njai

Haar moeder was een njai

Centraal: Djemini en Piet Scholte

De njai staat meer dan ooit in de aandacht. En dat is goed, vrouwen hebben nog altijd een achterstand in te halen als het aankomt op wat ‘vader’landse geschiedenis heet te zijn. Liever zeg ik: Nederlandse geschiedenis. Of: nationale geschiedenis.

Een ander woord voor njai is muntji: de vrouw die in de kazerne de concubine werd van een militair. Dat woord gebruikt de Indische schrijfster Lin Scholte (1921–1997) in haar autobiografische Anak Kompenie, wanneer ze over haar moeder Djemini schrijft. Na een mislukt huwelijk ziet Djemini een nieuwe kans. Lin Scholte:

  • Intussen dook er een Inheemse sergeant op. Hij heette Radian en was ‘gelijkgesteld’; dit was mogelijk geweest door uitzonderlijke dienstprestaties.
  • Een gelijkgestelde Inheemse onderofficier genoot dezelfde privileges als zijn Europese collega. Zijn bezoldiging lag aanmerkelijk hoger dan die van zijn Inheemse ranggenoot, al was deze niet dezelfde als van zijn Europese collega.
  • Radian was een aanmatigend persoon, want hij sprak Nederlands.
  • Hij maakte werk van Djemini; wachtte haar op de meest onverwachte plaatsen op en vroeg haar om met hem uit te gaan.
  • Meer dan ooit vreesde ze de tong van haar buurvrouwen. Daarom weigerde ze op zijn voorstellen in te gaan.
  • Maar Radian liet zich niet afschrikken. Hij zei haar tot zijn muntji te willen hebben om later in de kerk met haar te trouwen, want hij was Christen. Hij beloofde haar koeien met gouden horens. […]
  • In Radian zag ze haar uitkomst en dus ging ze met hem mee.
  • In tangsi Djagalan in Weltevreden werd ze officieel ingeschreven als Radians huishoudster.

Maar Radian valt tegen, in alle opzichten: ‘Radian was een despoot, hij was gierig en grenzeloos jaloers. Hij duldde geen tegenspraak, ook niet als zijn opmerkingen haar familie golden. Hij schepte er een sadistisch genoegen in haar te kwellen.’

Djemini besluit hem te verlaten en dat doet ze.

Ijzeren wil

Dat ze deze ijzeren wil heeft, komt deels door haar karakter en deels door de voorbeelden die ze in het kazernecomplex ziet: tangsivrouwen.
Intimiderende vrouwen: ‘De tangsivrouw was een Kenau die korte metten maakte, even rap met haar tong als met haar nagels. Terwijl haar stemgeluid in kracht en octaaf-bereik toenam met de groei van haar kindertal.’
In soldatenlectuur kom ik deze vrouwen ook tegen, als degene voor wie man en kinderen bang zijn. Zij heeft dan de informele macht in handen. De macht in het gezin.
We zijn dan aan het begin negentiende eeuw en even erna, de tijd waarin Djemini een volwassen vrouw werd.
Ze heeft genoeg van relaties.

Blanda-man

Dan vraagt een zekere Piet Scholte haar uit: ‘Hun uitgaansavondje werd door meerdere gevolgd, tot die ene keer het ‘hoge woord’ aan Piet ontsnapte, en hij haar vroeg, of ze met hem ‘mee wilde’ als zijn muntji.’  Djemini’s moeder ziet dit helemaal zitten, maar Djemini niet en met goede redenen:

  • De blanda-man hield doorgaans veel van de ‘vierkante pot’, en was vaker ‘mabok’ dan hun muntji lief was.
  • Bovendien sloegen ze de vrouwen evengoed als de mannen van haar eigen ras het deden.
  • Tenslotte gingen de blanda’s vroeg of laat toch terug naar hun land en lieten hun muntji’s zitten.
  • Met of zonder kinderen.

Onder druk van haar moeder gaat ze toch akkoord met het verzoek: “Als het haar bij hem niet beviel, kon ze immers altijd nog weg.’

Nuance

Het verhaal van Djemini en van andere vrouwen in de tangsi tekende Lin Scholte in de jaren ’60 van de vorige eeuw op. Ze wilde haar ervaringen delen, die ingingen tegen het negatieve beeld van de tangsi dat gemeengoed was geworden.
De geschiedenis herhaalt zich. Nu zie ik dat er over de njai vooral in termen van slachtoffer wordt gedacht. Dat is eenzijdig. Iedereen als slachtoffer beschouwen is verkeerd. Zoek de nuance, begrijp de verschillen, leer te zien hoe machtsongelijkheid en zelfstandigheid naast elkaar kunnen bestaan.
Dat is de puzzel van het verleden die we moeten zien te leggen.

Vrouwenwereld

In de tangsi groeide Lin Scholte op, in deze wereld vol vrouwen. Ze leerde er wat haar rijkdom was: ‘Naar het zo uitkwam, kon Linda dan ook volkomen totok-zijn onder totoks, Javaanse onder Javanen en Indische onder de Indischen in haar denken en spreken.’ Drie culturen dus.

Die vrouwelijke lijn boeide me meteen toen ik het werk van Lin Scholte las. Haar belangrijkste romans heb ik kunnen bundelen met een uitgebreide biografische inleiding. Een geluk om te doen.
We hebben maar één Indische schrijfster die in de tangsi leefde en haar familieverhalen zo goed en levend optekende. Verhalen over het kazerneconcubinaat, over zelfstandige vrouwen die helemaal geen slachtoffer waren. Verhalen over situaties, onderlinge relaties, over de formele macht en informele macht.
De romans van Lin Scholte zijn daarmee verplichte literatuur voor iedereen met een njai in de familie. Klik, kijk en beslis ja nee aanschaffen hier. 

 

Praat met mij
Als u over familie in de oude Indische tijd schrijft, dan hoort daar ook kennis van de historie bij. Zo wordt uw verhaal beter en interessanter om te lezen. Werkt u aan een levensverhaal? Praat met mij:

  • voor vrijblijvend advies over historische bronnen, zodat u meer informatie vindt
  • over de opzet van uw project, zodat u het meteen goed aanpakt, dat scheelt enorm veel tijd en hoofdpijn
  • maak een afspraak voor telefonisch overleg via mijn digitale kalender: klik hier en kijk hoe dat gaat.

Wanneer er een nieuw artikel verschijnt, mail ik een berichtje aan degenen die zich hebben ingeschreven. Dan hoeft u niet te zoeken. Inschrijven kan door op het plaatje te klikken. Dan krijgt u meteen een ebook cadeau: Hoe begin ik? 5 gouden tips waarmee het altijd lukt

gratis ebook

Waarom we juist nu oude Indische romans moeten lezen

oude Indische romansOude Indische romans, dat zijn de romans van voor de oorlog. Ik bedoel van voor de Eerste Wereldoorlog, uit dan wel over Indië.

Ik dacht aan die boeken toen de afgelopen week de discussie ontstond over de aanpassingen in het werk van de schrijver Ronald Dahl. Hij leeft niet meer. De erfgenamen en de uitgever vonden veranderingen in de tekst nodig, want nu hebben we een ander moreel kompas.
En de boeken moeten gelezen en verkocht worden.
Nou… dat moet alleen, als je op winst uit bent.
Verder is het vrije keuze, dacht ik.

Een ander gewoon

In de oude Indische romans staan volop passages en opmerkingen die heel anders zijn dan we nu gewoon en wenselijk vinden.

  • Seksistisch.
  • Racistisch.
  • Discriminerend.
  • Enzovoort.

Wie dat niet wil lezen, kan de romans laten liggen. Geen probleem.
Maar ik blijf ze lezen. Want ik verlang ernaar het oude Indië te leren kennen en begrijpen. De tijdgeest van toen, van de generaties mensen die destijds hun leven hadden. Wat voelden ze, wat dachten ze, wat vonden ze?
Dat staat in de romans.
Ik hoef het er niet mee eens te zijn, ik kan me erover opwinden, ik kan er ongelukkig of ellendig van zijn, maar ja: het normaal van toen, was het normaal van toen.

Even voor de duidelijkheid. Ik bedoel dus romans die toen geschreven werden. Die bevatten de tijdgeest. Dus niet de historische romans die nu gepubliceerd worden, die lees ik nauwelijks. Want: het zijn romans met de visie van nu op de tijd van toen.
Bepaald wat anders.
En ook: wat we nu seksistisch en racistisch noemen, dat maakte toen deel uit van het normaal van de koloniale samenleving.

Veel lezen

Wie het oude Indië wil begrijpen, moet veel lezen:

  •  kranten die destijds verschenen over de actualiteit van die dagen
  •  discussies in brochures en pamfletten
  •  studies, dus non fictie
  •  de bijschriften van foto’s in fotoboeken
  •  romans

Maar: een roman is geen monument van de waarheid.
Een roman is meer:

  •  wie is de auteur, wat wilde hij/zij in de roman zeggen?
  •  hoe is de historische context?
  •  wat waren de reacties?

oude Indische romansSoms is een enkele passage al informatief. Ik ben de romans van Thérèse Hoven (1860-1941) aan het herlezen. Een Hollandse schrijfster met tropenervaring. In Nonnie Hubrechts (1900) gaat het over een gezinsdrama. De titelheldin is Jo, een meisje dat uit een overspelige relatie is geboren en lang niet weet bij wie ze thuis hoort. De eigenlijke heldin van het boek is de Indische echtgenote, die haar blijvend liefdevol ondersteunt.
Ik las wat Marietje van Son, een Indisch meisje, aan Jo had verteld:

  • Marietje had haar, vooral in den laatsten tijd, zulke rare verhalen gedaan van menschen, die vergiftigd waren.
  • Marietje was vol van baboe-praatjes en, als Jo er om dacht, dan luisterde ze er niet naar, want ze wist, dat Maatje er tegen was, maar ze vergat wel eens braaf te zijn en zich te herinneren, wat Mama haar verboden had.
  • […] ’t was wel verleidelijk om naar te luisteren. Heel griezelig, maar ook erg wijs en Marietje kon zoo smakelijk uitweiden over dingen, waar ze anders nooit van hoorde. Over baboes en njais, die haar heer vergift toedienden uit jaloerscheid.

Wat, wat?
Baboe-praatjes? Graag meer daarvan.
En dan die bijna achteloze vermelding van vergiftigen, dat is ook informatief. Zo uitzonderlijk was het dus niet, ik kom het in meer oude Indische romans tegen. Zo schrijft P.A. Daum over een ‘Pil Nummer 11’. Dat vergiftigen staat haaks op ons moderne beeld van de njai die altijd passief en slachtoffer zou zijn.
Dat beeld moeten we bijstellen.
(Voordat u het zegt: ja, ik heb een obsessie voor gif)

Wat ook kan: herkenning

Bij de Indische schrijfster Melati van Java (1853-1927) vindt u de leukste en zelfstandigste Indische meisjes en vrouwen als romanpersonage. Ze zijn mooi van buiten en mooi van binnen, ze zijn zelfstandig en soms zelfs rebels. Voorbeeld?
In het toneelstuk Tante Betje (circa 1901) protesteert het Indische meisje Hetty tegen het eenzijdige van alleen onderwijs op Nederland gericht. Ze komt in opstand tegen haar gouvernante, juffrouw Dumont:

  • Hetty: Dat is onrechtvaardig, heel onrechtvaardig. Waarom moeten wij Indische meisjes meer leeren dan de Hollandsche, en wij, die nog al den naam hebben van zoo dom en lui te zijn, terwijl zij daar zoo ontwikkeld zijn en zoo wijs. Neen, die rivieren gaan mij niets aan. Laat ze loopen waar zij willen. (Zij springt van het tabouret, neemt een waaier van den muur, gaat op een der wipstoelen zitten en waait zich met veel drukte.)
  • […] Juffrouw Dumont: Zullen wij dan Indische geschiedenis behandelen?
  • Hetty: O neen! Die Hamangkoe Rats en Dipo Negaras en Sentots en die Riebeeken en Maatsuijkers, die maken mij nog meer biengoeng [in de war] dan Rijn, Maas, Waal en al die Tjis. Daar komen de Hollandsche meisjes ook makkelijk af. Ik zou ze wel eens willen hooren uitspreken Baagelen, Ceelebès, Sammerang. Dat heb ik u nog moeten leeren die Indische uitspraak, Juf!

In de stem van Hetty is de schrijfster zelf aanwezig. Zij volgde enige tijd onderwijs bij de Ursulinen. Dat was ook zo gericht op Europa. Klopt niet, zegt iemand al in 1901.

Dit kunnen u en ik ons voorstellen.
Er zijn ook hele andere romans.

Belangrijke rotboeken

De koloniale samenleving was raciaal verdeeld. Willen we begrijpen hoe dat doorwerkt, dan moeten we begrijpen hoe dat destijds werkte.
Een hele tijd terug kreeg ik Het leven in Nederlandsch-Indië uit 1900 van iemand cadeau, die dat “ellendige boek” niet in huis wilde hebben. De schrijver is Bas Veth (1860-1922), die met zijn anti-Indië opmerkingen een storm van kritiek veroorzaakte. Dus ik lezen. En ja hoor, volop seksisme en racisme.
Maar het verdiepte mijn blik.
De roman Levenshonger (1902) van Henri Borel (1869-1933) is een rotboek. Het is racistisch, seksistisch, een factor me-too met platte seks. Het gaat over een man die zijn Indonesische concubine beroerd behandelt, besluit dat hij seks moet hebben met een Hollandse vrouw want dat zal hem goed doen en erna pleegt hij in het openbaar zelfmoord.
Nou, lekker lezen is anders.
Henri Borel zet een deur voor me open naar een leven dat voor mij onbekend is. Ik zit in het hoofd van die man die dat alles beleeft en doet. Ik kan niet weg al voel ik walging.
Straks weer herlezen.
Wat ik niet begrijp, daar moet ik meer moeite voor doen.

Zo zijn er enorm veel romans. Verrassend en overweldigend. Heerlijk en walgelijk. Vertrouwd en onbegrijpelijk. Ik kan er zo duizend opsommen. En elk daarvan zet de deur naar Indië op een kier open. Dat maakt ze waardevol. Of denkt u daar anders over?

Schrijftips
Welke generatie van uw familie leefde in welke jaren in Indië? Als u dat weet, kunt u achterhalen welke romans hij of zij las. Om dichterbij de tijd van toen te komen, adviseer ik: lees die romans ook. Ik praat er graag met u over verder in een vrijblijvend telefoongesprek. Klik hier en kijk hoe het gaat om dat te af te spreken. (er opent een nieuwe webpagina)

Waarom een njai inheems kan zijn maar ook Japans (en Chinees)

Valt het u ook op? De laatste tijd is er meer aandacht voor de voormoeders in families. Voormoeders als in: de njai’s, de concubines van Europese mannen. De vrouwen waren vooral inheems maar ook Japans en Chinees.

In de tangsi

Er is nog altijd te weinig bekend over hun levens, al verschijnen er gelukkig geleidelijk meer boeken. De Indische schrijfster Lin Scholte schreef uitgebreid over het leven in de tangsi (kazerne, kampement) waar ook haar moeder Djemini aanvankelijk njai was.
In de tangsi woonden de lagere rangen militairen van het KNIL. Een njai (daar vaak muntji genoemd), was bijna altijd inheems.
De officieren deelden soms een woning; en naarmate het traktement hoger was, konden ze een woning voor zichzelf betalen. Daarin was ruimte voor een concubine.
Buiten het militaire leven waren er njai’s op ondernemingen en vroeger in de steden.

Over haar leven

Inheems waren de voormoeders niet altijd. Zij waren ook Chinees en ook Japans. Wanneer u een voormoeder in de familie heeft, is het lang niet gemakkelijk om iets meer over haar leven te weten te komen. Maar niet onmogelijk.
U kunt boeken opsporen over de tijd waarin zij leefde.
Ik noemde zonet Lin Scholte, zij beschrijft een lange periode van eind negentiende eeuw tot na de oorlog.
Michel Ketelaars noemt in zijn Compagniesdochters: vrouwen en de VOC de afkomst van Sarah Specx, dochter van Jacques Specx en een Japanse njai. Reggie Baay schreef: De njai. Er zijn meer boeken, niet alleen non-fictie maar ook fictie.

Een Japanse njai

Zo is er de merkwaardige en interessante roman uit 1904 van Louise B.B.: Janneke de Pionierster. In 1914 werd het boek herdrukt, dus na tien jaar was er nog steeds een belangstellend publiek te vinden.
Het is in dit boek, dat een Japanse njai verschijnt.
Alleen: het is een roman. Louise B.B. kende Indië, maar toch. Een roman is waar en niet waar tegelijkertijd.
Janneke de Pionierster is een feel good roman, optimistisch van toon, en toch of juist behandelt het zware onderwerpen. Het moet een soort voorlichting zijn geweest voor de Hollandse vroywen die naar de Oost trokken.
Janneke, de heldin van het boek, was dat ook.

Als getrouwde vrouw komt ze in het denkbeeldige Rameleh terecht. Een mannengemeenschap, lijkt het. Bij de chef van haar man blijkt een jonge Japanse vrouw te wonen. Eerst voelt Janneke afweer, wegens het onfatsoenlijke van de situatie. Maar het contact tussen beide vrouwen ontwikkelt zich.
Yum-Yum is de enige die Janneke bijstaat na een zware ziekte en een miskraan. Zij is eerlijk over wat er nog meer is gebeurd:

“Yum!”
Zij kwam ijlings naar mij toe, meenende mij te moeten helpen, maar ik greep haar snel bij beide polsen, trok haar over mij heen, half in bed, zoodat ik haar vlak in het gezicht kon zien.
“Ja, allah! mintah ampong!” schrikte zij, toen zij mijn schitterende oogen ontmoette.
“Yum. . . ., zeg mij. . ., is . . . het . . . dood, dood geboren?”
Yum met smartelijk vertrokken gezichtje antwoordde knikkend: “O ja, nonja, saja, nonja!”
“Vertel. . . hoe kwam het ?”
“Op een nacht. . . ., door de erge “sakit demum” van de nonja,” zeide toean dokter!”
[…]
“Neen, neen, niet roepen, niemand roepen. . . . Kijk, het is al over immers, ik zal niet meer huilen! ”
Ik had met stugge bevelende stem gesproken, een poos lag ik doodstil, mij trachtend te bedwingen, toen zeide ik op korten toon: “Ga nu maar naar je werk, ik heb je niet meer noodig hier!”

Die ‘korten toon’ is ongepast na al het meeleven en zorg van Yum. Het laat daardoor iets zien van de koloniale verhoudingen van die tijd.
Tegelijkertijd biedt de schrijfster Louise B.B. ruimte voor een uitweg. Aan het einde van de roman is de verhouding tussen de twee vrouwen gelijkwaardiger. Yum-Yum gaat trouwen, wat voor haar bestaanszekerheid en status betekent.

Spiegels van de tijd

Dus u ziet, romans zijn spiegels van de tijd van toen. Indien u voormoeder heeft die u nergens in de archieven kunt vinden, zoek dan in oude romans verhalen en beschrijvingen. Het is fictie, iderdaad, maar wel ergens op gebaseerd.
Wanneer u over de familie schrijft, help ik u graag bij het zoeken naar de romans die raken aan uw familiegeschiedenis. Zo krijgt u toch mooi beeld van vroegere generaties. Zullen we daarover eens van gedachten wisselen? Voor het maken van een vrijblijvende afspraak, is een mailtje voldoende: maak dan een afspraak in de digitale agenda. Dan praten we vrijblijvend een half uurtje. Zin in? Klik hier (er opent dan een nieuwe pagina) dan hebben we zo een afspraakje, in het nette.

Ik wil mijn voormoeder een stem geven

voormoeder

Foto: Indisch4Ever/ L.X. Kok

Met een oudere Indische tante keek ik gezellig foto’s. Ze wees op meisjes met witte strikken in het donkere haar: “Kijk, mijn zusjes. Ik was de lichtste.” Meteen hieraan dacht ik terug toen ik de roman Lichter dan ik in handen kreeg. Wat een veelzeggende titel. Lichter of donkerder zijn, het is vol van betekenis.

Dichter bij elkaar

De roman is amper uit en nu al komt er een tweede druk aan. “Mooie dagen,” mailde de schrijfster me. Dido Michielsen schreef dit boek over een verre voormoeder. Dus een overoverovergrootmoeder, en dan net zoveel overs als nodig is bij iemand te komen. Maar we staan altijd dichter bij elkaar dan we denken: het kleinkind van Isah was de grootvader van Dido. Isah was, zoals het heet, haar betovergrootmoeder. Misschien bent u dat ook voor een generatie in de toekomst. Kan best. En wat dan?

Een stem geven

O, even. Het is een roman en toch ook niet helemaal. Ik vroeg aan Dido hoe dat zit. Waarom schreef ze geen biografie, een levensverhaal van haar voormoeder Isah?

Ik kwam niet genoeg over haar te weten omdat ze onvindbaar is in de archieven. Toch heeft ze bestaan want ik heb haar foto. En omdat ik altijd al een roman wilde schrijven na zes non-fictie boeken, was de keuze simpel. Bovendien kon ik geen Nederlandstalige romans vinden die helemaal vanuit het perspectief van de inheemse voormoeder zijn geschreven. Ze leefde bovendien in een interessante periode waarin er van alles veranderde in de kolonie.

Maar ja, dan moet je nog iets weten om over te schrijven. Wist je wel genoeg, vroeg ik.

Nee,veel te weinig. Van mijn vaders kant weet ik amper iets over mijn Sumatraanse grootmoeder, bij mijn moeders kant begint het een beetje bij mijn overgrootmoeders, plus wat verhalen over mijn betovergrootmoeder.

Waarom schreef je het dan toch?

Omdat er zoveel vrouwen waren als mijn betovergrootmoeder van wie de naam niet bekend is. Terwijl zij de eersten waren die gemengdbloedige Indo’s voortbrachten. Bizar genoeg zijn de namen van de Europese vaders meestal wel bekend. Ik wilde met mijn boek een monument voor de njai’s oprichten en mijn voormoeder een stem geven.

Dat heeft Dido dan ook gedaan. Woekeren met wat ze wel wist en dat was best weinig. Erg toch, eigenlijk? En wij met onze computers schrijven ook niet eens alles op, terwijl een paar generaties later er gesnakt wordt naar kennis van ons leven. Doorgeven is zo belangrijk. Het is erkennen een schakel te zijn in de keten van generaties die een familie vormen. Erkenning begint bij uzelf: zeggen dat ook uw leven belangrijk is, om alles wat er was en is. Elke generatie heeft immers een uniek verhaal.
Weet u, soms benijd ik mensen die kinderen hebben. Je plaats in de familie is dan zo duidelijk. Dan voel ik me een los draadje, dat zomaar ergens uitpiept. Op andere momenten voel ik weer, dat ik ook een plaats heb in het grote geheel. Ik moet schrijven en andere mensen helpen te schrijven. Dat is wat ik te doen heb in mijn leven.

Vrouwenogen

Reggie Baay kreeg het eerste exemplaar.

Ik ben nu halverwege de roman van Dido en ik zit nu middenin het kratonleven. Het oude Indië is heel anders hoor, als je door vrouwenogen kijkt. Als u ook een voormoeder heeft van wie u haast niks weet, is dit een inspirerend boek voor u. Misschien weet u toch iets. Dat schrijft u vandaag toch nog wel op?

Tot slot. Ik vroeg aan Dido Michielsen welke zeven vragen ze graag aan haar voormoeder had willen stellen. Hier komen ze:

  1. Was je nou wel of niet een prinses die geschaakt werd door een Hollandse patriciër? De geruchten gaan…
  2. Welke talen sprak je? Javaans, Maleis? Kon je met de vader van je kinderen communiceren?
  3.  Had je zelf enige inbreng in deze partnerkeuze?
  4. Dit is misschien wat impertinent, maar je twee dochters lijken helemaal niet op elkaar. Eentje is jouw evenbeeld, de ander niet. Zijn ze van dezelfde vader?
  5. Hoe zag het gezin eruit waarin je werd geboren? Je ouders, had je broers en/of zussen?
  6. Wat waren je geboorte- en sterfdata?
  7. Heb je mijn opa, jouw kleinzoon, ook gekend?

Ziet u wat belangrijk is? Menselijke relaties. Wie is wie. Wanneer gebeurde wat. Weten waar je vandaan komt.

Schrijftip

Begin vandaag met feiten te noteren op een A4-tje. Namen en jaartallen. Schrijf een half uurtje – kijk op de klok – en denk: mijn verre nazaten hoeven dit in ieder geval niet meer op te zoeken.

“Ik heb nog duizend-en-één recepten van mijn oma”

Indische recepten

De Locomotief, 15 mei 1873

“Ik heb nog duizend-en-één recepten van mijn oma zoals besengek, tangkar, rendang, kentang balado enzovoorts enzovoorts,” mailde Franceska van Heije-Neys. Ze stuurde er twee, met gebruiksaanwijzing en informatie over haar grootmoeder. Geen foto. Maar toch een vrouw die indruk maakt.

Zij vindt blanke mannen niks aan

Dit verhaal gaat over mijn overgrootmoeder. Haar naam is Saila, een (volgens zeggen) mooie inlands vrouwtje dat geboren was in het nog mooie en vredige Batavia, bij Kebon Katjang (naam van de wijk). Een douanebeambte, een Belg, maar hij werkte wel voor het Nederlandse Gouvernement, is verliefd op haar. Zijn naam is de heer Albert Verdoorn. Hij doet heel veel moeite om met haar te kunnen omgaan ofwel eerst kennismaken. Maar zij was koppig en vindt blanke mannen niks aan. Zij had ook gezegd toen hij bij haar kwam voor visite: “Laat jij maar de laatste man ter wereld zijn, dan wil ik nog niet met jou. Nooit!!”

Maar ja, wie zijn wij eigenlijk? Als God dat al voorgeschreven heeft in ons levensboek dat we met een persoon samen ons leven door moeten gaan, dan gebeurt het ook toch?

Dus, in het kort kan ik zeggen dat de liefde begint bij haar ook te bloeien.

Ons gevoel gebruiken

Saila trouwde en kreeg vijf mooie kinderen, vier meisjes en een jongen. Zij was een ijverig, koppig, zelfstandig vrouwtje dat heel erg goed was in de keuken of compositie maken voor homeopathische middelen tegen ziekte.

Haar recepten zijn bij mij goed bewaard en allemaal zonder hoeveelheden benodigdheden. Zij zei altijd tegen ons: “Allemaal dat koken en medicijn maken moeten we ons gevoel gebruiken, er is geen zoveel gram dit of een thee lepeltje dat. Gewoon alles gooien met mate en dan moet je proeven, wat je vindt te weinig is dat erbij doen. Ook met medicijnen. Alles fijn maken, venkelolie erbij of eucalyptus olie of soms wel kokos olie, even verwarmen met een pannetje, niet te lang, een paar seconden maar en dan wrijven en drinken.”

Mooie gouden sieraden

Dankzij dat ze getrouwd was met Verdoorn, werd ze in de kampong ook betiteld als njai. Njai betekent bijvrouw van een blanke man. Ofschoon dat mijn overgrootopa nooit weer getrouwd was met een ander vrouw. Als inlands vrouwtje, draagt ze ook kebaja met saroeng, liefs van Pekalongan. En dat koopt mijn overgrootopa ook altijd voor haar bij Pasar Tanah Abang samen met zijn lieve vrouwtje natuurlijk. En dan als dankbaarheid voor haar liefde tegen hem plus een goede verzorging, koopt mijn overgrootopa af en toe mooie gouden sieraaden. Kortom, ze zijn gelukkig getrouwd.

Middel tegen hoest

sereh

sereh

Ik schrijf hier een homeopathisch middel tegen hoest: water, tamarinde en Javaanse suiker (goela jawa). Allemaal koken tot je de suiker en tamarinde zuur goed kan proeven, vijf minuten laten borrelen, laten afkoelen en dan drinken. Ook een middel tegen reumatiek of kou gevat: maakt gember fijn of kan ook raspen (een beetje veel), een beetje Javaanse suiker, een paar kruidnagel, kaneel, sereh (citroengras) en water.

Soto ajam

Kook de kip tot lekker zacht en dan ga je de vlees klein plukken, opzij doen.

Fijn maken: sjalotjes, knoflook, gember, een beetje peper, terasie, een beetje koenjit. Bakken met een beetje olie alle bovengenoemde ingrediënten, als het al geurig is doe daoen jeroek poeroet, sereh, salam blad en dan weer roeren tot alle blaren slap zijn geworden. Giet kiep bouillon in, de kip en dan roeren. Doe wat Maggiblok, suiker en misschien een beetje zout. En proeven, wat vind je, te weinig moet je zelf weer in doen. Geserveerd met gesneden lente uien, gesneden gekookte ei en emping.

Sambal Bajak

Tomaten (een stuk of 3) klein snijden, sjalotjes, knoflook, terasi, een beetje ketoember, daoen jeroek poeroet (veel) en daoen salam. Allemaal lekker bakken met hete olie. Als het al geurig is doe de sambal oelek erin, roerend. Als het hele beslag al een beetje dik is doe wat kokosmelk of melk in beetjes bij beetjes (glaasje is genoeg). En dan doe suiker in, Maggiblok en misschien nog wel een beetje zout (eerst proeven). Door roeren tot dat een dikke massa wordt. Haal uit het vuur, laten afkoelen en dan kan je in flessen doen.

Franceska van Heije-Neys

Praktische schrijftip

Herinnert u zich iets wat u als kind graag at? Schrijf dat op. Sluit uw ogen en probeer te herinneren: hoe het smaakte, waar u het at, wie het maakte en hoe u zich na het eten voelde. Neem de tijd: u zoekt informatie van zintuigen.

Ga naar de bovenkant