Ik heb al heel lang het voornemen om deze onrust in mij weg te schrijven

Indië, 1947. Jan Benetreu (1919) en Sylvia van Krieken (1922) zijn pas getrouwd. Knijpt u de ogen ook dicht? Ik wel. Dat jaar. Die jonge mensen.  Hun zoon Ed Benetreu stuurde een open brief aan Marion Bloem, die ik hier ook mag publiceren.

Geachte mevrouw Bloem,

Met heel veel belangstelling heb ik uw opinie Wat ik bij Pauw had willen zeggen gelezen.
Hoewel ik eigenlijk geen tijd heb (*) om te reageren, raakt dit onderwerp mij al een tijd zodanig dat ik graag even snel een spontane reactie geef. Ik ben het niet op alle punten met u eens, maar in essentie onderschrijf ik de strekking van uw opinie.
Zoals gezegd reageer ik nu spontaan waardoor mijn reactie niet altijd even logisch en gestructureerd van opzet zal zijn. Ik worstel de laatste jaren met deze problematiek en heb al heel lang het voornemen om deze onrust in mij weg te schrijven.

(*) Mijn zus is helaas nu in haar laatste levensfase als gevolg van die verschrikkelijke ziekte die ook uw zus heeft getroffen. Mij zus heeft geen partner en geen kinderen en ik ben het enige familielid. Dus veel zorgtaken, maar vandaag hebben mijn vrouw en ik dankzij vrienden een dag “vrij”.

de hele bladzijde was leeg

Het onderwerp houdt mij (70 jaar) de laatste jaren zeer bezig en ik ben me er helaas de laatste jaren pas van bewust hoe zwaar mijn ouders het hebben gehad.
Mijn ouders wilden nooit over die zwarte periode in hun leven spreken, af en toe een enkele opmerking of toespeling. Zelf wilde ik er nooit naar vragen of er dieper op ingaan. In het begin besefte ik de impact nog niet zo en later wilde ik er niet over beginnen omdat ik zag dat het pijn deed.
Mijn vader heeft op verzoek van zijn kleinkinderen zeer beknopt zijn leven beschreven. Over de oorlogstijd wilde hij het niet hebben. Er stond slechts zwart en de hele bladzijde was leeg met een schuine streep er door heen.

Verloren jeugd

Natuurlijk heb ik nu spijt dat ik pas heel laat ben gaan beseffen wat er in werkelijkheid speelde en hoe zwaar die periode geweest moet zijn.
Eerst de verschrikkingen van de oorlog (moeder op 17e jaar in Jappenkamp zwaar gemarteld, vader overlevende van de Birma spoorweg), daarna geen thuis, alles weg geen ouders, geen of nauwelijks familie en daarna het veranderde politieke klimaat en de Bersiaptijd. Een totaal verloren jeugd.
(ik ben totaal a-technisch, mocht niet met elektriciteit omgaan van mijn moeder omdat ze hangend met stroomstoten werd gemarteld; in dit kader vertelde ze dus wel iets over de oorlog, dus via zo’n omweg)

Mijn ouders waren het toonbeeld van lieve zorgzame ouders

Geen wonder dat zoveel mensen ‘verminkt’ uit die periode zijn gekomen en dat velen een geestelijke ‘deuk’ hebben opgelopen. Nu begrijp ik een beetje de klachten van vele Indo’s over hun soms hardhandige opvoeding. Ik ben enorm geschokt door het boek De tolk van Java. Ik heb zulke ervaringen gelukkig nooit meegemaakt. Mijn ouders waren het toonbeeld van lieve zorgzame ouders. Nooit geslagen, laat staan mishandeld. Juist omdat ze hun jeugd verloren hadden mochten de kinderen niets te kort komen. Wij hadden het niet breed, maar alles werd opgeofferd voor het welzijn van de kinderen. Maar ik besef nu heel goed dat het door al die ontberingen in hun jeugd ook anders had kunnen zijn.

Inzicht krijgen

Ik ben al heel lang van plan – ook op uitdrukkelijk verzoek van mijn kinderen – om elke herinnering op te schrijven en zaken te benoemen. Ik wil proberen door middel van het distilleren van mijn herinneringen en het analyseren van alle opmerkingen/gedragingen van mijn ouders inzicht te krijgen in hun zwaar getraumatiseerde jeugdperiode. En ook in de periode daarna, de onzekerheid, bij wie hoorde je, waar moest je voor kiezen, waar moest je naar toe. Verschrikkelijke dilemma’s voor die generatie. Deze problematiek wil ik proberen voor mij deels in kaart te brengen en te bewaren en eventueel door te geven. Het mag niet verloren gaan. Tot nu is het bij mij bij gedachten gebleven en geen tijd, geen tijd. Nu ik gestopt ben met werken mag dat niet echt een excuus zijn en ik merk dat het in me blijft borrelen. Dus dit is misschien een eerste stap naar aanleiding van uw opinie.

Wegcijferen en aanpassen

Helaas is deze problematiek pas zeer laat echt bij mij binnengekomen. Indische mensen hebben inderdaad de ‘gewoonte’ zich weg te cijferen en zich aan te passen. Ik heb dit ook herkend bij mijn ouders. Uiteindelijk hebben ze het fantastisch gedaan en zijn hun twee kinderen goed terechtgekomen. Maar het leed, het verdriet, de onzekerheid over hun toekomst, het zich niet geaccepteerd voelen, de onwetendheid/het gebrek aan kennis over de Indische Nederlander moet enorm pijn gedaan hebben. Pijn die ze hebben weggestopt en voor zichzelf hielden. Het spijt me enorm dat ik die pijn niet heb onderkend en er niet met mijn ouders over heb kunnen spreken. Dat doet mij zeer.

En ook ik moet bekennen dat ik tot diegenen behoor die niet gereageerd hebben en u in uw ogen niet gesteund hebben. Maar het besef van de problematiek is zoals hopelijk uit het bovenstaande is gebleken pas laat tot mij echt doorgedrongen

Indische geschiedenis

Na de periode met mijn zieke zus, zal ik zeker beginnen met het op papier zetten van mijn gevoelens en mijn bevindingen over deze problematiek. Ik heb het mijn kinderen beloofd, maar vind het ook belangrijk dat de Indische geschiedenis niet verloren gaat. Hopelijk blijft iets hangen over het verleden van Nederland en de Indische gemeenschap.

Ik voel me niet alleen maar toch er is een leegte in mijn hart

“Ik voel me niet alleen maar toch er is een leegte in mijn hart.” Die zin stond in een kort verhaal dat Francesca van Heije-Neys me stuurde. Ze hoopt dat anderen er troost in vinden. Hier komt het.

 


Ik ben van ver weg gekomen om in Nederland met mijn lieve man samen en gelukkig te kunnen wonen. Ik kwam van een land die 350 jaar verbonden had met Nederland. Een land waar men altijd liedjes kunnen maken, Indonesië.

Nu ben ik alleen, mijn lieve man is onlangs overleden. Maar de liefde die hij aan mij straalde iedere dag, krijgt ik nu van mijn twee zonen en hun gezinnen. Ik voel me niet alleen maar toch er is een leegte in mijn hart. Iedere avond roep ik zijn naam en de naam van God. Ik bid voor hem. Voor zijn vrede, zijn gezondheid, geen angst voor wat dan ook en dat hij niet paniek raakt omdat ik bent niet meer in de buurt. Ik durf geen liedjes te horen via mijn MP3 omdat ik altijd huilen moet. Denk aan mooie en leuke tijden samen. Denk hoe we altijd leuk gehad samen ondanks dat we ook vaak ruzie hadden af en toe.

Wat mij hartzeer maakt is dat we altijd al afgesproken hadden in onze samen zijn dat we samen zouden ‘gaan’. We laten elkaar nooit alleen in deze wereld. Oh oh, mijn hoofd begin weer te bonken! Mijn schat, waarom verlaat je mij alleen? We zouden toch samen gaan? Kom je mij ophalen? Gaan we weer samen terug naar onze mooie Indonesië?

Maar het blijft GEVOELENS, in feite moet ik nu alleen doorgaan of het zwaar is of niet. Vroeg of laat weet ik zeker dat ik mijn lieve schat terug zie en dat wij samen weer verder gaan zoals zijn laatste woorden in mijn armen voor dat hij stierf: “Poppetje van mij, God geeft ons de derde kans om weer samen te kunnen zijn.”


Wat is dit open en eerlijk, en zo herkenbaar voor veel mensen. Elke grote liefde heeft die ene grote vraag: wie gaat er eerst? En hoe zal dat zijn voor degene die gaat en die achterblijft?

Gedicht Levensverhaal door Eric Stokking

levensverhaal

Wikimedia/Collectie Tropenmuseum

Levensverhaal

Mijn levensverhaal is zo’n lange weg.
Ik dacht, dat loop ik dan wel even.
Maar bij elke bocht hoorde ik: “Zeg,
Dìt moet je echt weer herbeleven!”

Dat doe ik dan, nieuwsgierig,
Maar dit houdt wel het tempo op!
Niet dat ik daar wakker van lig,
Of vaak toch wel
Ik zeg dan “STOP!”

Dát wil ik niet horen,
Ik heb dit weggestopt!
Het is voor mij al lang verloren.

Toch wordt er even op de deur geklopt,
Ik doe voorzichtig open
en stap voor stap zal ik verder lopen.

Eric Stokking


Mooi, hè? Zo gaat het vaak met herinneringen. Ze komen voorzichtig, want ze weten niet altijd even zeker of ze welkom zijn.  Daar zit ook enige verlegenheid in. Mensen kunnen voor zichzelf verlegen zijn. Om wat er was, om hoe het was, om juist dat ene en niet dat andere gedaan te hebben. Dat hoort allemaal bij een mensenleven. Het maakt ons tot wie we zijn, van binnen, wie we zijn voor onszelf.

Een levensverhaal schrijven is dus vooral voor uzelf. Het is een manier om de familieverhalen te bewaren, dat zeker. Maar het is ook een manier om voor uzelf de balans op te maken. Terugkijken en wegen: hoe was dat voor mij, hoe heeft dat in mijn leven doorgewerkt, wat vind ik er nu van?

Tijd voor uzelf

Het is dus tijd voor uzelf reserveren. En ik weet dat juist dit moeilijk kan zijn, voor degenen die gewend zijn klaar te staan voor anderen, te zorgen en te regelen. Dat zijn degenen die altijd het kleinste stukje spekkoek nemen. Uit gewoonte.  Dat is lief, en tegelijkertijd zeg ik: is er genoeg voor uzelf?

Samen

Dit jaar krijg ik meer mails van vijftigplussers, zestigplussers die in Nederland geboren zijn maar wel hart en ziel naar het Indische neigen. Omdat ze Indisch zijn, of op een andere manier ermee verbonden zijn en blijven. Ja, en wat betekent dat, hoe is dat vroeger geweest en wat ermee te doen? Dat zijn ook levensverhalen die belangrijk zijn.  Voor uzelf en ook voor anderen. Schrijven is blijven. (Hoera!)

 

 

 

Gratis workshop Levensverhaal schrijven

 Gratis workshop Levensverhaal schrijven

Gratis workshop Levensverhaal schrijven

Klaar om nu eens écht uw levensverhaal op te schrijven? Of dat van uw vader of moeder? Want dan ligt het tenminste vást, voor nu en voor later.

Heeft u er ook genoeg om het steeds uit te stellen naar morgen? Of van piekeren over hoe u zoiets nou moet beginnen? Bent u er klaar voor nu dat mooie levensverhaal op te schrijven, voordat het niet meer kan? En bent u bereid om ermee aan te slag te gaan? Dan is dit uw kans: een gratis workshop Levensverhaal Schrijven!

Een uur lang leg ik u uit hoe u het moet aanpakken om een levensverhaal op papier te krijgen. Het is geen hogere wiskunde. Alleen een kwestie van het weten en het dan doen. Ik heb met mijn methode zo’n dertig boeken geschreven. Die methode werkt dus. En in deze workshop leg ik aan u uit hoe die methode in elkaar zit. Dan kunt u erna aan de slag.

De workshop Levensverhaal is op zondag 28 oktober 2018, om 20.00 uur. Legt u pen en papier klaar?

In het kort:

  • Bent u klaar met het uitstellen naar morgen en overmorgen waardoor het er nooit van komt?
  • Wilt u moeilijke ervaringen van u áf schrijven?
  • Bent u al twintig jaar bezig en is het nóg steeds niet af?
  • Of heeft u juist geen idee hoe u moet beginnen?
  • Bezit u genoeg levenservaring om te weten dat u het met een beetje hulp best voor elkaar krijgt?
  • En bent u bereid om plezier te beleven aan het schrijven?

Dan is dit de oplossing voor u. Het enige dat u hoeft te doen, is u op te geven voor de workshop. Maar alléén doen als u deze keer echt dat verhaal op papier wilt gaan zetten. Ik heb er enorm veel zin in om wat ik weet aan u te vertellen. Doet u mee of doet u mee?

klik hier om u op te geven

met hartelijke groet,

Vilan

Mijn Javaanse oma Raden Adjeng Momoh

Javaanse omaTelkens weer als ik in een toko of op de Pasar Malam tussen de Javaanse koekjes ook wadjik zie liggen denk ik even terug aan mijn Javaanse oma Raden Adjeng Momoh.

 

Een verhaal van: Arnold  Herbig.

 

Muziek klinkt zacht uit de radio. Mammie en ik zitten in de huiskamer. Alhoewel, Mammie zit op de bank een tafelkleed te borduren terwijl ik naast haar lig te lezen. Het wachten is op Pappie want zodra hij thuis is, kunnen wij aan tafel voor het middageten.
Het geschuifel van blote voeten nadert ons en weldra staat Sanapi, onze baboe dalam, bij ons.
“Ndòrò”, zegt zij, “bij ons op de achtergalerij staat een vrouw die naar u of ndòrò toean vraagt.”
“Wie is het?” vraagt Mam.
“Dat weet ik niet ndòrò, dat zei de vrouw niet. Zij zei alleen dat zij de ndòro njonja en de ndòrò toean heel goed kent.”
Mammie legt haar handwerk naast zich neer en staat dan op. Gevolgd door Sanapi loopt zij mij voorbij. Nieuwsgierig als altijd heb ik het boek rap naast mij neergelegd en volg beide vrouwen op een afstand.
Vanaf de binnengalerij zie ik vóór de keuken Ira, onze kokkie, in gesprek met een oudere Javaanse vrouw. Naast de vrouw staat op de grond een koffertje van gevlochten rotan. Tijdens het gesprek draait de vrouw zich om en ziet Mammie op zich afkomen. Mammie houdt haar pas een tel in om daarna snel naar de vrouw toe te lopen.

Sedert ons gezin na de oorlog weer enkele jaren is herenigd, weet ik dat de vriendenkring van Pappie en Mammie ook Javanen en Chinezen omvat. Dit in tegenstelling tot de vriendenkring van Oma Juul door wie ik de eerste zes jaren van mijn leven ben grootgebracht. Daarom zijn er soms momenten dat ik mij nog verwonder over mijn ouders.
Kijk Mammie nu! Zo gauw zij bij de vrouw is aangekomen neemt zij haar in haar armen. Wanneer de vrouwen hun omhelzing hebben verbroken, zegt de oude vrouw: “Adoeh non, ik heb zó verlangd jullie weer terug te zien. Door de oorlog wist ik niet meer waar jullie zaten. Het is zo lang geleden, ja non?!”
Mammie en de vrouw raken elkaar steeds weer even aan. Het lijkt of zij zich ervan moeten overtuigen dat de ander voor haar staat.
Plotseling draait Mammie zich naar mij om en zegt: “Nolleke, kom jij eens hier en groet Oma eens netjes.”
Ik twijfel even want waar komt deze Oma opeens vandaan? Ik heb geen Javaanse familie dat weet ik zeker!
“Nolleke, hoor je wat ik gezegd heb? Kom hier!”
Mammies stem klinkt nu heel ongeduldig, voor mij een teken om subiet te gehoorzamen.

Ik loop naar de oude vrouw toe.
“Dag Oma”, zeg ik terwijl ik haar een hand geef.
“Allah njootje, wat ben jij groot geworden. Ik heb je zoveel gedragen toen je nog een baby was”, zegt mijn nieuwe Oma in het Indonesisch.
“Nolleke, breng jij Oma’s koffer naar jouw kamer. Lieke komt toch nog niet thuis dus kan Oma bij jou op de kamer slapen.”
‘Ook dat nog’, denk ik, ‘wij hebben hier achter toch een logeerkamer!’
Ik weet dat ik niets hoef te zeggen wanneer mijn mening niet wordt gevraagd dus doe ik maar wat mij is opgedragen.
Wanneer Pappie thuis komt, volgt hetzelfde toneel. Hij omarmt de oude vrouw die bijna in zijn omhelzing verdwijnt.
De volwassenen hebben elkaar heel wat te vertellen terwijl ik met mijn boek naar mijn kamer ga om weer verder te lezen.
Het middagmaal wordt opgediend en wij gaan aan tafel. Tot mijn verbazing schuift Oma niet bij ons aan tafel aan. Zij gaat weer naar achteren naar de bedienden. Op mijn vraag waarom zij dat doet, krijg ik van Pappie alleen als antwoord dat Oma bij het avondeten wel bij ons aan tafel zal zitten. Aan zijn stem hoor ik dat ik niets meer moet vragen en beter mijn bord kan leegeten.
Het is middag, Pappie is nog op kantoor en Mammie en ik zitten op het platje voor het huis. Op het tafeltje tussen ons in staat een kopje koffie voor Mam, een kopje thee voor mij en een schaal met plakken roti koekoes. Na over ditjes en datjes gekletst te hebben vertelt Mammie over mijn Javaanse Oma.

De ouders van Pappie waren Opa Charles en Oma Eugenie, zij woonden in Midden-Java. Zij hadden vijf kinderen waarvan Pappie de oudste was. Het huwelijk van Opa en Oma ging niet goed en daarom besloten zij uit elkaar te gaan.
Oma Eugenie leerde toen Opa Karel kennen. Zij besloten met elkaar te trouwen en vertrokken met de vier zusjes van Pappie naar Batavia.
En Opa Charles? Opa had een Soendanese vrouw leren kennen en vroeg haar of zij bij hem wilde komen wonen. Die vrouw was Oma Momoh. Opa en Oma Momoh vertrokken naar Oost-Java waar Opa, samen met Pappie, op een vezelonderneming ging werken. Opa en Oma kregen samen vijf kinderen. Zij waren gelukkig samen totdat kort na de geboorte van hun jongste dochter Opa overleed. Oma Momoh had het niet breed maar met de maandelijkse geldelijke bijdrage van Pappie kon zij haar gezinnetje draaiende houden.
Mammie was nog maar zestien jaar toen zij met Pappie trouwde, maar zij was nu wel de vrouw des huizes en daarom moest zij allerlei zaken leren die een huisvrouw diende te weten. Oma was daarbij een grote steun voor haar.
Tijdens de oorlog hadden zij elkaar uit het oog verloren tot niet zo lang geleden de vroegere chauffeur van Pappie achter de woonplaats van Oma was gekomen. Daarop had Pappie Oma een briefje gezonden en haar gevraagd een keer naar ons toe te komen.

Na mammies verhaal waren wij beiden even stil, maar dan wilde ik weten waar Oma nu was. Mammie dacht dat Oma bij de bedienden zou zitten.
Dat kan ik niet begrijpen, als zij mijn Oma is dan behoort zij bij ons te zitten en niet achter. Ik sta op en wil het huis ingaan.
“Wat ga jij doen?” vraagt Mam.
“Oma halen, zij hoort toch bij ons?”
“Laat Oma met rust. Zij komt heus wel als zij dat wil.”
“Neen, ik ga haar halen.“
“Nolleke luisteren!”
“Maaam”.
“Ga je gang zoek het dan maar zelf uit.”
Ik loop naar binnen. In de woonkamer komt de scherpe geur van een krètèk sigaret mij tegemoet. Bij mijn slaapkamer aangekomen zie ik Oma op de rand van haar bed zitten met een sigaret in haar hand.
“Oma djangan merokok di kamar saja toch. Niet in mijn kamer roken oma. Kom mee naar voren bij Mammie zitten.”
“Nee njootje, ik ga wel bij Ira zitten. Ik hoor niet bij jullie daar voor.”
“Oma maar ik wil dat u met mij meekomt.”
“Njootje luister jij nou naar Oma, ik hoor daar niet.”
Terwijl Oma opstaat pakt zij haar pakje sigaretten op, streelt mij even over het hoofd en verlaat de kamer.
“Oma wil niet bij ons zitten”, zeg ik tegen Mam als ik weer terug ben.
“Ik heb je gezegd om Oma met rust te laten maar jij wilt weer eens niet luisteren.”
“Maar als zij mijn Oma is dan …..”
“Nolleke houdt nu op. Ik wil er niets meer over horen!”
“Goed, mag ik naar Dolf?”
“Als je maar zorgt dat je op tijd thuis bent.”
“Mam, Dolf woont hier naast hoor.”
“Dag jong.”

Bij het avondeten zit Oma wél bij ons aan tafel. Ik durf daar niets over te zeggen maar ik begrijp de grote mensen soms niet.
Wanneer het voor mij bedtijd is geworden geef ik niet alleen Pap en Mam een nachtkus maar ook Oma Momoh.
“Njootje wat voor koek zal ik morgen voor jou maken?” vraagt zij voordat ik naar mijn kamer ga.
Ik hoef niet lang na te denken en zeg: “Wadjik graag Oma en lekker zoet.”
De volgende middag bij de thee staat een schaal met wadjik op tafel.
Wadjik is een heel simpele koek die gesneden is in een ruitvorm en is gemaakt van kleefrijst, goela Djawa en klappermelk. De wadjik die Ira maakt of Mammie een enkele keer voor mij koopt, is gemaakt volgens het geijkte recept en dus nooit zoet genoeg naar mijn smaak. Maar vandaag proef ik dan eindelijk de koek zoals ik die wil hebben.
De tijd verstrijkt en het is voor Oma weer tijd om naar huis te gaan, maar de dag vóór haar vertrek maakt zij nog een keer mijn koekje voor mij.

Sindsdien komt Oma Momoh regelmatig bij ons logeren en altijd staat dan de wadjik voor mij klaar. Dan wordt Mammie in het ziekenhuis opgenomen en ik zie Oma nog één keer aan Mammies ziekbed. De tijd verstrijkt. Pap ligt weer voor een lange tijd in het ziekenhuis. Tijdens de oorlog heeft hij TBC (tuberculose) opgelopen en door verwaarlozing heeft de ziekte weer zijn kop opgestoken. Nadat Pap op een gegeven moment wordt ontslagen terwijl hij in het ziekenhuis ligt, hertrouwt hij met Marian. Zij was voor ons geen onbekende. Zij werkte als verpleegster in het ziekenhuis waar Pappie na de oorlog was opgenomen. Mammie, Pappie en Marian werden vrienden en hielden door de jaren heen altijd contact me elkaar.
Na een bezoekje van Marian aan Oma Momoh, komt Oma regelmatig Pappie opzoeken. Een enkele keer ontmoet ik Oma in het ziekenhuis. Enkele weken na een valpartij in de badkamer van het ziekenhuis komt Pap te overlijden.

Een paar maanden daarna krijg ik toestemming om naar Nederland te vertrekken. In afwachting van mijn vertrek logeer ik tijdelijk bij de Chinese familie voor wie Marian werkt, wanneer op een dag Oma Momoh het voorerf komt oplopen. In haar hand heeft zij een pakketje gebonden in een theedoek. Oma mag niet via de voordeur naar binnen, neen, zij moet via de tuindeur naar achteren lopen! Oma is maar een eenvoudige Javaanse vrouw en is niet welkom in de woning van deze rijke Chinese familie. Ik schaam mij dat ik haar op deze wijze moet ontvangen. Fluisterend bied ik haar mijn verontschuldigingen aan maar dan zegt zij zacht: “Njootje, Oma is al oud en ik heb veel meegemaakt. Het is goed zo.”
Op de achtergalerij gezeten ontknoopt Oma de theedoek en ja, ik had het kunnen weten! In haar hand houdt zij een schaal met mijn geliefde, zoete wadjik. Oma vertelt dat zij op een dag Marian in de stad was tegengekomen en van haar had gehoord dat ik binnenkort naar Holland zal vertrekken. Zij is blij dat ik eindelijk kan gaan, want in Indonesië heb ik geen toekomst. Met tranen in onze ogen nemen wij afscheid van elkaar.

Als ik jaren later met Dick, mijn levenspartner, een bezoek breng aan Indonesië is mijn Javaanse Oma Raden Adjeng Momoh lang geleden heen gegaan en net als Oma is ook mijn heerlijke, zoete Javaanse koekje nog maar een herinnering.


Voor de Indonesische woorden heb ik de oude schrijfwijze aangehouden.

Raden Adjeng = titel voor vrouw van adel
of Momoh Oma’s echte naam was, kon niemand mij vertellen
later leerde ik dat Oma de Njai van Opa was. Gelukkig werd zij goed behandeld
baboe dalam = voor vrouwelijke bediende voor in huis
ndoro njonja/toean = Hoog Javaans voor mevrouw/meneer.
Naar gelang van haar leeftijd wordt een vrouw aangesproken met: non of nonnie (klein meisje), njonja moedah (jonge dame) of njonja (mevrouw). Bevindt de njonja zich in dezelfde kamer als haar moeder dan ‘zakt de njonja in waarde’ en wordt ze weer njonja moedah genoemd.
Het voorgaande geldt ook voor een man: sinjo, njo of njootje (kleine jongen), toean moedah (jonge heer) en daarna toean. Bevindt de toean zich in dezelfde kamer als zijn vader dan wordt de toean weer toean moedah.
Soenda = streek in Midden-Java waar, naar men zegt, de mooiste vrouwen van Java vandaan komen
krètèk sigaret = sigaret met kruidnagel al dan niet gerold in het fijnste binnenblad van de maïskolf

 

Houdt u ook een dagboek bij?

dagboeken

(Wikimedia Commons/ Nationaal Archief)

Wie deze foto ziet, denkt: wie is zij? En ik denk: hield ze een dagboek bij? Van deze mooie intelligente vrouw heb ik geen naam, maar haar gezicht vertelt me dat haar leven inhoud had. Toen, daar, met alles dat ze gewoon en ongewoon vond.

Zulke levens hebben wij ook, vol gewone en ongewone dingen. Houdt u een dagboek bij? Voor later, voor kinderen en kleinkinderen? Het kan al in een klein notitieblokje. Dat u iets schrijft over uw dag. Over waar u aan moest denken toen er dit of dat gebeurde. Dat u over vroeger droomde.

Grootmoeder

Zelf dagdroom ik soms dat mijn grootmoeder een dagboek bijhield en dat het er opeens is, en dat ik dan haar zo leer kennen. Waar ze van hield. Of ze snel boos was. Wat ze graag at.  Ik heb haar vooral gekend als vrouw op leeftijd, knorrig vanwege allerlei toestanden. Maar op oude foto’s lacht ze zo vaak, en ze ziet er uit als iemand die in heel veel plezier heeft. Die vrouw heb ik nooit gekend.

Zeg nou zelf, hoe graag zou het dagboek van uw grootmoeder lezen?

Er zijn gelukkigen die een kookschrift van oma hebben. Dat komt heel dicht in de buurt daarvan, vooral wanneer er kleine verhalen bij staan. Maar dat heeft niet elk kookschrift. Een foto-album is supermooi, alleen: die bijschriften ontbreken zo vaak.  En als ze er zijn, roept dat vragen op. Wie, wanneer en waarom eigenlijk?

Generatie

Dat is het ongeluk van de generatie die veel vragen over Indië heeft. Veel moeders en grootmoeders – of hun echtgenoten – hielden geen dagboek bij en vertelden niet zo heel veel, omdat ze de kinderen niet wilden belasten. Zij moesten in Nederland een leven opbouwen.  “We zijn nu hier.”  Gelukkig zijn er nog ouderen om vragen aan te stellen. Maar ooit zijn wij, bent u, de oudere generatie. De oudste generatie.

Levensverhaal

Zoals wij naar de foto van deze vrouw kijken, zo kijken latere generaties naar een foto van mij of u. Een dagboek bijhouden kan een mooi begin zijn om een levensverhaal te schrijven. U went een beetje aan het schrijven. Het blijkt best te gaan. Dan kunt u verder.

dagboek

Helemaal links: mijn eerste dagboek

Ik ben zo ook begonnen, dat zag u al aan de foto. Toen ik tien jaar was, kocht ik bij de toko zo’n glimmend notitieboek. Er staat zelfs diary op de rug. En ik begon, gewoon voor mezelf, om op te schrijven wat er die dag gebeurde en hoe ik me voelde. De dag erna deed ik het weer. En zo werd het een gewoonte. Als ik wil weten hoe ik was toen ik elf, twaalf jaar was, lees ik het dagboek en dan ben ik weer bij het kind dat ik was.

Als u vandaag met uw dagboek begint, is dat een goede dag. Volgende week leest u het alweer met belangstelling terug. Het leven gaat zo snel. Leg het vast.

Stichting Japanse ereschulden en de erkenning

Japanse ereschulden

“‘t is een klotevolk,” zei de een kalm. Een ander: “Ik sta hier voor mijn ouders, die hebben ze doodgehongerd.” De derde: “Wij blijven hier komen tot de Japanse keizer op zijn knieën gaat of tot de laatste van ons er niet meer is.” Een later spreekt de voorzitter woorden van diplomatie, van de geleidelijke weg, van de dialoog zoeken, en hoe tactvol dat ook klinkt, hij zal net zo min wijken als de anderen.

Japanse ambassade

Die middag ben ik bij de maandelijkse demonstratie van de Stichting Japanse Ereschulden. We staan op de stoep tegenover de Japanse Ambassade aan de Tobias Asserlaan in Den Haag. De zon schijnt. Het is een rustige buurt, vol ambassades en je zou kunnen denken dat er hier een gezellig groepje mensen staat. Tot je ziet dat sommigen een JES-hesje dragen, wit met een rode cirkel erop, die creatief bewerkt is. Daarop staat: “Pay your debts”, en voor de zekerheid staat dezelfde boodschap er ook in Japans schrift. Alles is zéér goed leesbaar, evenals de tekst op de spandoeken. In de ambassade hebben ze de lamellen dichtgedaan. Er beweegt niks. Het lijkt net, of niemand in de ambassade wil weten hoeveel jaren oorlogsellende er op de stoep aan de overkant staat. Toch kunnen ze er de klok op gelijk zetten, want de mensen van JES komen elke maand, ook als het vriest, regent of ijzelt. En dat doen ze meer dan twintig jaar lang.

Ereschuld

Vandaag biedt de Stichting Japanse Ereschulden voor de 173ste keer een petitie aan, bestemd voor de Japanse minister-president. Dat aanbieden doet de voorzitter met enkele leden van het bestuur. Ze worden ontvangen door de ambassadeur. Hek open, naar binnen. Wij wachten en praten.
Die middag zijn er zo’n zestig, zeventig mensen, maar in het begin waren er wel 400. Ook toen de Stichting 60 jaar bestond. Uit dat jaar dateren de knalgele paraplu’s met JES-slogans, die ik vandaag ook zie. Een mevrouw zegt: “Als ik op 15 augustus naar het Indisch monument ben geweest, rijd ik hierlangs en dan steek ik de paraplu even uit het raam.” Erkenning, daar gaat het om. Van de schuld, de ereschuld vooral, die de Japanse regering draagt voor het oorlogsleed. Daar hoort een spijtbetuiging bij en vervolgens een compensatieregeling.

Diplomatie

JES heeft de weg van de diplomatie gekozen. Praten, ook met de Nederlandse regering. Als ik aanbied een steen door de ruiten te keilen, hoeft dat niet. “Dan schiet iedereen de loopgraven in en wat heb je dan?” Dat is waar. Het moet moeilijk zijn de balans te vinden. Al die herinneringen van toen… en toch, nu een geaccepteerde gesprekspartner willen zijn.
Ha, daar is de voorzitter weer. Op de Japanse stoep nog wel. Hij vertelt over het gesprek, en verzekert dat het woord ‘ereschuld’ vaak is gevallen. Dan zijn we een minuut stil om degenen te herdenken die er niet meer zijn. Daarna zingen we twee coupletten van ‘the captives’ hymn’, met regels als ‘may the day of freedom dawn’. Het klinkt lekker hard, ook door de geluidsinstallatie die JES meenam. In de ambassade zitten ze vast met hun handen over de oren.

Tram

De demonstratie is nu officieel afgelopen, maar tijdens de lunch wordt er verder gepraat. Ook over het wel en wee, want de meesten komen al jaren lang. Ik loop langzaam naar de tramhalte. De zon schijnt nog steeds. Als de tram langs het Binnenhof boldert, zie ik een groep Japanse toeristen staan. Het is een vreemd gezicht, maar volgende maand ga ik weer naar een koempoelan.

 

Stichting Japanse Ereschulden (JES)
Opgericht: 2004, Stichting sinds januari 2009
Aanwezig: ca 60, aantal donateurs circa 12.000
Activiteiten: demonstratie voor de Japanse ambassade te Den Haag (elke tweede dinsdag van de maand), aanbieden van petities, aandacht vestigen op de rechtsongelijkheid
Website: www.japanse-ereschulden.nl
Eigen periodiek: JES Nieuwsbrief


Dit artikel verscheen eerder in Moesson

Stichting Sakura en de kinderen van een Japanse vader

Japanse vader

Die zaterdagmiddag ben ik in Spijkenisse, waar de stichting Sakura een bijzondere bijeenkomst heeft. Een terugblik op de reizen naar Japan is aangekondigd. Japan, dat is voor de leden het land waar hun vader is geboren. Moeder, vader, oorlog, dat is het verhaal in drie woorden. Eigenlijk is het veel langer. Ik zal die middag ademloos luisteren en Indische gezichten zien met Japanse ogen.

Zoekacties in Japan

“Vooral toen we pas bestonden, hebben we veel zoekacties in Japan gedaan. Door ons netwerk daar vonden we veel vaders en familieleden terug,” vertelt Claudine Meijer, secretaris van de Stichting. Zelf heeft ze haar vader nooit ontmoet, een foto bezit ze evenmin: “Ik ken alleen zijn naam”. De situatie van Claudine staat niet op zich. Voorzitter Richard Volckmann schat dat er ongeveer tweeduizend “lotgenoten” in Nederland zijn: “Er is vaak schaamte, want in de Indische gemeenschap ben je een kind van de vijand. Van de tweeduizend zijn er ongeveer vijftig lid.” Die leden koesteren de Stichting, die sinds 1995 een open oor en hart biedt aan deze lotgenoten.
De oorlog is voorbij en toch niet, denk ik als ik luister naar de levensverhalen. Al zijn de kinderen van toen nu zestigplussers, ze zijn nog altijd een beetje (of meer) het kind dat ze waren. Een kind dat het eenvoudige verlangen heeft van moeder en vader te houden. Alleen ligt dat hier gecompliceerd. Door de afkomst van de vader maar ook, vertelt Claudine: “Soms heb je een lieve pleegvader gehad met een oorlogsverleden, die wilde je niet kwetsen door naar je Japanse vader te vragen. Die opvoedvader kan echt lief zijn geweest, maar ook een eigen trauma aan zijn kamptijd hebben overgehouden. Er zijn opvoedvaders die dat op ons afreageerden, omdat we een Japans gezicht hadden.” Van wie mag je dan ongestraft houden, vraag ik me af.

Japanreizen

Goed zijn zoals je bent, is het laatste dat hier vanzelf spreekt, begrijp ik. Of een familie hebben waar je thuishoort. Het lijkt me zo’n levensrecht. Maar waar zijn deze kinderen thuis? Nederland vindt het verschil tussen Indisch en Indonesisch al héél moeilijk. De Indische gemeenschap accepteert gemakkelijker ‘Jappenhaat’ dan een Japanse vader. Richard: “Leden zeiden vroeger dat ze Chinees bloed hadden, vanwege hun uiterlijk. Dat kon wel.” In het Indisch Platform zat Claudine naast bestuursleden van de Stichting Japanse Ereschulden aan tafel. Dat ging, maar op persoonlijk niveau is het anders. Ik hoor een man vertellen dat hij vijftien jaar was toen hij hoorde dat zijn vader Japans was: “Ik wist meteen dat het een geheim was.” Zijn de ‘kinderen’ dan thuis in Japan? Wel en niet. De ontvangst door de Japanse vader of de familie kan hartelijk zijn, dan mag je erbij horen. Een man zegt trots dat een familielid vond dat hij zo op hun vader leek. Maar de Japanse familie kan ook elk contact weigeren, en dan mag je wéér niet zijn zoals je bent.
Het zijn lastige onderwerpen voor een zaterdagmiddag, al zijn er ook veel foto’s te zien van de Japanreizen en is er ruimte voor, nou, gewone gezelligheid. Veel eten is er ook.

Kinderen

De ‘kinderen’ worden ouder en de Japanse vaders ook. Velen zijn overleden. Een graf bezoeken kan troost bieden, maar, zegt Richard: “We richten ons op de toekomst. Daar betrekken we ook onze kinderen in, want die hadden een ouder die naar een eigen identiteit zocht.” Dan gaat het groepsgesprek verder en komen er weer nieuwe verhalen over vaders, moeders en ‘kinderen’ die naar Japan gingen. Ik zit er stil bij en luister, met een beetje verdriet van binnen.

Stichting Sakura
Opgericht: 1995
Aanwezig: circa 25 van de ongeveer 800 leden
Activiteiten: regionale bijeenkomsten, themadagen, jaarlijks barbequefeest, zoekacties in Japan, reizen naar Japan.
Website: www.stichting-sakura.nl/
Periodiek: twee keer per jaar Sakura Bulletin
Facebook: Kijk en klik


Dit artikel verscheen enigszins gewijzigd eerder in Moesson.

dominee Stanley Tjahjadi van de Indische kerk

Stanley Tjahjadi   Zo is de dominee. Vrolijk als het kan, met aandacht voor wat er werkelijk toe doet. Hij kwam uit Bogor naar Nederland om hier de Indische kerk te steunen. Dat is officeel de Geraja Kristen Indonesia Nederland (GKIN). Een interview met de dominee.

God heeft een plan met mij

“In Indonesië vieren we 17 augustus”, zegt Stanley Tjahjadi. Zijn ogen gaan glanzen als hij aan de kerkdiensten in zijn geboorteland terugdenkt. Dat is immers de dag waarop in 1945 de Indonesische republiek werd uitgeroepen. Een feestdag is het. Dáár. Hier in de gemeente is het anders: “Uit respect voor de Indische leden vieren we niets.” Vier jaar is hij alweer in Nederland als een van de twee full time predikanten bij de Geraja Kristen Indonesia Nederland (GKIN). Hij voelt zich ook een beetje zendeling, vertelt dominee Tjahjadi, want hij komt iets brengen naar de Nederlanders, niet alleen als predikant maar ook vanuit zijn achtergrond. Perspectief wilde daar graag meer over weten. “Ik geloof dat God een reden had om juist mij naar Nederland te sturen. Voor mij was het moeilijk: ik ben niet jong meer en ik moest een nieuwe taal leren. Maar ik geniet van deze tijd. Er is nog veel dat ik hier moet doen. God heeft een plan met mij.”

Mijn moeder zei: ‘Het was de droom van je vader om naar Nederland te gaan.’

U bent inmiddels er zeker van dat u hier met een reden bent. Maar toen u in 2007 beroepen werd, aarzelde u. Hoe is die verandering gegaan?
Het was een worsteling, dat zeg ik eerlijk. Toen de vraag kwam, was ik voorzitter van de synode van Geraja Kristus met het hoofdkantoor in Jakarta. Wij, mijn vrouw Santi en ik, woonden in Bogor. Elke werkdag reisde ik van Bogor naar Jakarta. Mijn kerk in Bogor was tamelijk groot; we waren met vijf predikanten. Elke zondag hadden we drie diensten. De eerste dienst begon om zes uur ’s morgens en dan ws de kerk vol! Vol! Altijd, duizenden mensen is heel gewoon. Dus ik was in mijn comfortzone. Ik hoefde niet naar het buitenland. Maar toen kwam de vraag van mijn vriend Linandi van de Nederlandse GKIN of ik wilde solliciteren. Mijn moeder zei: ‘Het was de droom van je vader om naar Nederland te gaan.’ We – mijn vrouw Santi en ik- hebben aan God gevraagd om de weg te openen, als dit de bedoeling voor ons was. En dat is gebeurd.”

In Indonesië is dat ondenkbaar.

Dus toen kwam u hier in de kerk. Dat moet wennen zijn geweest. Niet alleen door de taal, maar ook door de cultuur.
Ja, o ja! (Lacht) Nederlanders zijn eigenwijs. Veel mensen bidden niet eens meer. Ze blijven ook gemakkelijk weg uit de kerk. Als iemand zich beledigd voelt, komt hij gewoon niet meer. In Indonesië is dat ondenkbaar. Wat er ook gebeurt, je komt naar de dienst, je praat met de dominee. Hier is iemand opeens weg. Zomaar!

Als je van iemand houdt, dan wil je toch bij Hem zijn?

Wat doet u daaraan?
Ik ga naar ze toe, thuis. Om daar te praten. Dat is de persoonlijke benadering, die is het belangrijkste. Samen delen. Niet top down omdat ik de predikant ben. We praten gelijkwaardig, als in een vriendschap. En ik vraag ze dan om weer te komen de volgende zondag. Als je van iemand houdt, dan wil je toch bij Hem zijn?
Maar ik weet ook dat het voor ons in Den Haag een probleem is dat de diensten ’s middags beginnen. We hebben geen eigen gebouw, dus moeten we wachten tot de diensten in de Nederlandse kerk zijn afgelopen. In Nederland moet je soms op een zondag werken, iemand anders heeft een uitnodiging voor een verjaardag of de zon schijnt en het strand roept… en ze gaan ergens anders heen. Ik begrijp het en toch zeg ik: God moet de eerste prioriteit zijn. Mijn gemeente in Bogor komt voor alles naar de dominee toe, uit zichzelf. In Nederland moet je een afspraak maken. Dus ik maak afspraken, veel afspraken, elke dag afspraken. En dan reis ik door het hele land, om te preken en mensen te bezoeken.
Ik doe altijd mijn best om zo te preken dat mijn gemeente de aanwezigheid van God voelt. Dan komen ze terug. Santi helpt me met mijn preken, want ik ben soms te rationeel. Zij kan meer empathie geven. Als ik preek, heb ik vijftien, twintig minuten, meer niet.”

Wij moeten in vriendschap met elkaar leven.

In augustus staat u voor een moeilijke taak. Op 15 augustus capituleerde Japan waardoor de oorlog in het voormalige Nederlands-Indië afgelopen was. Indische mensen hoopten toen dat ze weer in vrede konden leven. Twee dagen later werd de Indonesische republiek uitgeroepen. In uw gemeente zijn de leden Indonesisch, Indisch en ook Hollands. Hoe gaat u daarmee om?
Het is… we weten dat… (zucht diep) Wij moeten in vriendschap met elkaar leven. In Indonesië vieren we de onafhankelijkheidsdag. Er zijn speciale diensten, we eten samen, het is een mooie dag. Maar in Nederland is dat niet altijd mogelijk. Ik moet me aanpassen, ik moet rekening houden met mijn gemeente. Het hangt er ook vanaf waar ik in die maand moet preken. Wij hebben vijf regio’s en elke regio heeft een eigen karakter. Bijvoorbeeld, in Amstelveen is een sterkere Hollandse dan Indonesische cultuur. Dat komt doordat de meesten in Indonesië een Nederlandse opleiding hadden voordat ze hierheen kwamen. In Rijswijk-Den Haag leeft de Indonesische cultuur van traditie sterker; komen meer oudere Indische mensen, zij hebben de oorlog meegemaakt. Dan bidden we samen, in vriendschap.

Is dat genoeg?
Ik hoop het. Vriendschap is het belangrijkste in deze wereld waarin zoveel mensen elkaar haten. Daarom is de persoonlijke ontmoeting zo belangrijk. Dat is voor Indonesiërs vanzelfsprekender dan voor Nederlanders. Indonesiërs maken geen afspraken zoals Nederlanders. Maar we zijn een kerk. Geen gezelligheidsclub. We mogen niet naar binnen keren, we hebben een taak om naar buiten te gaan, om een voorbeeld voor de omgeving te zijn.

Ik kom uit een familie van predikanten: mijn opa, mijn vader, mijn oom, bijna iedereen!

In Nederland is het niet echt in de mode om in God te geloven. Wat vindt u daarvan?
Laat mij dit verhaal vertellen. Ik kom uit een familie van predikanten: mijn opa, mijn vader, mijn oom, bijna iedereen! Als jongen was ik ‘babah binong’ (ondeugend) en ik dacht dat ik vanzelf naar de hemel zou gaan omdat er zoveel predikanten in mijn familie waren.

Een oude protestantse kerk te Bogor (wikimedea commons, Tropenmuseum)Predikant worden? Niets voor mij. Zo dacht ik. Maar toen ik zestien jaar was, zei een voorganger: ‘We kunnen niet meeliften met iemand anders’. Het was of hij het tegen mij had. Daarna merkte ik hoeveel God aan mij wilde geven. Door Hem heb ik mijn vrouw ontmoet aan de Sekolah Tinggi Teologi (Theologische Hogeschool) in Jakarta, door Hem heb ik een opleiding kunnen doen en door Hem ben ik nu hier. Elke dag ben ik daarom blij. Veel Nederlanders verbergen hun identiteit als christen. Het is net of ze van maandag tot en met zaterdag een masker dragen en op zondag durven ze te laten zien zoals ze echt zijn.
Voor mij is het de belangrijkste vraag hoe ik mijn gemeente zo kan toerusten dat ze hun geloof in het dagelijks leven ervaren, dat ze Gods liefde en macht voelen. We moeten het uitdragen.

Tafeltennis

Maar ook de dominee is een mens die steun nodig heeft. En ontspanning, als het moeilijk is geweest. Wat doet u dan?
Ik tafeltennis twee keer per week. In Bogor heb ik vroeger een kampioenstitel gehaald. Nee, geen wedstrijden meer. Alleen voor het plezier. En een keer per maand is er een ministerium vergadering. Met collega’s praten we over wat moeilijk is, in het werk en in het persoonlijke leven. Dat is ook vriendschap.

De GKIN is voortgekomen uit de zending in Indonesië. In Nederland is de denominatie evangelisch met reformatorische elementen. Sinds 2008 is er een samenwerkingsovereenkomst met de PKN. Momenteel kent de kerk in Nederland vijf regio’s: Amstelveen, Arnhem/Nijmegen, Rijswijk/Den Haag, Schiedam/Dordrecht en Tilburg. De diensten zijn in het Nederlands en in het Indonesisch.  De kerk is o.a. op Facebook: klik en kijk 


Dit artikel verscheen eerder in het toenmalige Perspectief, blad van de PCOB. Portretfoto Otto Snoek.

Indisch gedicht: Bijna ondergronds

Indisch gedicht

(Tropenmuseum/wikimedia commons)

Soms krijg ik zoiets moois in mijn mailbus, dat ik vraag of ik het mag delen. Margie van de Pol stuurde me een gedicht. Ik zeg er verder niets over, dit voelt u of niet.


Bijna ondergronds
Ik herinner mij een park en in dat park liepen mensen.

Kon niet missen, mijn soort.
indo’s en indisch dus.
Alsof ze in de vertraging konden versnellen.
Hun blik gefocust maar toch overal elders.
Zenuwachtig en toch rustig.
Altijd op hun hoede en toch blijven vertrouwen.
Bah!
Ik verzin maar wat.
ik ben gila dat weet je toch?

Vanuit mijn verstopplek onder de grond hoorde ik de stoet aan komen dreunen.
Met mijn kop boven de aarde bekeek ik ze.
Witte zakdoeken wapperde in de wind.
Die mensen raakte elkaar aan.
Armen over schouders en vooral de vrouwen liepen gebukt.
Kasian toch…
Dat woord heb ik zo vaak gehoord.
Ze vonden mij zielig, kasian dat kind.
Kan niet bij haar ouders blijven.

De mensen in het park liepen achter een kist aan,
een dode.
Idioot zeg , om met een dode in een stadspark te gaan lopen.
Dat hoort niet zo.
Onvoorspelbaar, die indo’s!
Net zo gila als ik .

Diep onder de grond
Leef ik.
Ten dode opgeschreven?


 

Ga naar de bovenkant