Henkie KNIL was het pseudoniem van Hendrik Antoine Nuse (1906-1986), die evenals zijn vader militair was. Met zijn pseudoniem ondertekende hij de herinneringen die hij thuis uittikte. Tijdens zijn tijd in het leger had hij goed opgelet. Zijn verhaal over Tante Watimena is rijk aan details. Het laat goed zien dat ook vrouwen een belangrijke rol in het leger vervulden, ook al kregen ze geen officiële rang toegekend. Daarbij is de waarneming van Henkie KNIL interessant: er zijn weinig Indische vertellers over het kazerneleven, en Henkie is er een van.
De zoon van Henkie bereidt een uitgave voor van zijn verhalen. De foto’s komen uit het familiealbum.

Hulp nodig

Maar er is een probleem en daarvoor is uw hulp nodig. Henkie KNIL tikte uitdrukkingen en woorden fonetisch op. Het is niet duidelijk wat-wat is.
Kunt u helpen?
In het verhaal komt u vanzelf de vragen tegen.  Nu geef ik het wooord aan  Henkie KNIL.

Magelang

Ik maakte voor het eerst met hen kennis in 1923 in Magelang, toen ik aldaar de Onderofficiers-school bezocht. Het eerst maakte ik kennis met Hendrik Watimena, ook op die school. Hendrik was een aardige jongen, licht gekleurd voor een Amboinese jongen, ietwat krullend haar, een paar [jaar] Mulo. Ik ging dikwijls met hem om. Hij sprak voortreffelijk Nederlands en kon aardig uit de hoek komen. Jaren later ontmoette ik hem weer, nu getrouwd met een aardig Indisch meisje, geen kinderen.
Zij vormden een leuk stel, die twee. Hendrik als altijd een vlotte jongen, kon aardig dansen, zij, Corrie, eveneens. Daarbij kon ze leuk zingen en voordragen. Wij, mijn vrouw en ik, gingen gaarne met hen om.
Maar nu Hendrik’s moeder! Tante Watimena, de meest bekende Amboinese vrouw uit het hele Indische leger van toen. In tegenstelling tot haar rasgenoten was ze groot en fors. Evenzo haar daden en woorden. Wat Tante Watimena zei was wet, en daarmee uit. De vrouwelijke mentor van alle Amboinese Compagnieen waar haar man, Hendrik Sr. diende.

Over tante

Bij liefdes-zaken, trouwerijen, geboorten, ziekten, allerhande gewone en moeilijke gevallen, sterfgevallen en nog veel meer dingen, werd altijd Tante’s raad en mening gevraagd en opgevolgd. Zij heerste en regeerde bijna despotisch op elke compagnie waar zij kwam. Niemand durfde haar te passeren of te weerstreven, zó zat de tucht er in, bij vrouwen en ook bij de mannen.
Van huis uit heete zij Ludia Sopacua. Van jong meisje groeide zij op tot een echte matrone, groot, fors, maar steeds en vooral: waardig en statig. Zij bedwong een ieder met haar houding en ogen en vooral met haar stem, die donderende stem.
Geen sergeant-majoor Instructeur, hoe streng ook, kon beter de tucht en orde op de compagnie handhaven dan Tante Watimena. Opstandige jongeren en ‘moeilijke gevallen’, zij gingen allen door de knieën bij Tante. Zelfs werd haar hulp soms ingeroepen bij andere onderdelen waar Amboinezen dienden. Dan was de delinquent als was in Tante’s handen, ‘als stront zo zacht in je vingers’, zoals men dat uitdrukte. En dan liep de opstandige weer tam en mak en gedwee in het gareel. Zo was het goed.
Oom Watimena, Hendrik Sr., daarentegen was een klein sullig manneke, één die alles goed vond, met alles accoord ging, sprak nooit tegen en liet alle stormen over zich heen gaan, wat nog wel eens gebeurde van Tante’s kant. Niets ging er van Hendrik Sr. uit, een echte goedige lobbes.

Spandrie

Toen ik met het gezin kennis maakte in 1923 had Oom Watimena al 28 jaren dienst als soldaat. Dus nog vóór de eeuwwisseling in dienst getreden, soldaat geworden en niet verder gebracht dan tot ‘spandrie’ ofwel soldaat 1e klasse, en dan nog toevallig, hetgeen niet leuk was voor Tante, zij had hem zo graag sergeant gezien, desnoods 2e klasse. Nu en dan liet zij hem dat dan ook gevoelig merken in een kwade bui.
Hendrik Sr. heeft zich er nooit veel van aangetrokken. Het lag hem niet, hij werd geleefd en dat vond hij wel zo goed.
Bij grote militaire feesten, zoals de herdenking van de verovering van Tjakranegara op Lombok in 1905, waar Hendrik Sr. nog aan heeft medegedaan, feesten, welke vroeger herdacht werden, ging het spectaculair aan toe. Reveille om half zes door de bataljons muziek. Verder: sport evenementen, tjakaleleh, het opvoeren van het wapenfeit zelve in miniatuur, werden uitgevoerd op de aloon-aloon vóór het 7e Bataljon. Alle officieren, inder-officieren en hunne dames uit het hele garnizoen Magelang en vele vele burgers en dames waren tegenwoordig. Dát waren pas feesten.
En dan de feesten en dansen na op de compagnieen zelf. Kijk, op zulke dagen, ja, dan wás er feest.

Het programma

Reeds een maand tevoren raadpleegde de kapitein Compagnies-commandant met… het kon niet anders, met Tante Watimenia. Dan werd het pogramma besproken.
Op de afgesproken morgen begaf Tante zich naar het compagnies-bureau. Waardig en statig, met afgemeten stappen liep ze daar, keurig gekleed, op sloffen, het haar met olie glad naar achter gestreken en in een wrong met die eigenaardige haarlijn van nek tot onder de wrong, zoals de Amboinese vrouwen het kunnen aanbrengen, in tegenstelling met de haarwrong van de Javaanse vrouwen, met de wrong dadelijk in de nek.
Buiten het kantoor wachtte zij totdat de sergeant-majoor administrateur haar bij de kapitein aandiende. Daarna kwam ze binnen, steeds met de gekozen air. Ze boog voor de kapitein en zei: ‘Goede morhing, kapting.’
De kapitein, joviaal en opgewekt als hij was: ‘Zo Tante Watimena, apa chabar?’
‘Baik, toehang kapting, trima kasi.’ (Tante kende haar wereld)
‘Nou Tante, doedoek sadja, dan kita bida oeroes pesta boewat compenie.’
En zo werd het programma dan vastgesteld.
En zoals Tante daarna, na afloop van de bespreking met de kapitein het een en ander opvoerde voor de verzamelde soldaten en vrouwen der compagnie:’Sioh, Kapting panggil por beta. Zo, Tante, kapting bileng, doedoek sadja di karossi.’
‘Beta doedoek, njong, doedoek sama-sama kapting, ding sarsan major tinggal badiri, beta doedoek. Lantas kapting ding bet […]oeroes pesta por compenie.’

* Dit invullen voor verzending

Henkie KNIL

Dit verslag werd dan op de meest dramatische wijze opgevoerd en voorgebracht, soms met stemverheffing, soms met rollende ogen en pathos. Dat een en ander de mensen pakten, behoeft geen betoog. Dan luisterden de verzamelde belangstellenden met eerbied en stilte, zó wist Tante het met faveur voor te brengen.
Op het feest zelve verscheen ze in vol ornaat, ‘met alle zeilen op.’ Dan resideerde ze, en keek streng toe of alles ging zoals zij had bepaald en of een ieder zijn werk deed. De kapitein Compagnies-commandant trad dan als gastheer op voor de genodigde officeren en hunne dames. De eerste dans deed hij met Tante Wattimena, met een hoofse buiging vroeg hij haar ten dans. Tante danste op slofjes, en wat goed, vooral de wals. Dan glom zij van genoegen, ook Hendrik Sr. en alle blikken waren gericht op Tante. Wat later op het feest, als de stijfheid al voorbij was, danste Tante samen me tde jongere vrouwen en mannen te samen de ‘Lingso’, de zakdoekendans en daarbij zong ze. Tante kon mooi zingen. En zo vierde men feest tot laat in de nacht.

Als Tante uit haar slof schoot (wat heus wel eens gebeurde, en niet zuinig ook), berg je dan maar. En vele malen kwam het dan op het arme hoofd van Hendrk Sr. ‘Ooo pong spandri, spandrie taai’, knalde het soms door de chambree Tante’s stem.

Dan was alles en iedereen muis-en bladstil op de soldatenkamer. Ieder luisterde dan met spanning naar het verdere verloop van de ruzie. Oom, Hendrik Sr. moest het dan weer ontgelden dat hij het niet verder tot spandrie of soldaat 1e klasse sadja heeft gebracht.
Dan hoorde je Oom’s bezadigde en zalvende stem om Tante tot kalmte te brengen: ‘Ludia, dengar doeloe, beta...’ En verder kwam hij niet, want kort en krachtig werd hij afgebeten met: ‘Toetoe oos pong moeloe’, waarop Oom dan maar zweeg en de storm gelaten onderging.

In het ootje

De jongelui trachtten Tante Watimena wel eens in het ootje te nemen. ’s Morgens, bijvoorbeeld,begaven zij zich dan bij afspraak samen naar de badkamers op de tijd dat ze Tante tegenkwamen op de terugweg naar de chambree. In koor riepen ze dan luid: ‘Hoede morging, Tante Watimena.’
Tante, onmiddelijk wetende waar het om ging, bleef staan, zette zich in postuur en antwoordde waardig en vol majesteit, ‘Goede morging, anak anak Amboong koerang-adjar.’

Als door de donder getroffen nagelde Tante de jongens op de plaats waar zij stonden. Niemand durfde zich meer te verroeren. De blikken verloren hun overmoedigheid en werden somber.
Dan ging Tante verder: ‘Anak anak menadoe, Anak kahédopang‘, wat betekende dat de Menadose jongens wellevende jongens waren, ‘sabang pagi kasi Goede Morging por beta dengan pantes. Kamoe pindjang oekon por oekon, talèn por talèn, kata pigi di kêntieng, tetapi pigi die roemag lont. Annak anak Menadoe tjoema bajar harha benag, anak-anak Amboong bajar héwoné volluk.’

Hetgeen hier alles op neer komt, dat de ongehuwde jongens (Amboinese) van Tante weleens een oekon (halve guldenmunt) of een stalie (kwartje) leenden, zogenaamd om naar de kantine te gaan, maar in werkelijkheid naar het bordeel. (Tante sprak het Maleise woord voor bordeel niet ten volle uit daar was ze te netjes voor) De Menadonese jongens behoeven alleen maar de kosten van het garen te betalen, de Ambiose: de ‘gewone volgmethode’, zijnde: arbeidsloon + kosten voor het naaigaren. Een en ander duidt op wat zure bijverdiensten van Tante als de jongeren bij haar kwamen voor reparaties aan hun kleding enz. Als soldaat verdiende je in die tijd niet veel, vele tangsi-vrouwen [verdienden] wat extra door de was te doen voor de ongehuwde onderofficieren die in het kampement woonden, reparaties aan te nemen, etensblikken te reinigen, enz. enz. (Sommigen van U kennen het oude liedje wel, van: ‘Mina met haar haselip, hari-hari tjoetjie blik, lima har[i] satoe ketip.’)

* Dit invullen voor verzending

Je deed niet veel met 85 cent in de vijf dagen in die tijd. Ja, U heeft het goed gelezen: 85 cent in de vijf dagen. Zo was het toen, zoveel bedroeg je soldij…

Eens werd oom Watimena wegens malaria in het militair hospitaal opgenomen. Tante bezocht hem trouw. Dan bekeek ze ook het zwarte plankje bij ieder bed, waarop bijzonderheden over de toestand van de ziekte wordt vermeldt.
Dan las ze b.v. Oom’s polsslag: 80. Dan riep ze uit, verbaasd: ‘Tahté’ en even later: ‘Toehang Allah, hewoné voeding’, verbaasd als ze was over een temperatuur van 80 en toch gewone voeding. Tante had in die dingen niet veel verstand. Dan keken zij elkaar aan en haar hart was dan vol liefde voor Hendrik Sr. Geen pen kon de taal beschrijven van die paar ogen, dan welde er een traan op in haar ogen, zij, die nooit huilde of gehuild had. Deze blikken verraden een zee van herinneringen van veel liefde en leed, samen, zij en haar Hendrik, van veel leed en ontberingen hen door het schraperige leger toegebracht, b.v. bij overplaatsingen naar posten diep in de binnenlanden, die je na twee-drie dagen lopend bereikte. Bij reizen per K.P.M., zomaar op het dek neergekwakt, en zie maar dat je er komt, en nog vele, vele andere zorgen. Dat vertelden die ogen als beiden in zulke sporadische momenten elkaar vasthielden. Het Leger eist dat…

Sergeant

In 1925 werd ik sergeant en nam ik afscheid van de familie. Hendrik Jr. werd ook sergeant en werd elders geplaatst.
Jaren later ontmoette ik hem. Van hem vernam ik dat zijn ouders na de pensionnering van Hendrik Sr. te Amboina waren overleden. Wat schrok ik. Ik was onder de indruk. Hendrik Jr. vertelde dat zijn vader als burger niet meer werkte. Hij versufte, deed alles automatisch en praatte zelden meer.
Op een dag werd hij ziek en was vier dagen later overleden. Tante was toen alleen. In het begin ging het nog wel, maar allengs verminderde ook haar levenskracht. Ze miste haar Hendrik. Ook zij werd hoe langer hoe stiller en trok zich terug van vele dingen.
De bezoeken van familie, vrienden en kennissen namen af. Niet meer werd ze geraadpleegd in familie- en andere zaken. Tante ging raar doen. Acht maanden na de dood van haar Hendrik kreeg Hendrik Jr. een telegram meldende de dood van zijn moeder. Ze overleed plotseling, zomaar. Hendrik Jr. kon niet overkomen, de afstand naar Ambon was te groot.
“Ja, Hendrik,’ zeide hij tot mij, ‘zo is het gegaan.’
Ik vond hem stil geworden, niet zo levendig en uitbundig als toen. Ik legde mijn hand op zijn schouder, keek hem aan, en zei: ‘Hendrik, ik heb altijd de grootste achting en hoogste verering voor je moeder gehad, dat weet je. Jij en ik kwamen heel dikwijls naar hun “Tampatje” bij het 7e Bataljon toen wij daar ook nog in opleiding waren.’ Hij knikte. Wij namen afscheid.
Hendrik Watimena Jr. is nu dood. Dat vernam ik enkele jaren geleden van kennissen. Hij overleed te Djakarta. Van Corrie weet ik niets. Men zei mij niets over haar.
Met Hendrik Jr. stierf dit kleine geslacht Watimena uit.


 

Wanneer er een nieuw artikel verschijnt, mail ik een berichtje aan degenen die zich hebben ingeschreven. Dan hoeft u niet te zoeken. Inschrijven kan door op het plaatje te klikken. Dan krijgt u meteen een ebook cadeau: Drie tips om herinneringen door te geven.

Henkie KNIL over Tante Wattimena