‘grote school’ is begonnen.

Par vertelt over de diefstal in 1e huis in Bandungen

Op een dag vertelt oom Rudy ons dat er veel geld uit zijn kast was gestolen. Het ging om een groot bedrag aan Singapore dollars. Het is vermoedelijk gebeurd toen oom Rudy voor een paar dagen weg was. Maar toen oom Rudy terug kwam, had hij het niet meteen ontdekt dat er geld uit zijn kast was gestolen. Pas enkele dagen later ontdekte hij het. De diefstal vond plaats in het eerste woonhuis in Bandungan. Maar wij stonden op het punt om naar een 2e huis in Bandungan te verhuizen. Mas Yanto, verdacht onze buurvrouw bu Sum, van de overkant, dat zij het geld uit de kast had gestolen. Maar ik geloofde het niet. Daarvoor kende ik buurvrouw bu Sum al te lang. Zij was altijd heel aardig en behulpzaam voor oom Rudy. Waarom zou zij het gedaan hebben? Zij zou het nooit gedurfd hebben om in de privekamer van oom Rudy binnen te komen. En ikzelf had een sterk gevoel dat mas Yanto de dief was geweest. Maar ik had het niet openlijk gezegd. Want ik kon het niet bewijzen.
Oom Rudy vond dat het geen zin had om aangifte bij de politie te doen. Het was geen normale inbraak. Want anders zou er veel meer zijn gestolen. Blijkbaar ging alleen om geld. De politie zou gezegd hebben dat zoiets een interne kwestie was geweest. Daarom kon oom Rudy niets anders doen dan zich erbij neer te leggen. Een paar dagen later verhuisden wij naar het andere huis in Bandungan: het 2e huis in Bandungan.

Par voelt zich ongelukkig

Over wat er was gebeurd heb ik mij heel erg ongelukkig gevoeld. Ook voelde ik aan dat oom Rudy het ook heel erg vond. Natuurlijk over zijn gevoel dat óf ik óf mas Yanto het geld zou hebben gestolen. Immers wie anders kon dat gedaan hebben? Maar oom Rudy sprak er niet meer over.
En ik was ervan overtuigd dat mas Yanto de dief was. Hij was sinds kort als tuinman aangenomen. Ik bleef hem verdenken. Dit alles speelde door mijn hoofd. Maar ik wou het niet met oom Rudy bespreken. Toen besloot ik om hulp te vragen bij een dukun of een “orang kuat.” In mijn geboortedorp Brenggong wist ik over deze dukun. Mijn geboortedorp Brenggong ligt aan de zuidkust van Midden Java, bij de stad Purworejo. Mas Yanto hield zich steeds opmerkelijk stil rustig. En gedroeg zich of er niets was gebeurd. Wel was hij wat drukker, omdat er rond het 2e huis een veel grotere tuin was. Ik heb toen oom Rudy om toestemming gevraagd of ik voor een paar dagen vrij kon hebben om naar mijn geboortedorp terug te gaan. Maar had hem niets gezegd over mijn plan. En natuurlijk vond oom Rudy dat goed.

Par bezoekt een dukun

Dus ben ik naar Brenggong gegaan, mijn geboortedorp. En daar vlakbij, in de desa Kali Geseng, heb ik de dukun ontmoet. Het was een wat oudere man. Ik legde hem uit waarvoor ik was gekomen. De dukun wou helpen. Hij ging naar achteren. Even later kwam hij weer terug. Met een stok in zijn hand. Hij ging zitten en hield de stok rechtop voor zich. Met beide handen hield hij de stok vast. Hij begon te bidden. Ik heb niet alles kunnen verstaan.
Daarna vroeg hij of ik het hele verhaal over de diefstal opnieuw en volledig wou vertellen. En of ik daarbij al de namen wou noemen van hen, die mogelijk de diefstal hadden gepleegd. Ook moest ik bij het verhaal de naam van oom Rudy noemen. Hij legt uit dat in dit geval het belangrijk was dat de naam van oom Rudy moest worden genoemd. Het ging om de zuiverheid. Want het verhaal over het gestolen geld hoefde niet te kloppen. Oom Rudy kon misschien een leugen hebben verteld.
En dat er misschien helemaal geen geld was gestolen. Ik heb toen het hele verhaal verteld. Over wat er was gebeurd. Dat oom Rudy weg was voor een paar dagen. En wie er toen in het huis waren. Ook noemde ik de naam van bu Sum de overbuurvrouw. En dat oom Rudy na terugkomst ondekte dat er veel geld uit zijn kast was gestolen. Na het verhaal gehoord te hebben, vroeg de dukun of ik geen andere personen in mijn gedachten had, die misschien het geld uit de kast hadden gehaald. Maar ik vertelde dat ik geen andere personen verdacht en bleef bij de genoemde namen.

De dukun begon toen met een meditatie. Hij hield de stok met beide handen vast. De meditatie duurde ongeveer 15 minuten. Hij legt uit dat in de komende periode iets heel ergs zou gebeuren, met één van de genoemde mensen uit het verhaal. Of ook met oom Rudy, als zou blijken dat hij gelogen had. En dat die persoon, dus de dader, heel erg ziek zou worden, en door vreselijke lichamelijke pijnen en andere kwellingen zou worden getroffen. En dat die kwellingen pas zouden ophouden, als de dader schuld zou bekennen. En dat ook de dader aan oom Rudy om vergeving moest vragen. Zolang dat alles niet is gebeurd, zou hij ziek blijven met al de lichaamlijke kwellingen en uiteindelijk dood gaan.

Ik moest meteen thuis komen

Mas Par was weer terug van Brenggong. En ik ging ik op een middag naar Salatiga. Om te internetten. Rond eind van de middag kreeg ik een telefoontje van mas Par: “Oom Rudy kunt u direct thuiskomen? Mas Yanto is plotseling heel erg ziek geworden. Ik heb hem samen met de buurman naar het ziekenhuis in Ambarawa moeten brengen .” Ik ben direct terug naar huis gegaan. Toen ik thuis kwam vertelde Par mij wat er was gebeurd.

Mas Yanto is bewerkt

Par vertelde over Mas Yanto. Dat hij plotseling heel onrustig begon te doen. Toen hij in de tuin bezig was. En heen en weer liep. Even op de stoep ging zitten. En dat hij toen snel naar binnen rende. En dat hij heel hard begon te schreeuwen om hulp. “Tolong tolong, help, help.”
Par vertelde verder hoe hij mas Yanto aantrof. Dat hij op de vloer lag. Hij rolde zich om en om, en spartelde met zijn benen en armen. En hij huilde en hij schreeuwde. En dat hij plotseling alles moest uitbraken. En tegelijk zag Par dat ook zijn ontlasting eruit kwam. En hij begon te plassen. En hij bleef maar roepen en kermen over vreselijke pijnen in zijn buik.

Par brengt mas Yanto naar het ziekenhuis

Par heeft toen direct om hulp geroepen bij onze achterburen. Een Javaans echtpaar, de oppassers van het huis van hun baas in Semarang. Zij schrokken ook toen zij dat zagen. Hun eerste reactie was dat mas Yanto misschien vergiftigd was. En vroegen zich af of het misschien iets met oom Rudy te maken kon hebben? Daarom hun voorstel om meer mensen waarschuwen. Om mij (oom Rudy) te ondervragen !!
Maar toen heeft mas Par uitgelegd dat er iets heel anders aan de hand was. En dat er kort geleden iets gebeurd, in het vorig huis. En dat mas Yanto veel geld van oom Rudy had gestolen. En dat hij (Par) een paar dagen geleden naar een dukun in zijn geboortedorp was geweest en om hulp heeft gevraagd. En toen was het voor de buren direct helemaal duidelijk wat er met mas Yanto aan de hand was. Het was de straf voor hem. En daarom was hij nu bezeten. Par heeft toen samen met de buurman hem naar het ziekenhuis in Ambarawa gebracht.

Ik hoor over het bezoek aan de dukun

En toen hoorde ik ook pas van Par, over zijn “consultatiebezoek” bij een dukun. En dat het te maken had met de diefstal van mijn geld. En dat nu het bewijs was geleverd dat mas Yanto mijn geld had gestolen. Ik was er heel stil van. En heb ook maar niets verder gevraagd. Want ook Par was enigzins behoudend over het gebeuren. Wat kon ik anders doen dan alleen te constateren dat zulke mystieke sterke krachten een realiteit kunnen betekenen.
Wat ik mij ook herinner, dat ik op zelfde moment helemaal geen enkele behoefte om naar het ziekenhuis te gaan. Ik dacht: “ Laat hem dat maar even goed voelen, hij verdient dat. En hij geneest wel vanzelf.” Dus ik zei tegen Par dat ik niet naar het ziekenhuis wou gaan. Althans niet meteen.
Maar het was Par die erop aandrong om mas Yanto wel meteen te ontmoeten. Want er moest gelegenheid worden gegeven om te bekennen en om vergiffenis te vragen. Want als dat niet zou gebeuren dan was er kans dat hij dood zou gaan. Ik heb altijd Par zeer gewaardeerd over dat hij mij daarop heeft gewezen. En toen ben ik naar het ziekenhuis gegaan.

Confrontatie met mas Yanto in het ziekenhuis

Ik zag in de open ziekenhuiszaal dat er een enorme drukte was rond één bed. Van bezoekers maar ook van lopende patienten. Iedereen was nieuwsgierig. Dat moest mas Yanto zijn. Maar ik wou niet meteen naar zijn bed lopen. Ik ging eerst naar het receptie loket, waar enkele verpleegsters zaten. En mij had voorgesteld en dat voor mas Yanto kwam. Tegelijk vroeg ik of ik dienstdoende arts kon spreken. Zij zouden mij waarschuwen wanneer de arts bereikbaar was.
Ik ben toen naar het bed gelopen van mas Yanto. Ik voelde dat de mensen direct aanvoelden wat er aan de hand was. En over de reden van mijn bezoek. Zij gingen voor mij opzij. Maar bleven op een gepaste afstand toekijken en meeluisteren.
Mas Yanto herkende mij meteen. En begon te roepen: “Ampun ampun oom. Ampun ampun oom.”
Hij bleef roepen om vergiffenis. En bleef kermen en huilen. Hij smeekte steeds tot God om vergiffenis: “ Ya Gusti, ampun Gusti.”
Ik vroeg of hij mijn geld had gestolen. En huilend antwoordt hij: “Ja oom. ik heb het gestolen, ik heb het gestolen, ampun Gusti, ampun Gusti ”. En ik weer: “ Je moet het geld teruggeven.” En toen, steeds huilend en kermend: “ Vergeef mij. Vergeef mij alstublieft Oom Rudy, maar al dat geld is door iemand gestolen, ik heb het niet meer.” Ik daarop niet meer gereageerd. Had toch geen zin.
En zo bleef hij doorkermen en huilen. Ik had geen zin om nog langer te blijven. Want ik vond dat het belangrijkste was gebeurd. Ik wist dat iedereen in de zaal dit alles had gevolgd en getuigen waren van de bekentenis van mas Yanto.
“Psychologische oorzaken”
Ik heb toen met een arts en een paar verpleegsters een gesproken. Ik vroeg aan de arts of er een diagnose over zijn ziekteverschijnselen was gemaakt. De dokter vertelde dat zij geen medische oorzaak hebben gevonden over de verschijnselen. Maar aarzelend begon hij over “psychologische oorzaken” te praten. Ik begreep dat de arts zich enigzins neutraal en voorzichtig wou uitdrukken.
Maar het was duidelijk dat hij daarmee de mystieke krachten bedoelde. Allom bekend in Indonesië.
Ik heb toen gevraagd dat, indien het nodig was, om de patient wat medicijnen te geven. En dat ik over 3 dagen zou terugkomen. En dat de ziekenhuis onkosten door mij zouden worden betaald.

Drie dagen later

Drie dagen later ben ik weer naar het ziekenhuis gegaan. Mas Yanto lag niet meer in bed. Hij liep wat rond. Ik had geen behoefte om hem te spreken. Ik vond het niet nodig. Alleen gezegd dat hij niet meer bij mij hoefde terug te komen. En ik ben terug naar huis gegaan.

Opmerking: Nu nog steeds moet ik af en toe aan dit voorval terugdenken. Zoals nu bij het schrijven over deze gebeurtenis. Par is geneigd om daar veel minder over te willen spreken. Gebeurd is gebeurd.

Rudy Hartung

 

 

 

125 jaar geleden is dichtbij

   Daar zit hij: Pa van der Steur. Dit jaar is het 125 jaar geleden dat hij op de ‘Conrad’ stapte en naar Indië ging, om daar een tehuis voor militairen op te richten.  Johannes van der Steur was zendeling, een christen die in gezelligheid van mannen-onder-elkaar geloofde.

Binnen een half jaar na aankomst, we zitten dan in voorjaar 1893, heeft hij redelijk wat bereikt. Zijn tehuis Oranje Nassau in Magelang trekt een trouw bezoekersaantal, en hij is ook nog eens tot Pa van een groeiend aantal kinderen gepromoveerd. Naar schatting zouden het er zo’n zevenduizend zijn.

Nou niet denken: dat is wel heel ver terug. Want dat is het niet. Het is een soort eergisteren:

  • Op de Tong Tong Fair 2016 interviewde ik Wil Overweel die als jonge jongen bij Pa in het tehuis was
  • Op de Tong Tong Fair 2007 sprak ik met Carl en Netty Brakkee, die me ook uit de eerste hand over Pa vertelden
  • er zijn kinderen en kleinkinderen van ‘Steurtjes’ zoals de tehuiskinderen werden genoemd, en zij hebben vragen
  • in de Leidse universiteitsblibliotheek ligt een groot deel van het Pupillenarchief, dat Pa over zijn kinderen bijhield, en dat is alleen ter inzage voor nazaten van Steurtjes

De vragen komen vaak na het overlijden van een vader of moeder. Vaak is er gezwegen over het tehuisverleden en dat begrijp ik wel een beetje. Het woord ’tehuis’ heeft in Nederland een ongunstige klank, dus daar begin je niet gemakkelijk over. En het motto was: “We zijn nu hier.”  Maar vaak hing er toch een foto van  Pa in huis, ergens in een lijstje.

Vooral in de jaren 1930 en daarna was het tehuis groot. Om de boel elke dag goed te laten verlopen, moesten er regels en reglementen zijn. Tezicht. En sancties. Het had tot gevolg dat de meeste Steurtjes met enige militaire discipline zijn opgevoed. Ze kunnen aanpakken en doorzetten. Goede eigenschappen. De schaduwzijde is er ook: ze kunnen niet altijd halverwege gezellig van plan veranderen. Zo zijn ze niet opgevoed. En zo voeden ze vaak ook hun eigen kinderen op. “Soms was mijn vader streng,” hoorde ik  af en toe verlegen zeggen. Verlegen: want je wilt je vader nier afvallen.

In 2015 kwam mijn biografie van Pa van der Steur uit.  Dat is geen encyclopdie geworden, en hopelijk duikt iemand anders nog eens in de vragen die nog steeds open liggen. Zoals:

  • Pa had een eigen kerk waar hij preekte. Waar ging dat over?
  • Er is een film van hem en zijn tehuis gemaakt. Is die nog ergens? Zijn er andere filmpjes?
  • Wie schrijft het levensverhaal van zijn zuster  Marie van der Steur?

Een boek is eigenlijk nooit af. Er zitten altijd andere boeken in verscholen.

Ronald ging op zoek naar de koloniale oorlog van zijn opa

Afgelopen zaterdag interviewde ik Ronald Nijboer bij boekhandel Paagman in Den Haag.  Zijn boek heet: Tabé Java, tabé Indiē.   Die woorden schreef zijn grootvader bij het verlaten van de kolonie. Hij was er zo’n drie jaar lang. Thuis zweeg hij vooral. Na zijn dood ging Ronald op zoek.

Het was een geanimeerd gesprek. Gelukkig waren er veel ouderen. Zo konden ze zien: de jongee generatie heeft wel degelijk belangstelling voor onze verhalen. Ronald vertelde dat hij ook op bijeenkomsten van veteranen spreekt en: “Ze zijn positief.”

Ik snap wel hoe dat komt.

Het is een eerlijk boek. In meerdere opzichten:

  • Ronald probeert zijn grootvader te begrijpen, maar hij erkent de verschillen: de tijd was anders, hij zit nou eenmaal anders in elkaar dan zijn opa
  • Waar mogelijk, heeft hij onderzoek gedaan en hij geeft cijfers en schetst omstandigheden
  • Hij onthoudt zich van het snelle oordelen en veroordelen dat we zo vaak tegenkomen
  • En hij heeft ook ook voor het plezier dat zijn opa had, er waren meisjes en bioscoopbezoeken

 

Waar gaat het boek over?

Evert-Jan Nijboer (foto Tabejava.nl)

Evert-Jan Nijboer (foto Tabejava.nl)

Evert-Jan Nijboer trok als oorlogsvrijwilliger naar Indië, toch ook met het idee om daar bevrijder te zijn. Hij had in Nederland de Canadezen gezien. Plus, de wereld intrekken na de oorlogsjaren, dat trok hem ook aan.  Vrij zijn. Op de website van kleinzoon Ronald staat een foto van een onbevangen kijkende militair. Zo was hij, in het begin.

Maar dan komen de oorlogsjaren. Kameraden sneuvelen. De Bersiap. De zogeheten Politionele Acties. Chinezen in nood. Moord. Je leven niet zeker zijn. Een wapen in handen hebben.  Gebeurtenisen die later een affaire woren genoemd, nou dan weet u het wel. Dat zijn veel ellendige ervaringen bij elkaar. In het boek staan ook moeilijke foto’s, en dat is goed. Voor veel mensen valt die tijd van toen buiten het voorstellingsvermogen. Je moet het zien, dan komt het binnen.

 

Op het filmpje van het interview staat een andere foto op de tafel. Die is een paar jaar na de eerste gemaakt. Toen we die zagen, schrokken we allemaal. Dat gezicht. Zo anders. Vol pijn. Kijk maar. Het fimpje begint met de uitleg van Ronald over zijn reis naar Java. Want ja, hoe pak je dat nou aan?

Het boek bevat dus eigenlijk twee boeken:

  • het verhaal van Evert-Jan Nijboer, hoe hij naar Indië trok en terugkeerde
  • het verhaal van kleinzoon Ronald Nijboer, hoe hij zijn grootvader zocht en beter leerde begrijpen

Dus, negentig-plussers en negentig-minners, als u ooit nog twijfelt van wie-wil-dit-nou-weten, denk aan Ronald Nijboer en zijn boek. Dan weet u hoe graag de volgende generaties uw verhaal willen leren kennen.

Schrijf ook een Indisch boek

Het Tong Tong Theater zat bomvol toen Wil Overweel uitlegde wat er op de Indische foto’s te zien was: het tehuis van Pa van der Steur. Wil had daar gewoond als kleine jongen. Hij wist alles nog.

Met eigen ogen gezien, zelf gehoord, persoonlijk ervaren: dat is goud waard

Wil (tachtig plus) had nooit gedacht dat een vol theater naar hem als Oud-Steurtje zou luisteren. Nou, we hingen allemaal aan zijn lippen. Hij leidde ons rond in het verleden. Wat de Steurtjes aten, waar ze sliepen, hoe Pa was, bang zijn voor de oudere jongens, het was zijn eigen persoonlijke verhaal waardoor we allemaal rijker werden. Het applaus was oorverdovend.

Verhalen uit Indië zijn er nooit genoeg. Ik moet zelfs zeggen: verhalen uit Indië zijn er nog veel te weinig. De verhalen van de oudere generatie zijn hard nodig om Indië te bewaren.  Nu kan het nog. En nou niet denken: ja-maar wie heeft daar nou belangstelling voor of ja-maar ik kan helemaal niet schrijven of ja-maar mijn leven is helemaal niet zo interessant  of ja-maar ik ben zoveel vergeten.

Je weet pas wat je weet als je het opschrijft

Tips om te beginnen:

  • waar en wanneer geboren: plaats en datum
  • waar naar school gegaan en hoe de school heette
  • wie het gezin en de familie vormden: vader, moeder, grootouders, tantes en ooms, neven, nichten, broers en zusters
  • personeel
  • of er een auto was
  • uitstapjes
  • huisdieren
  • geuren

Durft u een klein experiment aan? U zou hiervan een lijstje kunnen maken. Op papier. U besluit op te schrijven wat u nog weet. Dat papier legt u in beeld, bijvoorbeeld op de koelkast en op een tafel waar u vaak aan zit. Dan kijkt u naar die punten en opeens denkt u: “O ja…”  Herinneringen komen waar ze welkom zijn.

Daarmee heeft u nog geen boek, dat klopt. Maar het is wel een goed begin. Nadenken. Uitreiken naar feiten. Zo begint het.

Mag ik nog iets zeggen? Komt het.

Wie bescheiden is, wordt vaak vergeten

Ja, dat is een harde.

In de Indische cultuur zie ik vaak bescheidenheid. Daar zit ook de verwachting in, dat anderen beleefd zullen zijn. Maar wie in een volle trein terecht komt, weet wel beter. Ruimte moeten we zelf innemen. En wie schrijft, die blijft. Daar hebben de volgende generaties ook wat aan.

Zo zijn er honderdduizend meer details en verhalen, stuk voor stuk belangrijk genoeg om bewaard te blijven. Voor uzelf. Voor de kinderen. Of voor hun kinderen, of anderen.

 

Ga naar de bovenkant